Standplaats Egypte – zaterdag 14 september 2019

Standplaats Egypte – zaterdag 14 september 2019

Geachte Hoofdredacteur,

Het is alweer een tijd geleden dat ik iets heb ingestuurd.
Ik had het druk: na de vakantie lag het werk in stapels op mij te wachten, dat heb je als je veel met boeken bezig bent.
Op doorreis naar Den Haag, waar ik voor zaken moest zijn, kwam ik deze  week langs Breda, waar een tante van mij woont. We hebben gezellig samen gegeten en gepraat,o.a. over een gedenkboekje over onze familie. Dat bracht me op het idee een oud verhaal over haar broer op te poetsen.
Het gaat hierbij. Hopelijk kan het uw goedkeuring wegdragen.
Met vriendelijke groet,
Uw correspondent met Standplaats Egypte, Willem Kurstjens.

*************************

EEN ZUIVERE PARABEL

Emeritus-deken Paul Paulussen voelde zich de koning te rijk toen de voorzitter van het kerkbestuur hem belde met het verzoek om de pastoor van de parochie tijdens diens drie weken durende vakantie te vervangen. Sinds Paulussen zich na zijn pensioen opnieuw in het dorp van zijn jeugd had gevestigd, had hij gehoopt dat zo’n verzoek hem zou bereiken, en nu was het dan zover. Hij besloot zich goed voor te bereiden en zon op een pakkende preek. De wetenschap dat er in de kerk veel oude bekenden zouden zitten, bracht hem op een idee. Hij zou hen een verhaal van vroeger vertellen, uit zijn jeugd.

Toen het moment aangebroken was, liet hij het eerst muisstil worden. Hij haalde diep adem en sprak de zin uit die hij de afgelopen week tientallen keren zachtjes voor zichzelf had uitgesproken en die in de hoofden van de mensen vóór hem een lawine van beelden op gang moest brengen.

‘Toen de oorlog was afgelopen, kwam ook de ijkmeester weer terug. Ik zie hem nog op zijn motor bij ons de straat in komen met zijn helm op en zijn loden uniformjas aan.’

Hij keek op om te zien of hij doel had getroffen en zag overal blikken van herkenning. Op het koor aan het einde van de kerk porden de tien mannen die samen de tenoren en de bassen vormden, elkaar aan en bogen zich samenzweerderig naar elkaar toe.

Ze wisten het dus ook nog.

‘Achterop zat zijn zoon. De jongen omklemde het middel van zijn vader met beide armen. We hadden het ventje nog nooit gezien, maar de ijkmeester had ons trots over hem verteld, toen hij de laatste keer bij ons was gekomen, ergens halverwege 1943, net voordat hij moest onderduiken. Het jongetje was toen een jaar of drie en de oogappel van zijn ouders.

Nog maar nauwelijks had hij zijn motor gestopt of we renden naar buiten, onze vader voorop.

“Ah, de ijkmeester!” riep hij opgetogen. “U leeft gelukkig nog!”

Iedereen was blij elkaar na zo’n lange tijd weer te zien en in goede gezondheid aan te treffen.

“Zoals u ziet,” zei de ijkmeester, terwijl hij de motor op het trottoir voor de winkel stalde en de leren schoudertas waarin hij zijn gewichten vervoerde, naast zich op de grond zette.

Ze gaven elkaar een hand.

“En wie hebben we daar dan?” vroeg mijn vader, terwijl hij een hand op de hoofd van het jongetje legde.

“Mijn zoon,” zei de ijkmeester. “Ik heb hem meegenomen om te helpen. Kom, jongen. Werk aan de winkel.’

Trots liep het jongetje achter hem aan de winkel in, terwijl wij, kinderen, op een eerbiedige afstand toekeken.’

Op deze zin sloeg Paulussen zijn ogen op en keek opnieuw de kerk in. Alle ogen waren nu strak op hem gericht. Sommige glansden alsof ze door ontroering bevangen waren. Men hing aan zijn lippen.

‘Terwijl de ijkmeester de zware tas de winkel in zeulde, sneed mijn moeder een plakje worst af voor het jongetje dat op zijn kleine beentjes met moeite het opstapje nam.

“Hier,” zei ze, toen hij de winkel binnenkwam. “Een lekker stukje worst.”‘

Paulussen stopte weer even, spiedde de gezichten voor hem af en zag het bijna overal twinkelen. Hoeveel van hen die hier zaten, dacht hij, hadden niet ook van zijn moeder zo’n plakje worst gekregen?

