Categorie: Dinsdag

Ochtendeditie van dinsdag 11 december 2018

Ochtendeditie van dinsdag 11 december 2018

De altijd ijverige correspondent voor de Venloër Grensbode in het stadsdeel zuid, Mart Peters, stuurde ons een YouTube-bijdrage over de afronding van de vervaardiging van het grondbeeld Ik geloof in water  van de kunstenaar Willibrord de Winter. De sculptuur is een blijvende herinnering aan het project Rondom Water. De onthulling grijpt zaterdag aanstaande plaats bij De Werf aan de Maasboulevard. Wat betreft de titel van het kunstwerk Ik geloof in water  zouden wij er graag aan toevoegen dat in de brouwerij is geweest. 

Advertenties
Ochtendeditie van dinsdag 4 december 2018

Ochtendeditie van dinsdag 4 december 2018

Omroep Venlo loste in de nieuwsuitzending van gisteravond het raadsel op, dat heel Venlo in zijn greep hield: waar komt toch die groene laserstraal vandaan boven de stad? Voor het volledige bericht zie de website van Omroep Venlo: (https://www.omroepvenlo.nl/nieuws/artikel/groene-lasers-verbinden-gebouwen-voor-kunstproject)

Het is een kunstproject van Suzanne Berkers in samenwerking met Stichting Het Raam. Het bestaat uit een expositie in de Alte Fabrik in Kaldenkerken en een fiets- en wandelroute langs 29 locaties. De lichtlijn verbindt vijf hoge gebouwen. Het beginpunt of eindpunt – dat ligt natuurlijk aan waar je vandaan komt – is de Innovatoren. De laser straaltvervolgens door naar het Stadskantoor, de Molenbossen in Blerick, de schoorsteen van Wienerberger in Tegelen en de Sint-Clemenskerk in Kaldenkerken. In de toren van die kerk hangt overigens een Venlose luidklok.

Fotograaf Peter Janssen plaatste gisteren op zijn Facebookaccount een prachtige serie foto’s van de laserstraal die klieft door het zwerk tussen Blerick, Venlo, Tegelen en Kaldenkerken. Het is zeer de moeite waarde, wat zeggen we nu: het meer dan de moeite waard, om naar het Fb-account van Peter te snellen  (https://www.facebook.com/Peter-Janssen-Akeligventje-580302085667579/?tn-str=k*F)

Avontuurlijk ingestelde kunstliefhebbers kunnen als de duisternis gevallen is te voet of met de fiets een route van zeventien kilometer afleggen. Neem je mobiele telefoon mee, download de app n Connecting Light en je hebt een gids onderweg. Suzanne Berkers wil met het project laten zien dat er overal verbindingen zijn. Verbindingen tussen mensen, tussen mensen en gebouwen en tussen mensen en het landschap.

Venlo stond gisteren in het teken van nog een tweede lichtproject. Boven op de Sint-Jacobskapel op de hoek van Helschriksel en Maasschriksel werd een aureool met LED-licht geplaatst. Ruim een jaar geleden diende de huidige gebruikers bij de gemeente een plan in om een lichtgevende aureool op de Sint-Jacobskapel te plaatsen. Een speciaal teken waarmee de historie van het pand wordt benadrukt. Een aureool als baken van licht in het hart van de wijk Q4.

De Sint-Jacobskapel hoorde bij het Sint-Jacobsgasthuis, dat tussen 1533 en 1539 werd gebouwd. Oorspronkelijk diende het gasthuis als opvang voor burgers die door armoede getroffen waren en geen dak boven hun hoofd hadden. Later werden er zieken en  heren op leeftijd verzorgd. Gelet op de naam is het ook goed mogelijk dat pelgrims er onderdak vonden, die op weg waren naar Santiago de Compostella in Noord-Spanje, het belangrijkste centrum van de Sint-Jacobsverering. In 1864 werd de Sint-Jacobskapel geïntegreerd in  het Burgergasthuis, waar patiënten met geslachtsziekten werden behandeld en prostituees op hun gezondheid gecontroleerd. Zo’n historisch pand verdient een aureool.

