Categorie: Geen categorie

‘Zondagmorgen-zonder-zorgen’ editie van 19 mei 2019

‘Zondagmorgen-zonder-zorgen’ editie van 19 mei 2019

First slide

Afgelopen maandag sprak ik Theu Boermans in De Luif. We kennen elkaar sinds de jaren zestig. Dat schept een band.

Theu was in Venlo om in De Maaspoort te vertellen over zijn nieuwe muziektheaterproductie Amadeus. Tien minuten was hem toebedeeld. Daarvoor was hij na een repetitie vanuit Den Haag naar Venlo gereden en ging hij nog dezelfde avond terug naar Amsterdam. Met parkeren haos vijf uur onderweg voor tien minuten spreektijd. Hoe gedreven kun je zijn? Dé reden waarom hij die Roeëmse reis had ondernomen, was zijn verknochtheid met Venlo. Hier had hij lang, lang geleden de regie gekregen over de revues van zijn vader Frans. Het was zijn eerste ervaring met grote uitvoeringen, waarin muziek en toneel samengaan. En met veel mensen op het podium. Hij voelt zich schatplichtig aan de stad, vandaar.

Het verhaal van Wolfgang Amadeus Mozart is een verhaal van alle tijden. Een jong talent, dat zich niet laat beteugelen, komt pijlsnel op. Het vormt een bedreiging voor de oude garde, die de messen gaat slijpen. Amadeus wordt een grootse productie met een orkest op het podium. De voorstelling gaat reizen en in alle speelplaatsen, wordt een lokaal koor gevormd van zo’n veertig zangers en zangeressen. Hoe bijzonder is het om in een voorstelling te staan van een van de belangrijkste regisseurs van Nederland? Heel bijzonder dus. Spiètig aevel dat ik niet kan zingen. Had ik meegedaan aan de voorronde van het Eurovisie Songfestival, had ik zeker een kans gehad.

De amateurcultuur in Venlo bloeit. Voor de Passiespelen is het grootste gelegenheidskoor ooit gevormd. Meer dan honderd vocalisten zijn afgelopen weekend begonnen met hun repetities. Venlona gaat met een dameskoor en een fanfareorkest een symfonie uitvoeren over Queen. Het is een avontuur voor het mannenkoor, dat gebaande paden moet verlaten. Had ik het over Queen? Dan is er nog meer koninklijk nieuws. The Surpremes lieten in een spotje weten, dat ze gaan optreden met The Royal Philharmonic Orchestra. Met de Venlose Hermenie, die enthousiast aan het oefenen is voor het concert.

De amateurcultuur bloeit alzoeë en dat is van wezenlijk belang voor de samenleving. Het zijn woorden van de börger, afgelopen donderdag uitgesproken bij de installatie van de Buun tot Venlonaer van ’t Jaor. Mooie, gepassioneerde woorden. Om träön van in de auge te krijgen.

Aevel… absoluut niet te rijmen met de eerder door de gemeente verordonneerde korting op de subsidie van onder meer diezelfde culturele verenigingen.

Wies ’t aevel weer ens is,
Sef Derkx

Advertenties
‘Zondagmorgen-zonder-zorgen’ editie

‘Zondagmorgen-zonder-zorgen’ editie

First slide

Na de tranen van Ajax, gaan we verder met de reguliere voetbalcompetitie. Even een vraag aan de kenners onder ons. Werd bij vorige glorieperioden van Nederlandse clubs in Europa ook de competitie in de eredivisie stilgelegd door de KNVB? Ik kan het me niet herinneren.

Nog twee wedstrijden te gaan, alzoeë. VVV heeft zich al gehandhaafd. Het eindigt met meer punten dan vorig seizoen. Petje af. Gelet op de mogelijkheden van de Koelclub, is dit een seizoen om in te lijsten. We hebben memorabele momenten mogen meemaken. De gelijkmaker van Sem Steijn uit tegen Heerenveen, staat voor mij bovenaan. Zeventien jaar is de knul pas en dan maak je zo’n belangrijke goal als invaller. Ik sprong een halve meter op oèt de praos.