‘”Ho, ho, ho,” zei de ijkmeester. “Eerst moet er gewerkt worden. Pak de gewichten maar eens uit de tas, jongen.”

Het jongetje deed wat zijn vader hem had opdragen, boog zich over de tas heen en wrikte de mal met gewichten eruit. Ademloos keken we toe.

“Wacht, dan zal ik je helpen,” zei de ijkmeester.

Samen zetten ze de mal op de toonbank, haalden de gewichten eruit en rangschikten die van groot naar klein. Terwijl onze vader de zijne van de weegschaal pakte en ze tegenover die van hun zette, dook de ijkmeester opnieuw de tas in, dit keer om er de ijkschaal uit te halen, die hij naast de gewichten zette.

“Nu het hamertje en de loodjes nog, jongen, en dan kunnen we beginnen.”

Het hamertje en de loodjes zaten ergens in een zijvakje verstopt waar je moeilijk met je hand bij kon, maar uiteindelijk kreeg het jongetje ze toch te pakken. Hij gaf ze aan zijn vader, die ze naast de weegschaal legde.

“Mooi zo, dan zullen we maar eens, nietwaar?”

Met die woorden begon het ijken. Het was een heel precies karweitje waarbij veel geduld was vereist en iedereen aandachtig toekeek, alsof het om een kwestie van leven of dood ging.

“En?” vroeg mijn vader na de eerste ronde.

“Tja, wat zal ik zeggen?” sprak de ijkmeester kwasi-gewichtig. “Alles heeft zijn gewicht, behalve die daar, daar moet nog iets bij.”

Hij knikte met zijn hoofd naar de gewichtjes die hij te licht had bevonden en opzij had gezet.

Wij, kinderen, knikten instemmend alsof we het altijd al geweten hadden.

“Jongen, geef me het hamertje en de loodjes eens aan, dan zullen we dat eens in orde maken.”

Zijn zoon gaf hem het fijne hamertje en de nog fijnere loodjes aan, waarna zijn vader de gewichten één voor één omdraaide en met het hamertje één of meer loodjes in een gleuf aan de onderkant sloeg. Daarna woog hij ze opnieuw. Hier en daar sloeg hij er nog een loodje bij, net zolang totdat het precies klopte.

“Zo, dat is dat, klaar is Kees. Pak nu je plakje worst maar.”

Iedereen lachte terwijl het jongetje het plakje worst uit de hand van mijn moeder pakte en in zijn mond stak.’

Paulussen stopte. Je kon een speld horen vallen. Niemand waagde het te kuchen, te niezen of zijn neus te snuiten. Hij verkneukelde zich. Het was tijd voor de klap op de vuurpijl, the finishing touch, la grande finale.

‘God is als deze ijkmeester,’ sprak hij gedragen. ‘Waar een mensenleven gewicht tekort komt, slaat hij er een loodje bij. Amen.’

Hij draaide zich om en liep terug naar het altaar, terwijl er achter hem een storm aan kuchjes, lachjes en fluisteringen opstak. Zolang hadden ze zich dus ingehouden om zijn preek niet te verstoren! Hij genoot met volle teugen en nam met genoegen de complimenten in ontvangst die hem na de mis ten deel vielen. Het begon met de koster, die tijdens de preek in de opening van de deur van de sacristie had gestaan, en zei dat hij alleen maar glimlachende en ontroerde blikken had gezien. Terwijl de man hem uit zijn gewaden hielp, werd er achter hun rug op de deur geklopt en maakten er mensen hun opwachting die tegen de koster zeiden dat ze meneer pastoor nog van vroeger kenden, en die hij inderdaad herkende. Het waren speelkameraadjes en klasgenoten uit zijn lagere schooltijd. Ze feliciteerden hem omstandig. ‘Wat een mooie preek!’ riep de een. ‘Ik zag het weer precies voor me!’ kraaide de ander. Ten slotte kwam er nog een delegatie van de bassen en tenoren om hem de lof van het koor over te brengen. Ook daarbij bevonden zich enkele oude bekenden, zoals zijn jeugdvriend Herman Winkels met wie hij nog achter de meisjes had aan gezeten, voordat hij zijn roeping had gekregen.

‘Wat een geweldige preek was dat,’ zei Winkels. ‘Die goeie oude tijd. Ik zag het zo weer voor me. Laten we een keer iets afspreken…’

Paulussen knikte, maar ging er niet op in. Hij had zo zijn twijfels over dit soort ontmoetingen, waarbij mensen die elkaar een eeuwigheid niet meer hadden gezien, plotseling herinneringen wilden ophalen in plaats van zich af te vragen waarom ze elkaar niet eerder hadden opgezocht. Hem was het in de eerste plaats te doen geweest om het verhaal, de parabel. Voor hem was de ijkmeester een zuiver beeld geweest van een levende god die de mensen met hun lot verzoent. Dat hij daarbij uit zijn herinnering had kunnen putten en die herinnering collectieve herinnering was gebleken, was een prettige bijkomstigheid, maar ook niet meer dan dat.