De foto’s van het lichtend aureool op de Sint-Jacobskapel zijn van Jacobskapel Venlo,  waarvan dank van de Venloër Grensbode

Tot slot een huiskamervraag uit de categorie extra moeilijk: waar in Nederland brandde de eerste gloeilamp? Het antwoord zal velen verbazen. Deze historische gebeurtenis vond plaats in Venlo. Op de zolder van een pakhuis aan de Picardie om precies te zijn! De man die in 1889 verantwoordelijk was voor deze primeur, was de 24-jarige Engelsman Frederic Robert Pope (1865-1934), zoon van een clipperkapitein uit Liverpool.

Avondeditie van dinsdag 7 augustus 2018

Avondeditie van dinsdag 7 augustus 2018

Nog een aanvulling over de Bochums Kuil.

De naam voor de plas is in het dialect van de Boekend Boumeskoul. Chrit Klerken, een groot kenner van de Boekend, kon ons niets vertellen over de herkomst van deze dialectbenaming. Evenmin over de officiële topografische aanduiding. Hij neemt aan dat de plas ontstaan is door het winnen van turf. Op de beroemde Tranchotkaart staat de Boumeskoul al afgebeeld, helaas zonder naam.

Detail Tranchotkaart, boven Génékenhof is de turfplas weergegeven, die we heden ten dage kennen als de Bochums Kuil.

Jean Joseph Tranchot (1752-1815) was een Franse topograaf. Zijn historisch belang ligt in het minutieus vastleggen van het gebied tussen Maas en Rijn. Tranchot en zijn staf ontwikkelden nieuwe karteringstechnieken. Ze verbeterden meetinstrumenten en -methoden en ontwikkelden nieuwe werkprocessen. Zo ontstonden kaarten van ongekende kwaliteit. Veel historici maken ook nu nog veelvuldig gebruik van het materiaal vanwege de nauwkeurigheid en overvloed aan details. In het vredesverdrag van Parijs (1814) werd bepaald dat het complete kaartwerk van Tranchot, waaronder die van het huidige Limburg die tussen 1802 en 1807 waren opgenomen, aan het koninkrijk Pruisen zouden worden overgedragen.

  • Sef Derkx
Middageditie van dinsdag 7 augustus 2018

Middageditie van dinsdag 7 augustus 2018

Bochums Kuil aan de Overkorenweg in de Boekend; of de prop papier links van het midden een literair meesterwerk is dat in het ongerede is geraakt, wagen we te betwijfelen (bron: Google Streetview)

We waren korte tijd geleden in de Boekend voor een bezoek aan de kruidentuin van de familie Bosch. U las erover in de zaterdageditie van de Venloër Grensbode. We zijn geen geef-mij-maar-een-citroenmelissethee-type noch leggen wij op zere plekken een zwachtel gedrenkt in een kamille-aftreksel, maar toch hebben we genoten en veel opgestoken van het aangename kruidencollege dat we kregen.

Vlak voordat wij aankwamen bij hun Ecosofisch Centrum Achantus zagen wij een mysterieuze waterplas aan de Overkorenweg.  Later vernamen we dat het de Bochums Kuil is. Een onheilspellende naam, toch? Bochum ligt in is Duitsland en is groot geworden door de mijnbouw. Nu herinneren alleen nog het mijnmuseum en diverse instituten eraan. In die industriële periode lukte het hier het eerst om staal in vormen te gieten.

Maar hoe zo een Bochums Kuil in de Boekend? Is op deze plek in een grijs verleden iemand door verdrinking om het leven gebracht? Was de dader of het slachtoffer een inwoner van Bochum?

Bochums Kuil zoals een ovetrekkende watervogel deze waarneemt; van een bevriend ornitholoog hoorden we dat er zelden watervogels op de waterplas worden waargenomen. Ook dit gegeven roept vragen op. Waarom mijdt de avifauna de Bochums Kuil?