Wat ik na de laatste thuiswedstrijd zeker zal gaan missen, is het ritueel van Lars Unnerstall. Voor de aftrap rent hij naar zijn goal. In de zestien draait hij zich om en loopt achterwaarts verder. Op de doellijn springt hij op en slaat met beide handen tegen de lat. Dat de resterende wedstrijden van VVV niet meer om het behoud van het eredivisieschap gaan, is good taege de hoeëge blooddrök en de nerveuze eczeem. Daarover hoor je mij niet näöle.

Door die onderbreking van de competitie, is er aevel een vreemde situatie ontstaan. Het heeft er alle schijn van, dat daardoor de transferperiode vroegtijdig in gang is gezet. Met nog twee wedstrijden op het programma, was er deze week openlijk geflirt van PEC Zwolle richting Maurice Steijngood. Had daar niet beter mee gewacht kunnen worden tot de competitie voorbij was geweest? De clubs moeten morgen nog tegen elkaar spelen. PEC Zwolle en VVV hebben een gelijk aantal punten. Het gaat dus nog wel degelijk om iets. De eindstand is van invloed op de tv-gelden, die worden uitgekeerd.

Ineens waren er deze week ook geruchten over sterkhouders uit de huidige selectie, die we het volgend seizoen waarschijnlijk niet meer in De Koel terugzien. Alsof de transfercarrousel nu al in gang is gezet. Tot slot: de Seun of God. Het contract is vroegtijdig ontbonden. Na goed overleg tussen beide partijen, las ik in de media. Zal best, maar spiètig blijft het aevel wel dat het zo gelopen is.

Wies ’t aevel weer ens is,
Sef Derkx

‘Zondagmorgen-zonder-zorgen’- editie van eerste paasdag 2019

‘Zondagmorgen-zonder-zorgen’- editie van eerste paasdag 2019

Het is de Week van de Teek. Er zijn in Venlo aevel bijna geen kroegen meer, waar je met goed fatsoen voor twaalf uur ’s middags aan de teek kunt zitten.

Ik denk dan aan cafés, zoals De Handboog, Bonaparte en de Gouden Tijger. Overdag kwam je er spijbelende scholieren, AOW’ers of echte kroegtijgers tegen. De meesten begonnen met koffie of thee, sommigen bestelden glièk ein klep. Bij de Gouden Tijger tegenover was een herenmodezaak van twee broers. Na de middag trad er een wisseldienst in werking en staken ze om beurten de Lomstraat over om even te pauzeren. Ze bestaan aevel niet meer. Cafés waar je tot aan het Einde der Tijden aan de teek zou willen zitten. Tot het moment, waarop je op de schouder wordt getikt door een engel met een bazuin onder de arm, die zegt dat je nog de allerlaatste klep kunt bestellen.

Nee, het is voltooid verleden tijd. Een glas bier of wijn overdag is het nieuwe roken. Zelfs in cafés slaan de gezondheidsrages toe. Als je thee bestelt, krijg je een megakist voor de neus geschoven met zoveel verschillende soorten, dat het kruidenvrouwtje Klazien uit Zalk er postuum jaloers van wordt. In deze Week van de Teek kreeg ik een berichtje van een café, dat er allewiels ook bôttermelk wordt geschonken. God beware me! Nog even en je staat naast iemand aan de teek die zonder blikken of blozen yakult bestelt.

Aevel. Laat ons niet alleen näöle. De zon schijnt, dus willen we graag een speciaal iemand in dat heerlijke lentezonnetje zetten: Candy Jacobs. De skater, met Olympische aspiraties, ziet vanmiddag een langgekoesterde wens in vervulling gaan. In een grote loods aan dan de Kraanvogelstraat gaat Skatepark Venlo officieel open. Samen met haar vader Hay heeft ze de verschillende obstakels zelf gebouwd. Mam, het petekind, de rest van de familie en haar vrienden hebben fantastisch meegeholpen. We zijn van de week een kijkje gaan nemen. Er werd nog volop getimmerd en geschilderd en de vloer moest nog gekaerd worden.

Aan alles voelde je aevel dat er een pre-Olympische prestatie is verricht. Daarom is deze week vooral de Week van Candy.

