Middageditie van zaterdag 28 juli 2018

Portret Nescio, Christiaan Kruiswaard, 1996

Nescio debuteerde in januari 1911 met het verhaal De uitvreter in het literaire tijdschrift De Gids. Het tijdschrift wees een tweede verhaal, Titaantjes, af vanwege de ‘goedkoope aardigheden’ waarin God ter sprake kwam. Nadat redacteur J.N. van Hall voorstelde om in plaats van het woord God in de afsluitende passage maar de naam Zeus af te drukken, had Nescio er genoeg van. In 1915 verscheen Titaantjes, zijn tweede verhaal, in Groot Nederland.

De iconische twee openingszinnen van Titaantjes luiden:

Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf.

In Titaantjes blikt Koekebakker terug op de tijd dat hij en zijn vrienden idealen hadden, en vertelt hij hoe het hun is vergaan. Bavink schildert een meesterwerk en snijdt dit vervolgens aan reepjes als hij ontdekt dat hij door dit schilderij in feite heeft bereikt wat hij altijd al had afgezworen, namelijk een succesvol en rijk man worden, en komt in een gesticht terecht. De rest van zijn vriendengroep heeft zich aangepast aan de maatschappij die ze ooit afzwoeren. Aan het eind van het verhaal gaat het alleen Koekebakker voor de wind. Hij wordt een succesvol journalist en verdient daarmee een goed belegde boterham. In feite kunnen zijn idealen hem niet meer zo schelen.

Het boek heeft als boodschap dat ieder mens zich uiteindelijk ten koste van zijn idealen aanpast aan de maatschappij en – ondanks zelfs de grootste walging van maatschappelijke eisen hij daar toch altijd aan toegeeft. Of hij wil of niet. Titaantjes is dan ook een protest tegen de maatschappij. Maar het verhaal geeft ook de innerlijke strijd weer tussen Nescio (de schrijver) en Grönloh (directeur van de Holland-Bombay Trading Company). Een strijd, die in een en dezelfde persoon wordt uitgevochten.

Opdrogend fietspad in Egypte*

Geïnspireerd door Titaantjes schreef Onze Correspondent in Egypte* onderstaande vier gedichten, waarin titaantjes uit een ander tijdsgewricht centraal staan.

TITAANTJES

I

Aardige jongens waren we, met goddelijke lijven,

man, daar kon wat in. We zopen ons vast aan onze krukken.

Met sluitingstijd waren we er niet af te rukken

en smeekten we de kroegbaas nog even te mogen blijven.

 

Nu ontmoeten we elkaar in priklabs en apotheken,

de een met een hartkwaal, de ander met jicht.

Ieder kent wel iemand die in de kreukels ligt

of bezig is zich van ’t leven los te weken.

 

‘Hé, die Henk, hoe is het nog met jou en met Hettie?’

‘Ach ja, wat zal ik zeggen, ’t kon beter. Alles skelettie!

 

II

De een fluit een rif, de ander drumt,

een derde speelt op luchtgitaar

Hey Joe van Jimi Hendrix na,

een vierde bast, een vijfde humt.

 

Al jammend worden we weer jong,

krijgen we weer lange haren,

ruige snorren, ruige baarden.

Even zijn we weer forever young,

 

gaan we weer naar San Francisco,

wearing flowers in our hair,

roken we shit en snuiven we coke,

roepen we Johnson moordenaar,

 

en dig it, baby, far out en yeah

en democratiseren we de dood.

 

III

Er zijn geen andere

paradijzen dan verloren paradijzen.

(Jorge Luis Borges)

 

Al vroeg stelde hij voor zichzelf vast:

In dit dorp wil ik niet vergrijzen,

ik ben geboren voor de pracht

van de natuur en parken en paleizen

 

waar men reikhalzend op mij wacht,

ik word onthaald op drank en spijzen

en vrouwen wonen die mij nacht na nacht

de kunst der liefde onderwijzen.’