 

Sef Derkx

Ochtendeditie van dinsdag 7 augustus 2018

Ochtendeditie van dinsdag 7 augustus 2018

Nescio in Arcen (2)

In een vorige editie van de Venloër Grensblad hebben we beschreven hoe Nescio gevallen is voor de charme van Arcen, dat ‘malle kleine stadje’, zoals hij het noemt. We deden dit aan de hand van fragmenten uit de jaren 1946-1950 van zijn Natuurdagboek. Op grond van zijn aantekeningen op 17 mei 1950 concludeerden we dat zijn liefde definitief was, want hij ging die dag tweemaal naar het kasteeltje en de watermolen. Dat deed hij tijdens eerdere bezoeken nooit. Daarom leek ons de verwachting gewettigd dat hij in de daaropvolgende jaren jaarlijks naar Arcen terug zou gaan of wellicht wel twee of drie keer per jaar. Het dagboek loopt tot eind 1955, dus we dachten nog tussen de vier en tien dagboeknotities over Arcen tegoed te hebben.

OUE SCHUUR WEG

Niets is echter definitief in het leven, ook de liefde van Nescio voor Arcen niet. Om onnaspeurbare redenen komt hij er nog maar één keer terug, en wel op 23 september 1954. Vanuit het station in Venlo neemt hij om tien over twaalf ’s middags de bus naar Arcen, waar hij een hotel – naar we mogen aannemen het Maashotel – bezoekt: ‘Kopje koffie in de weranda en broodje met overvloedig kaas en een allervriendelijkst dienstertje en zeer duur. Zon verdoofd, doffe tinteling op de Maas. Geen gezicht naar den weg ten westen van de Maas meer, door een rommelige beplanting.

Schuur tegenover het kasteel van Arcen, vóór 1954

Arcen heeft zijn charme verloren, want hij blijft er amper een uur. Bij het verlaten van het dorp windt hij zich vreselijk op: ‘Bus 1 uur 18 terug. De oue schuur aan den weg naar Duitschland tegenover de brug van het kasteel is afgebroken (G.v.d). Er staan nieuwe ‘lieve’ huisjes.

Niet vaak komt de uitdrukking ‘G.v.d.’ in het Natuurdagboek voor, meestal gebruikt hij het woord ‘nix’ of ‘nix an’ om aan zijn afkeuring lucht te geven.

BANALE FLIKKERIJ

Prentbriefkaart, circa 1920

De maat van het ongenoegen is echter nog niet vol voor die dag en het is Venlo dat de hardste klappen krijgt: ‘Venlo is een banale flikkerij. Zelfs de overtocht van de Maas mist er glorie (dat oud groote gebouw tussen brug en station is weg, vernield in den oorlog.

Hij bedoelt waarschijnlijk de oude marechausseekazerne en niet het wachtlokaal van de Maasbuurtspoorweg op de brug zelf, dat eerder een gebouwtje dan een groot gebouw was, en ook niet zo oud als de kazerne: zie foto’s.

Marechausseekazerne, blok langs Brugstraat, circa 1910

WACHTERS

Men kan zich afvragen wat Nescio zou vinden van de huidige ‘overtocht’ van de Maas met de beelden van Shinkichi Tajiri: weliswaar etaleren de wachters hun glorie op niet te misverstane wijze, maar of het de glorie is die Nescio bedoelt, kan men zich afvragen. Van het beeld De verwoeste stad van Ossip Zadkine, Tajiri’s leermeester in Parijs, moest hij in elk geval niets hebben. Op 3 mei 1955 verzucht hij: ‘Het idiote beeld van Zadkine, vernegering!’

Verkeersbrug met Wachters van Tajiri; aan de overzijde van de Maas ligt Blerick waarover Nescio ook al minder complimenteus was