Wies ’t aevel weer ens is,
Sef Derkx

Wie was LK Inconnu?

Wie was LK Inconnu?

door Gerrit van der Vorst, correspondent van de Venloër Grensbode in Zeist

Dagblad voor Noord-Limburg, 23 mei 1947  (collectie Gemeentearchief Venlo)

Meer dan zeventig jaren later hoeven we er niet meer geheimzinnig over te doen. LK Inconnu, de schrijver van Het zedenschandaal van Venlo was Lei Kemps. Het levensverhaal van deze Venlonaar leent zich voor een schelmenroman.

Als jongen wilde Lei Kemps (28 november 1918) niet deugen, ondanks zijn vijfjarige opleiding bij het Bisschoppelijk College in Luik. Vanaf zijn veertiende levensjaar werd hij meermalen veroordeeld door de kinderrechter, gewone rechter, krijgsraad en politierechter, wegens heling, diefstal, oplichting (2x), dienstweigering als diensplichtige, verduistering (2x), diefstal en mishandeling.

Kemps’ vader dreef met wisselend succes een houthandel en dat bracht zoonlief na de Duitse inval op een lucratief idee. Door slimme omkoperij van Duitse sleutelfiguren wist hij enorme partijen hout te bemachtigen, die eigenlijk bestemd waren voor de Duitse Wehrmacht. Goed hout was schaars in Nederland en Lei Kemps werd in betrekkelijke korte tijd steenrijk. Hij kocht onder meer twee geweldige sleeën van auto’s, die hij ‘uiteraard’ clandestien bereed met geritselde benzine. Krenterig was Kemps niet. Hij smeet met geld en liet onder meer in het voorjaar van 1943 een grote hoofdtribune neerzetten op VVV-stadion De Kraal. Ter waarde van 30.000 gulden.

De Kraal met de hoofdtribune van Lei  Kemps (foto met dank aan Gerrit van der Vorst)

VVV in 1942 poseert voor hoofdtribune van Lei Kemps (foto met dank aan Gerrit van der Vorst)

De Gestapo arresteerde hem toen, maar hij ontsnapte meerdere keren. Als voortvluchtige legde hij zich toe op de smokkel van boter. Ook daarvoor kwam hij in het gevang, maar opnieuw niet voor lang.

Na de bevrijding zat Lei Kemps ten onrechte in een kamp voor politieke delinquenten – hij wist te veel van de korpschef van de Venlose gemeentepolitie. Meer dan zes jaar later kreeg hij daar een schadevergoeding voor, maar intussen had Justitie hem al weer aangemerkt als spil in het zedenschandaal dat Venlo in 1947 in de ban hield.

Omslag Het zedenschandaal van Venlo (collectie Sef Derkx)

Vanuit de gevangenis schreef hij onder het pseudoniem ElKa Inconnu, en bij wijze van rechtvaardiging, de eerste aflevering van het Het zedenschandaal van Venlo. Een Ik Jan Cremer  avant la lettre. Het is de vraag waarom er nooit een tweede aflevering verscheen, want het werkje werd – naar het schijnt – grif onder de toonbank verkocht in Venlo. Een andere vraag is of Lei Kemps het boekje zelf schreef, want het taalgebruik lijkt niet erg te matchen met dat in zijn verweerschriften

 

Het zedenschandaal van Venlo – Slothoofdstuk

Het zedenschandaal van Venlo – Slothoofdstuk

Woord vooraf van de redactie van de Venloër Grensbode

Dit is het zesde en tevens slothoofdstuk van Het zedenschandaal van Venlo. Een opzienbarende publicatie, die schier onvindbaar is geworden voor verzamelaars, is hiermee weer toegankelijk geworden. Elka Inconnu heeft nooit een 2e aflevering gepubliceerd, wellicht heeft hij het wel geschreven en ligt het nu in een bureaulade. We beloven er op zoek naar te gaan.

ZESDE  HOOFDSTUK

Levendig kan ik me voorstellen, dat er lezers zullen zijn, die zich afvragen, waarom het eigenlijk nodig is om de hele levensgeschiedenis van de voorgaande meisjes op te rakelen. Wat heb ik er mee te maken, zal de lezer denken, wat die meiden hebben uit­gehaald met al die kerels, die in dat verhaal genoemd worden.