Niettemin besloot hij de volgende zondag er een schepje bovenop te doen. De gelegenheid om met de vonk van de herkenning het vuur van het geloof aan te wakkeren, was te mooi om voorbij te laten gaan. Kennelijk had het succes van zijn preek in het dorp de ronde gedaan, want er zaten bijna twee keer zoveel mensen in de kerk, voornamelijk ouderen, zoals te verwachten was.

‘Verleden zondag ,’ begon hij, ‘heb ik u verteld over de ijkmeester die na de oorlog in ons dorp terugkwam. Ik sloot mijn preek af met de woorden dat de ijkmeester als God is, die de mensen met hun leven verzoent. Maar daarmee is het verhaal nog niet af. Het heeft nog een staartje dat ik u niet wil onthouden.’

Hij keek van de lezenaar op en zag de gezichten van de mensen voor hem weer oplichten. De waaiertjes in de ooghoeken gingen open en de lippen krulden op. Weer een verhaal over vroeger, het kon niet op!

‘Op het einde van de dag, als de ijkmeester en zijn zoon hun ronde door ons dorp hadden gemaakt, gingen ze altijd naar een café om iets te drinken. Ik weet dat van mijn vader, die zelf ook niet vies was van een glaasje.’

Hij wachtte even en keek naar het koor, waar Winkels zijn buurman aanporde en hem iets toefluisterde, waarop ze in gemelijk lachen uitbarstten. Paulussen wist precies wat Winkels had gezegd: “Of twee.” Het was een publiek geheim dat zijn vader de drank niet had geschuwd. Paulussen had het wel verwacht, maar liet er zich niet door van zijn stuk brengen.

‘Ook daar waren ze graag geziene gasten. Nog maar nauwelijks waren ze binnengekomen of de ijkmeester moest een spervuur van vragen beantwoorden. Dat kwam omdat direct na de oorlog de verbindingen nog slecht waren en hij als één van de weinigen in alle omliggende dorpen kwam. Daardoor wist hij wat er overal gebeurde. Daarbij kwam dat hij een rasverteller was, die van het kleinste voorval nog een geweldig verhaal kon maken. De mensen hingen aan zijn lippen. Maar nog mooier was wat er gebeurde als hij was uitgepraat. Dan kwam de waard of één van zijn stamgasten met een volle of halfvolle pul bier in zijn hand naar hem toe en vroeg hem: “Zeg eens, ijkmeester, wat moet dit wegen?”‘

Zonder met zijn ogen te knipperen nam de ijkmeester het ding van hem over, zette hem in de palm van zijn hand en liet hem daarin een tijdje rusten.

“Tweehonderddertig gram,” zei hij toen beslist.

“Weet u dat zeker?”

“Ik kan er vijf gram naast zitten, maar beslist niet meer.”

“Wedden?”

“Zoals u wilt.”

“Voor een kwartje.”

Een kwartje was in die tijd veel geld.

De ijkmeester knikte, haalde de ijkschaal te voorschijn en zette die op de tapkast tussen zichzelf en de stamgast in. Op slag werd het stil in het café. De gasten aan de andere tafeltjes stopten met praten, stonden van hun stoelen op en kwamen om hem heen staan.

“Wat heeft hij gezegd dat het zou wegen?” werd er gevraagd.

“Tweehonderddertig gram!”

Iedereen hield zijn adem in toen de ijkmeester de pul bier op het ene schaaltje en een handvol gewichten op het andere schaaltje zette. Langzaam bracht hij ze met elkaar in balans.

“Tweehonderdachtentwintig gram, op de kop af, ” sprak hij. “Kijk maar.”

Hij deed een stap terug zodat iedereen het goed kon zien. Er werd ongelovig gesist en gemompeld. De complimenten en schouderklopjes waren niet van de lucht. Als de ijkmeester alle pilsjes had opgedronken die hem toen waren aangeboden, dan hadden zijn zoon en hij die avond terug naar huis moeten lopen. Maar….’

Paulussen hield weer in, nu om de mensen de gelegenheid te geven het beeld op zich te laten inwerken.