door Willem Kurstjens

Middageditie van dinsdag 31 juli 2018

Middageditie van dinsdag 31 juli 2018

De mooiste stadsgezichten uit de twintigste eeuw

Mark Smeets (Hulst 1942-1999 Baarlo) was jarenlang de gezichtsbepalende illustrator van NRC-Handelsblad. Zijn bijdragen verschenen vooral in de zaterdageditie en in de bijlages voor wetenschap, onderwijs en boeken. Redacteur Adriaan van Dis had hem ontdekt in Tante Leny Presenteert, een legendarisch en grensverleggend underground-stripblad uit de jaren zeventig. Soms kreeg Smeets vanuit de redactieburelen de vraag of hij de voorpagina van een katern wilde maken. Wanneer zo’n bijdrage voor je lag, ontdekte je steeds weer nieuwe tekengrappen en absurde woordspelingen. Ofschoon er veel energie, creativiteit en geld ingestoken wordt, is de krant een vluchtig medium. Uiteindelijk belanden ze aan de straatkant, waar ze worden opgehaald door prijzenswaardige werkers die oud papier inzamelen ten bate van de vereniging waarvan ze lid zijn.

Smeets vertelde geen afgeronde verhalen, hij was een lyrisch stripdichter. Niets is af. Plots zijn er wendingen, afbrekingen en nieuwe verhalen. Fragmenten en brokstukken staan naast elkaar. Kortom, geen duidelijke lijn van A naar Z, maar een doolhof. Het labyrintische is kenmerkend voor het oeuvre. De bijdragen aan het NRC-Handelsblad bleven niet onopgemerkt. Smeets werd bekend bij het grote publiek. Redacties van magazines als Avenue, Psychologie, Ouders van Nu en Sekstant – het orgaan van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming – klopten bij de Limburgse striptekenaar aan. Steeds vaker moest hij nachten doorwerken om tekeningen ‘die er al gisteren hadden moeten zijn’ op tijd af te hebben. Tekenen werd alles en het enige in zijn leven.

Mark Smeets was een vertegenwoordiger van wat in de stripkunde ‘de klare lijn’ wordt genoemd. Wie Kuifje voor de geest haalt van Hergé (1907-1983), weet wat ermee bedoeld wordt. De vroegste Kuifjesalbums zijn altijd heilige boeken gebleven voor Smeets. Hij had ze opengeslagen staan op zijn huisaltaar, met ernaast een afbeelding van het schilderij van Vincent van Gogh van een bloeiende boom. Hij was vooral idolaat van de oer-Kuifje. Van de albums van na de taalaanpassing, die de toon van de verhalen compleet veranderde, moest hij weinig hebben. Om de Hollanders te gerieven had de directie van de studio besloten om de personages elkaar te laten tutoyeren. Het verlies van ‘u‘ was Smeets een gruwel, in zijn eigen oeuvre bleven de figuren elkaar vousvoyeren. Niet alleen daarom ademen zijn tekeningen melancholie, ongemak met de wereld om hem heen. Een verwarrend verlangen in fondantkleuren naar een tijd die nooit heeft bestaan of zal bestaan. De karakters die de tekeningen bevolken, zijn uit het lood geslagen. Van het type verstrooide professor, Sjef van Oekel of het onverzorgd ogend mannetje dat over straat loopt en luid in zichzelf praat. Wat ze zeggen is absurd, licht verontrustend: ‘Slooprijke omgeving hier’ of ‘Ugh! Alweer ouwe kapotte gebouwen! Das ist zum Kotzen!’ of ‘Dit zijn de schurken die de omwalling hebben doen afbreken! … Allen avonturiers, bankroutiers en entrepeneurs!’

Met de omwalling die door doen van schurken afgebroken is, bedoelde hij de omwalling van Venlo. Als hij de deadline van de krant weer eens had gehaald en dat ei was gelegd, stortte Smeets zich op zijn vrije werk. Het ene schetsboek na het andere tekende hij vol. Wanneer hij niet zat te tekenen, was hij aan het denken over wat hij had of zou gaan tekenen. Zijn leven stond in dienst van het tekenen. ‘Mijn tekenpotlood en mijn geest zijn mijn kompanen’, was zijn motto. Een belangrijk thema in het vrije werk was het Venlo van voor de sloop van de vestingwerken. Hij had een hardgrondige hekel aan het moderne Venlo en idealiseerde de stad van vroeger. Hij kon maar niet snappen dat Venlo vanaf 1868 de wallen, muren en poorten was gaan slechten en de grachten was gaan dempen. De ontmanteling beschouwde hij als de grootste blunder in de stadsgeschiedenis. Hij was bij het onderwerp uitgekomen in 1993, toen ter gelegenheid van Venlo 650 jaar stad het Historisch Vademecum het licht zag. De stadsgezichten en plattegronden uit de zeventiende en achttiende eeuw waren voor hem een onuitputtelijke bron van inspiratie. Smeets’ herinterpretaties behoren tot de mooiste stadsgezichten die in de vorige eeuw zijn gemaakt.