Of is het soms de bedoeling van de schrijver om het z.g. pikante gedeelte van het geschrevene nog enigszins leesbaar en aannemelijk te maken?

En toch bij een dergelijke redenatie moet ik dan voorop stellen, dat het z.g. pikante in het geschrevene onvermijdelijk was, omdat hier nu eenmaal over een zodanig onder­werp gesproken of liever gezegd geschreven wordt en er toch heus niets in vermeld staat, dat enigerlei ergernis kan geven aan de eerlijke lezer, die zoveel levenservaring toch wel zal hebben om veel, zo niet alles te kunnen begrijpen.

Wat is dan wel mijn bedoeling geweest, om het ware levensverhaal van die meisjes op te dissen? Ik moet dan lijnrecht stellen tegenover de politie en vooral ook tegen de rechtbank, die toentertijd ons proces behandelde. Zij: de politie zowel als de justitie hebben alles geprobeerd om de uitsluitend slechte antecedenten van de toenmalige verdachten op te halen; niets werd tijdens het voorlopige onderzoek achterwege gela­ten de zaak, op iedere manier voor de verdachten zwaarder te maken. Meisjes van ver boven de 21 jaar werden evengoed en evenlang verhoord als meisjes, die nog minderjarig waren. Het enige doel, dat hiermee bereikt kon worden was om daardoor nog beter het z.g. „Morele verval” van de verdachten aan te tonen. Ik meen met zekerheid te mogen aannemen, dat de toenmalige politiefunctionaris, die het onderzoek onder zijn supervisie had, gedacht moet hebben: hoe meer meisjes, hoe meer slachtoffers.

Natuurlijk geef ik volmondig toe, dat in een onderzoek de politie, datgene doet wat hun van hogerhand is opgedragen; dat zij alles naar voren brengen, wat hun omtrent de verdachten bekend is, zodat de rechters dan zo objectief mogelijk hun oordeel kunnen vellen. Mijn ervaringen op het gebied van zedenzaken geeft mij echter de vaste overtuiging,

Dat het nagaan van de antecedenten van de slachtoffers even zo hard nodig is als dat het geval is met de verdachten.

Kan het oordeel van de rechter hetzelfde zijn als hij geweten zou hebben, dat het z.g. slachtoffer op het moment, dat zij iets uithaalde of liever gezegd iets met zich uit liet halen, reeds jarenlang met tientallen anderen hetzelfde had uitgehaald? Als de tiende of misschien wel de vijftiende candidaat in het leven van dit meisje tegen de lamp loopt, moet hij dan het predicaat „kinderverkrachter” zijn hele verdere leven met zich mee dragen?

Het kan niet mogelijk zijn, dat, bij de beoordeling van het gepleegde misdrijf en bij de bepaling van de daaropvolgende strafmaat niet in ernstige mate rekening gehouden moet worden met het verleden van het betreffende meisje.

Een onschuldig meisje van veertien of vijftien jaar verleiden en misbruiken, ook met haar toestemming, moet volgens mijn mening veel zwaarder gestraft worden dan hetzelfde vergrijp gepleegd met een meisje van diezelfde leeftijd, die reeds lang van tevoren van alles met andere mannen heeft meegemaakt. Dan kan er geen sprake meer zijn van verleiden, want in heel veel gevallen ligt de verleidingsfactor meer bij het meisje dan bij de man, die zich een ogenblik heeft laten gaan.

Als er dan sprake van is, dat een man, die een dienstmeisje in huis heeft beneden de • leeftijd van een-en-twintig jaar, die een verhouding met haar aangaat, later tot zware gevangenisstraffen veroordeeld kan worden, dan is dat niet meer dan een grove onbil­lijkheid en een beschamende onrechtvaardigheid. Als ik er aan moeten denken, dat bij het bepalen van de strafmaat ten opzichte van mij er terdege rekening werd gehouden met de verhoudingen, die ik met diverse dienstmeisjes gehad heb, wordt het me nog koud om het hart.