‘Maar….’ zei hij toen, ‘zover liet hij het niet komen. Hij dronk zijn glas leeg, bedankte iedereen en gebaarde zijn zoon hetzelfde te doen, waarna ze opstapten. De ijkmeester is als God. Hij verbaast de mensen en kent de maat en het gewicht van de dingen. Amen.’

Dit keer was het effect van zijn woorden nog verpletterender dan de vorige keer. Secondenlang bleef het stil in de kerk, doodstil. Pas toen hij zich omdraaide, werd er weer gekucht en gehoest. Hij herinnerde zich wat een collega hierover ooit tegen hem had gezegd: “Bij iedere kudde makke schapen zijn altijd wel een paar blaffende honden,” en glimlachte. Het was hem weer gelukt. Met een natte vinger had hij ze gelijmd en in zijn zak gestoken. Het verhaal klopte met de feiten en toch bleef de parabel intact. Het was alleen jammer dat hij niet over een derde aflevering beschikte, die hij voor de zondag daarop kon gebruiken, de laatste zondag van zijn invalbeurt.

Overladen met complimenten tufte hij tevreden in zijn autootje naar huis, toen hij bij een kruising kwam en de motor afsloeg, net voor een groepje Turkse of Marokkaanse mannen dat daar stond te praten. Hij startte hem opnieuw, maar tevergeefs. Toen hij die handeling drie tot vier keer herhaalde, draaiden ze zich naar hem toe en maanden hem tot kalmte.

‘Rustig, rustig,’ meende hij dat ze zeiden.

Eentje maakte zich uit de groep los en kwam naar hem toe. Paulussen liet het raampje zakken.

‘Rustig doen,’ zei hij. ‘Anders akku leeg.’

Paulussen knikte. Waarschijnlijk hadden ze gelijk. Wat wist hij nu van auto’s?

‘Maar wat moet ik dan doen?’ zei hij.

‘Wacht,’ zei de man. ‘Wij helpen. Gaat u maar even uit.’

Hij stapte uit en liet de mannen hun gang gaan. Een ging er achter het stuur zitten en liet zich door de anderen aanduwen. Binnen de kortste keren stond het autootje met tuffende motor weer voor hem.

‘Bedankt,’ zei hij.

De ander antwoordde iets wat hij niet verstond.

‘Wat zegt u?’ vroeg hij.

La shukran ana wajib,’ zei hij. ‘Geen dank.’

Hij liet het hem nog een paar keer zeggen en herhaalde het toen hardop als een bezweringsformule: ‘La shukran ana wajib, la shukran ana wahjib. Geen dank, geen dank’

De zin spookte nog lang door zijn hoofd en schoot hem weer te binnen toen hij zich op vrijdagmiddag aan zijn preek voor zondag zette. Toevallig was het de zondag van de parabel van de barmhartige Samaritaan uit het Evangelie van Lucas, de zuiverste van alle parabels die hij kende. Ook daar moest hij een kloppend verhaal voor zien te vinden. Hij aarzelde niet en begon te schrijven. Het leek alsof zijn pen door een onzichtbare hand over het papier werd geleid. De wereld om hem heen viel weg en alleen zijn hand met de pen bewoog. God leidde zijn gedachten

‘De vorige week heb ik met u gesproken over vroeger, ‘ begon hij zijn preek. ‘Vandaag wil ik met u hebben over vandaag. Ik vertel u een verhaal over een Nederlandse familie die met de auto naar Spanje op vakantie ging en daar ergens ver van de bewoonde wereld, in the middle of nowhere zoals we nu zeggen, met motorpech langs de weg kwam te staan. Tegenwoordig kun je overal bellen, maar daar en toen niet. Er stonden nergens antennes van telefoonmaatschappijen, ze hadden geen bereik. Daarbij was het midden op de dag en heet, smoorheet. Tot overmaat van ramp hadden ze niets meer te drinken. Daarom besloten ze langs de weg te gaan staan en de andere automobilisten, van wie er heel wat uit Frankrijk, Nederland en België kwamen, te manen om te stoppen. Maar niemand stopte. Iedereen had het te druk om met zijn gezin naar zijn vakantiebestemming te racen. Zelfs met de rood-wit-blauwe vlaggetjes en oranje hoeden en petjes van de wereldkampioenschappen voetbal hadden ze geen succes.’

Hij keek de kerk in, die weer voller leek dan de week tevoren.

‘Totdat er over de kim van de berg een gammel, blauw volkswagenbusje aan kwam aan, dat bijna leek te bezwijken onder de koffers die op het dak waren opgetast. Achter het stuur zat …. ‘

Paulussen zag zijn oude vriend Winkels staan en hoorde hem denken: ‘Waar is die goeie oude tijd?’