Avondeditie van dinsdag 24 juli 2018

Avondeditie van dinsdag 24 juli 2018

Geachte Redacteur,

Te voet onderweg naar mijn landgoed in Egypte*, vanwaar ik u bericht, kwam ik vanmorgen langs het voormalig entreegebouw van de Onderste Molen. Op slag hoorde ik weer het gekletter van de klapdeurtjes van de kleedhokjes en het galmende geroep door de holle gangen. Ook zag ik mezelf weer in het water springen en naar de kabel van het half diep zwemmen. Bij elke meter werd het water kouder. Niet geheel toevallig had ik mijn zwemspullen in mijn rugzak, want ik had voor die dag nog zwemplannen in De Bosberg in Swalmen. Het bad is uit dezelfde tijd als De Onderste Molen, maar kennelijk hebben ze in Swalmen iets goed gedaan. De Bosberg is overgenomen door een stichting en wordt gerund door vrijwilligers. Die bemensen maar liefst zeven werkgroepen en drie commissies. Ik mag er graag komen, niet alleen vanwege de herinnering aan De Onderste Molen, maar ook vanwege de sfeer, het onbaatzuchtige van al die vrijwilligers.

Onderste Molen, zomer 1953 (collectie Venloër Grensbode)

Had dat in Venlo ook niet gekund? Was dat geen scenario geweest om de sluiting van de Onderste Molen te voorkomen? Ik betwijfel het, en wel hierom. Eerstens, waar haal je in Venlo zoveel onbaatzuchtige gelijkgestemden vandaan? Het zit, denk ik, niet in de aard van de stad, die vooral op handel en middenstand is gericht, met legio grote en kleine zelfstandigen die elkaar vliegen willen afvangen. Ik merk dat ik hier mijn woorden moet kiezen, omdat U mij hierom wellicht zult willen berispen. Per slot van rekening is het de Venloër Grensbode waarvoor ik schrijf en niet de Swalmer Koerier.

Onderste Molen, zomer 1953 (collectie Venloër Grensbode)

Ten tweede ligt De Bosberg mijlenver buiten de dorpskom, terwijl De Onderste Molen in een gewild buitengebied voor bovenmodalen lag. De grond was er duur en de VVD wilde per se dat haar leden er konden bouwen. Ook de gemeente werd er financieel niet slechter van. Er valt daar heel wat onroerend goed belasting te incasseren.

In 1994 viel het doek. Het kon niet anders, verzuchtte menige politicus, zichtbaar met het lot van de stad en het bad begaan, we moesten wel. Je kunt het je – nog altijd – afvragen. Ik schreef het onderstaand gedicht, tevergeefs.

ZWEMBAD DE ONDERSTE MOLEN

De tijd vervloeit in de cirkels van dit bad

die zich tot de bosrand vergro­ten,

het water wordt door beton om­sloten

als een arena die niet stoffig is maar nat.

 

Op het gras rondom de burgers van de stad,

die de hitte uit hun huizen heeft verstoten,

genietend van de zon, de aanblik van ontblote

lichamen en het hels spektakel in het bad.

 

Als gladiatoren storten de kinde­ren zich in het water,

het licht schittert om hen heen en in hun ogen,

er werd gevochten, geroepen en gesmeekt.

 

Hardhandig wordt het leven van zijn sleur geweekt,

wat ooit vaststond wordt eens flink bewogen

en wat hierna komt, komt steeds later.

Prentbriefkaart Strandbad Onderste Molen, een koene duik van de plank in het koude natuurwater (welwillend ter beschikking gesteld door Onze correspondent in Egypte* ) 

*idyllisch buurtschap tussen Venlo en Tegelen geroemd om zijn loofbomen