Gestraft te moeten worden voor iets, dat ik gedaan heb met meisjes zoals Nellie en Hannie is zo iets belachelijks, dat zelfs de meest strenge paedagoog hierover zijn hoofd zal moeten schudden.

Ik weet nu al, dat er velen zullen zijn, die als hun eerlijke overtuiging zullen beweren, dat de hoge strafmaat, die alle verdachten werd toebedeeld, zeker niet te wijten geweest zal zijn aan het gebeurde met die eerder bedoelde meisjes, maar te danken was aan het gepleegde met die van veertien tot zestien jaar.

Dit is voor mij dan ook de reden, dat ik thans verder zal gaan om te beschrijven, hoe het kwam, dat die jonge mesjes in deze zaak betrokken werden en hoe zij waren op het moment, dat ze in onze handen vielen.

Dan eerst zal de lezer een oordeel kunnen vormen over de zedenmisdadigers, zoals We voor en tijdens de behandeling van de rechtszaak genoemd werden.

Tijdens de rechtszitting werd er over de gebeurtenissen, die zich in het leven van die jonge meisjes hadden afgespeeld met geen woord gesproken. Zou dit wel het geval geweest zijn, dan zou er ten opzichte van alle verdachten in ieder geval niet meer gesproken zijn geworden over kindermisleiding, omdat lang voor ons diezelfde kinde­ren reeds lang verleid waren en volop genoten hadden van alles wat het leven op het gebied van de erotiek te bieden had.

Zij waren het, die zonder uitzondering steeds opnieuw weer probeerden met ons in contact te komen, omdat ook zij, ondanks hun jeugd, alleen gesteld waren op dr lichamelijke bevrediging.

Inderdaad was het in al deze gevallen zo, dat andere, dus niet de terecht staande verdachten schuldig waren aan hun vroegtijdige verdorvenheid.

Al die minderjarige meisjes in de leeftijd van veertien tot zestien jaar zal ik in de volgende hoofdstukken de revue laten passeren.

Het is in het jaar 1946 geweest, dat de toentertijd in mijn dienst zijnde houtopkoper naar me toe kwam en me vertelde, dat hij door een toeval vernomen had, dat een zekere persoon, ik zal hem Joosten noemen, in het achter zijn huis gelegen tuintje een pracht van een eikenboom had liggen, die hij graag wilde verkopen. Toen ik hoorde, waar dat huis gelegen was, wist ik direct dat die boom ergens anders vandaan had moeten komen, want in de hele omtrek had al jarenlang geen boom meer gestaan. In het eerste jaar na de bevrijding was het moeilijk om aan eikenhout te komen, dus het kleinste partijtje hout, dat te koop was, was welkom.

Ik beloofde mijn opkoper dan ook om zo spoedig mogelijk naar hot opgegeven adres te gaan en inderdaad, enige dagen ons gesprek vervoegde ik mij op een avond aan het bedoelde adres en toen ik voor de deur stond, wist ik met zekerheid, dat ik daar al vaker geweest was.

De man, die de eigenaar was van de eikenboom kende ik heel goed, terwijl hij van zijn kant mij ook nog wel zou kennen. Het was namelijk jaren geleden, dat ik zijn oudste dochter, die inmiddels getrouwd was, naar huis gebracht had en ik bij die gelegenheid mee naar binnen gegaan was.

In ieder geval klopte ik aan en even later werd mij door een jong meisje de deur opengemaakt. Na mij bekend gemaakt te hebben, vroeg ik haar of haar vader thuis was en zei haar, dat ik hem graag even wou spreken. Schijnbaar hadden de in de woonkamer zittende personen alles gehoord, want uit de woonkamer hoorde ik al roepen, dat ik maar binnen moest komen.

Joosten lag languit op de divan en de drie aanwezige dochters zaten om de tafel. De begroeting van de lange, broodmagere Joosten bestond hierin, dat hij op mijn „Goeden avond” zich in allerlei kronkels draaide en op die manier kans zag om een zittende houding op de divan aan te nemen. Het lag aan de maag, vertelde hij me nog, zodat hij af en toe niet meer in staat was om rechtop te blijven zitten. De dochters daarentegen haastten zich om beurten om van alles aan te brengen om het de binnengekomen gast zo aangenaam mogelijk te maken.