‘Achter het stuur zat een oude Marokkaan.’

Op slag betrokken de blikken voor hem. Ook werd er opeens driftig gehoest en gekucht. Terstond besefte hij dat hij al het krediet dat hij de afgelopen weken met zijn verhalen over de ijkmeester had opgebouwd, in één keer dreigde te verspelen, te beginnen bij Winkels die zijn buurman aanporde, een wegwerpgebaar maakte en zich hoofdschuddend omdraaide naar de alten en sopranen, die ook al druk met elkaar aan het fluisteren waren.

Toch besloot hij er zich niets van aan te trekken. Het was nu te laat om er iets aan te veranderen en per slot van rekening was en bleef het een zuivere parabel.

‘De Marokkaan stopte en toen hij hoorde wat er aan de hand was, stapte hij uit en hielp de Nederlanders, net zoals de barmhartige Samaritaan uit de parabel. Soms komt de hulp van een kant waarvan je hem het minst verwacht. Amen.’

Dit keer viel er geen plechtige stilte, zoals aan het einde van zijn vorige preken, maar ging het hoesten en kuchen gewoon door. De honden blaften uitgelaten. Hij voelde de weerzin vanuit de menigte en werkte gelaten naar het einde toe. Toen hij terugging naar de sacristie stond er niemand bij de deur op hem te wachten. De koster was de heilige vaten aan het opruimen.

‘Ik geloof dat ik met mijn preek niet helemaal de juiste toon heb getroffen,’ zei Paulussen tegen hem, terwijl hij hem zwijgend uit zijn gewaden hielp.

‘Nee,’ zei de koster, ‘maar wat wil je, de meeste mensen verlangen nu eenmaal terug naar vroeger, ikzelf ook. Verhalen over vroeger doen het altijd beter dan een verhaal van nu. En daarbij zien ze Marokkanen natuurlijk als vreemden, die hier niet thuishoren.’

‘Zoals de Joden de Samaritanen,’ zei Paulussen.

De koster knikte.

‘Het is de laatste keer moet u maar denken.’

‘Hoe bedoelt u?’

‘De volgende keer is meneer pastoor er weer.’

Maar ik vond het juist zo leuk om te doen, had Paulussen hem willen zeggen.

‘Bedankt,’ zei de koster.

Ze gaven elkaar een hand.

‘Wel thuis.’

‘U ook,’ zei hij.

Toen Paulussen in zijn auto naar huis reed, kwam hij weer langs de plek waar hij de vorige keer was komen stil te staan. Dezelfde mannen als toen stonden weer aan de straatkant te kletsen.

Hij stak zijn hand naar hen op en stopte. De mannen herkenden hem en kwamen naar hem toe. Hij draaide het raampje open en boog zich naar hen toe.

‘Alles goed?’ vroeg een van hen. ‘Auto lopen goed?’

Hij knikte.

‘Ja,’ zei hij, ‘dank zij jullie. La shukran ana wajib.’

Ze lachten.

Zo kwam alles toch nog goed.

 

Advertenties
Standplaats Pyongyang – zondag 8 september 2019

Standplaats Pyongyang – zondag 8 september 2019

Pyongyang 8 september – Het nieuws dat de Operakaraoke in Venlo niet door kan gaan vanwege fysiek ongemak van Maurice Luttikhuis, is in het hoofdkwartier van de Grote Leider ingeslagen als een bom. De Grote Leider heeft zijn brunch terstond onderbroken en zich beraden over een medicijn voor  de sympathieke dirigent. Zijn ongeëvenaarde medische kennis kwam daarbij de Grote Leider  zeer van pas. Ieder uur een frietei van Automatiek Piccadilly  en de ‘kapelmeister’ kan vanavond  het dirigeerstokje weer ter hand nemen.  

‘Zondagmorgen-zonder-zorgen’ editie van 8 september 2019

‘Zondagmorgen-zonder-zorgen’ editie van 8 september 2019

First slide

We hadden het in de vorige Aevel over de Vredesvlam achter het Limburgs Museum. Die brandt niet meer. Omroep Venlo trok aan de bel bij de gemeente en wat blijkt? Het is het gevolg van vandalisme. Wederom kon iemand er niet met zien klevieëters vanaaf blieve.

De Vredesvlam wordt gerepareerd. Aevel. Op de plek achter het Limburgs Museum ontbreekt toezicht. Mensen, die moedwillig of uit balorigheid de Vredesvlam willen vernielen, hebben er vrij spel. Het heeft weinig zin om het monument te reparen, want over unne gas waeke is het weer zo wieëd.