 

Nu is hij weer terug en loopt de weg na

die hij als kind naar school ging.

Af en toe blijft hij staan, denkt diep na

en wacht op een herinnering,

 

die maar niet wil komen.

Demonen, demonen, demonen.

 

IV

’s Nachts op het terras van Het Veerhuis in Steyl.

Een halve man en een paardenkop en wij. Er wordt

niet meer bediend. We zitten op ons laatste glas,

dat steeds leger wordt. De tijd staat stil.

 

Het duister keert in zichzelf en wordt pikzwart.

Onze stemmen galmen als klokken. Niets beweegt

meer behalve onze monden en de meisjes die ons

bedienen en tussen de lege stoelen door schuifelen

op zoek naar lege glazen en volle asbakken.

 

Onze woorden raken kant noch wal,

net als het veer dat aan de ketting ligt.

Iemand herinnert zich iets grappigs,

een hele goeie grap, om je dood te lachen,

en verdomd, daar weet hij het toch niet meer.

 

Naschrift:

Over de controverse tussen de redactie van De Gids en Nescio over het verhaal Titaantjes, vonden we nader in Verlangen zonder te weten waarnaar. Over Nescio.

van Maurits Verhoeff:

“In januari 1914 voltooide Nescio zijn tweede grote verhaal, ‘Titaantjes’. Eind 1911, begin 1912 had hij een eerste versie van dit verhaal geschreven. In een van de bewerkingen schrijft hij over het werk op een kantoor: ‘Mijn hoofd zat vol berekeningen, ’s avonds in bed vielen me dingen in die gedaan konden worden, ik ging uit ’t bed en schreef ze op, en alles kwam daar op neer of lui in Indië ’t een of ander goed zouden dragen dat ze niet noodig hadden. Het wil mij nu voorkomen dat daar de lui in Indië zich ’t hoofd maar mee moesten breken en niet ik.’

In het voorjaar van 1914 zond hij ‘Titaantjes’ naar De Gids, maar het antwoord van de redactie gaf weinig reden tot hoop. ‘Hinderlijk, zeer zeker ook voor de meeste Gidslezers, zijn de goedkoope aardigheden, waarvan God het onderwerp of het voorwerp is,’ zo liet redactiesecretaris J.N. van Hall weten. Wanneer de redactie veel mocht schrappen in het verhaal, zou er mogelijk van publicatie sprake kunnen zijn. In eerste instantie liet hij de redactie haar gang gaan.

Half oktober ontving Grönloh zijn handschrift retour. De aanpassingen bevielen hem in het geheel niet. Op 20 oktober liet hij weten bezwaar te hebben tegen het schrappen van enkele passages ‘waar ik tracht weer te geven hoe zekere elementen in ’t volk een zeker deel der meer welgestelden zien, [terwijl] ik de gevoelens van opstandigheid jegens de menschen die wat te vertellen hebben in dit werkje niet missen kan’.

Met deze brief sneed Grönloh de mogelijkheid tot publicatie in De Gids definitief af. Van Hall antwoordde dan ook op 21 oktober: ‘Tusschen hetgeen U wenscht te zeggen en hetgeen de Redactie in een tijdschrift als De Gids oirbaar acht blijkt, tot mijn leedwezen, een kloof te gapen, die moeilijk te overbruggen valt.”

Ze zitten wat te zitten op een bankje in het Oosterpark in Amsterdam Drie van de Titaantjes van Nescio. Ze kunnen de hele wereld aan, lijkt het wel . De sculptuur is van Hans Bayens. Het werd in 1971 onthuld en jaren later gestolen. In 1988 werd een nieuw afgietsel geplaatst. Op de sokkel staat: ‘Jongens waren we – maar aardige jongens’, de openingszin van Nescio’s beroemde novelle. 

*buurtschap tussen Venlo en Tegelen, door kenners geroemd vanwege de loofbomen, avifauna en korstmossen

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s