Wat de handel betrof kan ik heel kort zijn; ik kocht die boom van hem onder de bepaling, dat ik me aan een voorwaarde, die hij me stelde, zou houden en dat was, dat als ik eens uit wou gaan, ik dan met een fles jenever naar hem toe zou komen, want dat spul had hij in God weet hoe lange tijd niet meer gehad.

Ik beloofde hem, dat ik het niet vergeten zou, en dat ik spoedig aan zou komen om de mij afgedwongen belofte na te komen. Het stond voor mij vast, dat ik eerder terug zou komen dan hij gedacht had, want aan de blikken van een der meisjes, het bleek later Mientje te zijn, had ik wel gemerkt, dat zij er heel erg op gesteld was, als ik gauw terug zou komen.

Ondanks de lelijkheid van de vader kan ik niet anders zeggen, dan dat hij knappe, welgeschapen dochters had. De oudste, Annie, was donker en 18 jaar oud; dan volgde een blonde, Mientje en deze was 15 jaar, terwijl Corrie, ook een blonde, de rij sloot met 14 jaar.’

Drie dagen later had ik inderdaad een vrije avond en ik besloot dan ook naar Joosten te gaan. De beloofde fles jenever had ik natuurlijk bij me, maar ik meende er goed aan te doen om ook een drankje voor de meisjes mee te brengen.

Direct na het beëindigen van de oorlog was het moeilijk om aan een goede likeur te komen, maar toch was ik er in geslaagd een fles crème de cacao te bemachtigen, die zeer goed te drinken was en evengoed een sterke werking had.

Mij was het er alleen maar om te doen, om een of ander van die meisjes te kunnen krijgen en de meegebrachte likeur kon wel eens blijken een goede bondgenoot te zijn. Ik was nog niet goed en wel binnen; in ieder geval had ik de tas, waarin zich de drank bevond, nog niet opengemaakt, of de maaglijdende Joosten had voor dat moment schijnbaar zijn pijn vergeten, want hij vloog rechtop en schreeuwde om een glaasje. Hij was dan ook de eerste, die onder te proosten, het borreltje al leeg had en zijn glas voor de tweede vulling gereed hield.

Ik vond dat natuurlijk niet erg, want ik was er van overtuigd, dat als hij zo doorging, hij spoedig van het toneel verdwenen zou zijn, hetgeen voor mij betekende, dat de lastigste pottenkijker zichzelf gevloerd had.

Wat het drinken betreft deed ik het rustig aan, omdat ik wist, welk een eigenaardige uitwerking ienever op mijn gestel had. Zou ik iets teveel van dat spul drinken, dan zou, als mijn plan tenminste door zou gaan, niets kunnen gebeuren. Door een teveel aan alcohol werd ik volkomen impotent.

Eerlijk moet ik toegeven, dat het met die drie meiden een heel gezellige avond werd; zeker toen wij van het gezanik van Joosten af waren, die zich, zoals ik verwacht had. na het zesde of zevende borreltje, links en rechts manoeuvrerend, een veilige ligplaats op de reeds meergenoemde divan zocht. Als een blok viel hij om en aan zijn snurken te horen meende ik te merken, dat hij volkomen dronken was.

Ik zelf zat aan de tafel, links van mij geflankeerd door de 15-jarige Mientje, terwijl de praatgrage, 14-jarige Corrie aan mijn rechterzijde een plaatsje had gezocht. Op de hoek van de tafel zat de 18-jarige Annie, die bewust of onbewust voortdurend via de knieën onder de tafel een soort verbinding probeerde te zoeken. Ik van mijn kant liet mij natuurlijk niet onbetuigd en op iedere beweging harerzijds in de richting van mijn knie, volgde prompt, als in een reflexbeweging een duw van mij.