Er worden plannen ontwikkeld voor de herinrichting van de Keulsepoort. Is het verstandiger om het monument te verplaatsen naar een plek vóór het Limburgs Museum? De Vredesvlam komt er onder de aandacht van veel mensen. Daarmee wordt recht gedaan aan de boodschap ervan. De Keulsepoort is een veiligere plek dan het Julianapark, zeker als er vanuit het Limburg Museum cameratoezicht is.

Dat bedoel ik nu met constructief näöle. Näöle, aevel dusdanig näöle dat in het genäöl een oplossing besloten ligt, voor het probleem waarover genäöld wordt.

Een ander voorbeeld. Voordat ik onder de pölf ga, controleer ik meestal of er onnodig lampen branden in huis. Van die generatie ben ik nog. Lampen uitdraaien als je gaat luime is goed voor de platvink en nog beter voor het milieu. Niet door iedereen wordt er aevel zo over gedacht. Loop ’s avonds eens door de Heilige Geeststraat. Het trappenhuis van veurhaer V&D baadt al maanden in het licht van TL-buizen. Alsof het een plaats delict is waar de politie sporen veiligstelt. Ik heb ze niet geteld, ik denk aevel dat er wel dertig branden. Het absurde is, dat er nooit iemand in het trappenhuis loopt. Ik zou de helft van die TL-buizen los draaien. Liever gezegd: laten losdraaien, want ik heb hoogtevrees.

Donderdagavond verscheen er iets op Facebook, waarvan me de schrik om het hart sloeg. Het is een zogenaamde artist impression van de gevel van de parkeergarage Blok van Gendt, die aan de Noord-Buitensingel komt. Minseleef, de gevel past totaal niet bij de architectuur van de Parkstraat, Hogeweg en het Villapark. Het is aevel niet meer dan een impressie, die een indruk geeft van het mogelijk straatbeeld. Hierover gaat zeker genäöld worden. Uiteindelijk hopelijk ook constructief.

Wies ’t aevel weer ens is,
Sef Derkx

Standplaats Pyongyang – vrijdag 6 september 2019

Standplaats Pyongyang – vrijdag 6 september 2019

Pyongyang 6 september – Bronnen dichtbij de Grote Leider hebben de Venloër Grensbode laten weten dat de Grote Leider voornemens is om morgen Bluesrock in Tegelen te bezoeken. De Grote Leider was in de veronderstelling dat het café van Petatte Nelke  nog geopend was, maar uit navraag  blijkt dit helaas niet  het geval te zijn. Later vandaag worden veranderingen verwacht in het reiscomité van de Grote Leider.

Tevens heeft de Grote Leider  heden middag kenbaar gemaakt in de  mythische sporen van Bo Diddly te willen treden en voordat hij naar De Doolhof vertrekt, enige tijd in Sounds te willen verblijven. Na een bezoek eerder deze week aan een showroom voor damesschoenen  heeft de Grote  Leider te kennen gegeven de LP van Kwante Hippe te willen verwerven.

Overigens had de Grote Leider een hele goede dag wat betreft zijn uitspraak van het Venloos. Hij sprak de ‘r’  uit!  Veldeke Krink Venlo werd mede daarom beloond met de hoogste onderscheiding van het Koreaans schiereiland.

Standplaats Pyongyang – dinsdag 3 september 2019

Standplaats Pyongyang – dinsdag 3 september 2019

Pyongyang 3 september –  Uiterst aangenaam verrast was de Grote Leider door een bericht op de Facebookpagina van Toine Schreinemachers. De sympathieke Venlose slager vroeg daarin aandacht voor zijn Reibekuchen, aardappelkoekjes. Het gerecht is vermaard in Venlo, waar  het in het dialect bekend staat als rièfkook (enkelvoud) en rièfkeuk (meervoud).

De Grote Leider die  met glans een schriftelijke cursus Venloos volgt en bovendien over grote culinaire gaven beschikt, wilde per se het  gerecht proberen. De rièfkeuk van  de Grote Leider  overtroffen alle rièfkeuk ooit gemaakt.

Per decreet van de Grote Leider is een deel van de aardappeloogst gereserveerd  voor  Toine Schreinemachers, zodat hij te Pyongyang een workshop ‘Rièfkeuk make’ kan geven onder supervisie van de Grote Leider.

Brilstand door Mikanista – dinsdag 3 september 2019

Brilstand door Mikanista – dinsdag 3 september 2019

(door Mikanista)

Zondag 1 september 2019

ADO Den Haag – VVV

Wat in hemelsnaam schrijven over zo’n wedstrijd? Als een als ooievaar verklede man de show steelt, weet je het wel.

Bagger. Dramatisch. Triest. Niet om aan te zien. Pijn aan de ogen. Nog slechter dan de naam van het stadion. Cars Jeans Stadion. Cars Jeans: ‘Sinds 1982 is Cars Jeans een nationaal en internationaal begrip in de 
mode-industrie. De missie van Cars Jeans is “jezelf kunnen zijn in de jeans die je draagt”. JUST BE YOUR DENIM SELF! Als “family brand” richt Cars Jeans zich op mensen met een down-to-earth mentaliteit, die plezier beleven aan kleding met een modieuze twist en items die een actieve/ energieke uitstraling hebben.’

Alphons Groenendijk is een trainer met een down-to-earth-mentaliteit. Zegt voor de wedstrijd dan ook: ‘De spoeling is niet zo heel breed.’
Ali Boussaboun is een analist met een down-to-earth-mentaliteit. Produceert dan ook niets citabels.
Danny Post is een voetballer met een down-to-earth-mentaliteit. Pakt dan ook weer eens twee volstrekt overbodige gele kaarten.
Alphons Groenendijk is een trainer met een down-to-earth-mentaliteit. Zegt na afloop dan ook: ‘Ik heb me echt vanavond door een zak meel moeten worstelen op de bank.’

Enzovoort. Enzovoort.

In arren moede maar aan het whatsappen geslagen met X.
[Kum maait Necid neer in het strafschopgebied]
Ik: ‘Was wel een penalty.’
X: ‘Is gwn een penalty. Klaar. Niks meer niks minder.’
Ik: ‘Klopt. En rode kaart.’
X: ‘Zeker waar.’
[Post krijgt rode kaart]
Ik: ‘Post ook weer lekker bezig.’
X: ‘Ben niet erg verrast.’
Ik: ‘Ik ook niet.’

[Scheidsrechter Mulder en VAR zien ADO-handsbal over het hoofd]
Ik: ‘Hands!’
X: ‘Inderdaad. Snap die var niet.’
Ik: ‘Ik ook niet.’
[Zoveelste onbegrijpelijke beslissing van Mulder]
X: ‘Is die scheids nou zo blind?’
Ik: ‘Lijkt er wel op.’
X: ‘Ja die Mulder mag echt een flink eind opflikkeren.’
Ik: 😂
[Haji Wright mist kans]
Ik: ‘Had moeten zitten.’
X: ‘Ja maar stampt die m nou de grond in of wat doet die.’
Ik: ‘Zoiets.’
[Na afloop]
Ik: ‘Is Susic eigenlijk verkocht? Anders moeten ze die maar terughalen. Neudecker valt zwaar tegen.’
X: ‘Die gaat hoogstwaarschijnlijk naar Heerenveen maar die zit nog wel bij VVV maar traint niet mee en probeert nu volgens mij zn contract af te laten kopen om dan transfervrij weg te kunnen.’
Ik: ‘Ah zo.’
Inderdaad, het niveau van onze conversatie past zich moeiteloos aan aan het niveau van de wedstrijd.

Gepost door Wim Moorman, naar wie de dank van de Venloër Grensbode uitgaat. 

Standplaats Egypte – maandag 2 september 2019

Standplaats Egypte – maandag 2 september 2019

Geachte hoofdredacteur,

Dank voor plaatsing van mijn laatste stukje.
Inmiddels heb ik onder normale temperaturen weer een nieuwe bijdrage geschreven, en deze gaat hierbij.
Met vriendelijke groet,
Uw correspondent te Egypte, buurtschap tussen Venlo en Tegelen bij intimi bekend vanwege het fraai opdrogend fietspad
Post scriptum:  Is er in de Venloër Grensbode ook ruimte voor de plaatsing van een kort feuilleton (slechts vier korte afleveringen)?

********************************

DE WEEMANNETJES

Op de lagere school hadden we een voorleesboekje, dat Het Weemannetje heette. Het ging over een duivels kereltje dat brave lieden een loer probeerde te draaien en als dat lukte, luidkeels en schril ‘wee, wee’ riep. Ik noem maar wat: je wilt pruimen plukken, zet de ladder op en er komt iemand voorbij die tegen je zegt: ‘Wacht, ik help je wel even, ik zal hem vasthouden.’ Nog maar amper ben je boven of hij laat de ladder los, waardoor je op de grond valt, en als je vloekend en tierend weer overeind komt, is hij weg en hoor je schril lachen en ‘wee, wee’ roepen, maar waar je ook kijkt, je ziet niemand.

Ik heb op internet naar het boekje gezocht, tot aan Marktplaats toe, maar kon het niet vinden. Wie het thuis ergens heeft liggen en er niets mee doet, wil ik dringend verzoeken het mij te koop aan te bieden. Wee, wee!

Later heb ik begrepen dat er nog andere weemannetjes waren, die je niet moest vrezen om hun verdorvenheid en sadisme, maar juist om hun gelovigheid. Dat waren de paters Redemptoristen, die één keer per jaar een parochie bezochten om de gelovigen op het rechte pad te houden. Ze joegen hen de stuipen op hun lijf door van de preekstoel met bezwerende gebaren en overslaande stem hel en verdoemenis te preken. De uitdrukking ‘wee, diegene die’ lag hen op de lippen bestorven.

Wee diegene die het waagt Gods naam ijdel te gebruiken …’

Wee diegene die zijn oog werpt op de vrouw van een ander…’

Na de zonde kwam de straf:

‘… zijn ziel zal eeuwig branden in de hel.

‘… hij zal op de Jongste Dag levend gevild en in het vuur geworpen worden.’

Bekend is het verhaal van het Tegelse jongetje dat met zijn moeder naar de kerk ging en die, toen de man zich verhief en zijn vinger vermanend de lucht instak, verschrikt uitriep: ‘Mam, hae kump los!’, waarop zijn moeder hem tot bedaren moest brengen.

Over de Heilige Missie in Venlo is zelfs nog meer informatie overgeleverd, en wel uit het boek ‘De Redemptoristen, wat ze zijn en wat ze doen’ van J.A.F. Kronenburg C.S.S.R (Maastricht 1929) dat geciteerd wordt in het boek Uit het Rijke Roomsche Leven van Michel van der Plas:

‘Te Venlo zag men reeds bij de inleidingspreek van Pater Bernard over het groote nut eener missie, zelfs voorname burgers en priesters overvloedige tranen storten; onder zijn preek over de heiligschennis, waarin hij de geestelijkheid het H. Sacrament naar een afzonderlijk opgericht altaar liet dragen, ontstond een algemeen, luid en onbedaarlijk geschrei onder heel het gehoor; men zag des avonds te 11 uur reeds personen aan de kerk staan om des morgens te 4 uur het eerst aan den biechtstoel te kunnen wezen, terwijl iederen dag 13 tot 28 priesters van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat bezig waren het H. Sacrament van boetvaardigheid toe te dienen: men hield hem aan de toog vast om tot biechten te kunnen komen; op sommige dagen moest nog des avonds te 7, 8 uur de H. Communie worden uitgereikt; op een der avonden ging een man, die den ganschen dag nuchter in de kerk was gebleven, te half tien schier bezwijmend te Communie. [   ] Toen hield hij ‘s avonds de slotpreek over de volharding, en voerde de godsdienstige geestdrift zóó hoog op, dat die duizenden en duizenden toehoorders allen met luider stem herhaalden: ‘Ja, wij zullen volharden! wij zullen volharden!’ [   ]

Na afloop van een Heilige Missie, die meestal een week tot tien dagen duurde, werd het aantal keren geturfd dat de gelovigen ter communie waren gegaan, de kaarsen die ze met z’n allen hadden aangestoken en de keren dat de heilige biecht was afgenomen. Het ging nooit slechter, altijd beter: elk jaar werden er weer meer zielen uit het vagevuur gered en voor de hel behoed. Onder luid gejuich verlieten de weemannetjes het dorp.

Er stonden echter ook skeptici aan de zijlijn: mensen die bang waren dat het obstinate geweeklaag van de weemannetjes hun kinderen op zelfmoordgedachten zou brengen. Als de haat- en boetepredikers het dorp hadden verlaten, kwam er een vreemde stilte over het dorp. Menigeen hield men zijn hart vast en vroeg zich af: zouden de kinderen de helse beproeving doorstaan hebben of zou deze of gene, verteerd door zondebesef, zich alsnog naar de Maas of een van de ondergelopen kleiputten bij Egypte reppen om zich daar te verdrinken? Je wist het maar nooit met die weemannetjes. Timmerlieden die van dik hout planken zagen, letten meestal alleen maar op de planken en niet op de jonge twijgen. Wee, wee.

Bron foto’s: Heeswijk, Joannes-Baptista Lemmens, priester van Berne, speelt een redemptorist, c. 1920. Bron: Beeldcollectie Abdij van Berne. BHIC, fotonrs. 1695-007889 en 1695-007888.