Op een goed moment wist ik werkelijk niet wie van de drie ik zou vragen om even mee te gaan om de bijna lege fles likeur te vervangen door een volle. Annie had er tijdens het drinken toch nog voor kunnen zorgen, ondanks haar onder-de-tafel-streken, dat het teveel aan alcohol enigszins gecompenseerd werd door de koffie en zij was het ook, die steeds maar weer zorgde, dat ook het oud stuk grammo­foon aan zijn trekken kwam.

Dan komt het moment, dat de fles leeg is. Ik sta op om een nieuwe te halen en de praatgrage Corrie is de eerste, die al aan de deur staat om mee te gaan, maar dit is iets, dat door Mientje niet zo maar genomen wordt. Het draait uit op een scheldpartij en omdat ik niet wist voor wie ik nu het beste partij zou trekken, liet ik het over aan de kaarten, die uit zouden maken, wie mee mocht. Dat vonden de beide kemphanen goed en inderdaad, het geluk of noem het het ongeluk was aan de zijde van Corrie, die trots als een pauw voorin de auto plaats nam en met een resoluut gebaar de deur achter zich dichttrok.

Toen zag ik eigenlijk pas voor de eerste keer, dat zij meer dan genoeg gedronken had. Niet alleen haar spraakzaamheid deden mij dat te kennen geven, maar haar hele manier van doen, haar overdreven gesticuleren, dat zij bij ieder woord, dat ze sprak, vergezeld deed gaan. Ik zelf was ook zo ver, dat ik in een toestand was, die mij meer durfde te laten doen dan ik in geheel normale omstandigheden gedaan zou hebben. We waren de straat nog niet uitgereden of ik had mijn ene arm reeds om haar middel geslagen terwijl zij, ongevraagd, zich geheel vrijwillig tegen mij aandrukte. Aan alles kon ik merken, dat het heus de eerste keer niet was, dat zij in een dergelijke situatie verkeerd had. Het was dan ook, in de gegeven omstandigheden, een normale reactie mijnerzijds, dat ik mijn arm om haar middel wegnam en de vrij gekomen hand op haar knie legde.

Bij de caféhouder aangekomen, sloeg ze haar beide armen om me heen en kuste mij op een zodanige manier, dat ik toen het besluit nam, om op de terugweg, een stille weg, die naar de Maas leidde, in te slaan.

Ik weet natuurlijk niet of ik in dat opzicht de enige ben, maar op momenten als deze, als ik voel, dat het in mijn gezelschap zijnde meisje alle aanleiding geeft om verder te gaan, kan ik me niet meer beheersen. Het is dan net alsof mijn verstandelijke vermo­gens mij geheel in de steek laten; zelfs de gedachte aan het gevaar, dat ik loop, op strafrechterlijk gebied en ook op alle andere gebieden, komt niet in me op. Wel later, als het gebeurde niet meer te herstellen is, begin ik na te denken en dikwijls bekruipt me dan zulk een angst, dat ik op dat moment de vaste overtuiging heb, dat het nooit, maar dan ook nooit meer gebeuren zal.

En op de terugweg sla ik inderdaad de donkere weg in, die naar de Maas leidt. Op een stil verlaten plekje, waar zelfs de auto nog niet te zien is, blijf ik staan en kus het kleine ding. dat bijna in me kruipen wil.

Zo mogelijk zijn haar reacties nog vuriger dan voorheen en vooral als ze merkt, dat ik het textiel, dat het plekje beschermt, weg wil doen, is’zij het, die me dat werk uit handen neemt.

Even later voel ik aan het kronkelende ding, dat het hoogtepunt gekomen is en nog nabijtend valt ze slap in mijn armen weg.

Geen vijf minuten zijn er verlopen tussen het tot stilstand brengen van de wagen en het moment, dat ik weer moet starten om naar de andere meisjes terug te gaan. Onder­weg vraag ik haar om aan niemand iets te vertellen, waarop zij mij ten antwoord geeft, dat ze dan zo dikwijls wat had kunnen zeggen.

Ook op mijn verdere vraag of ze ditzelfde al vaker gedaan had, begint ze heel hard te lachen en zegt. dat ik dat toch wel gemerkt moet hebben.

-Velschillende dingen had ik haar nog willen vragen, maar de afstand was te kort oin dit te kunnen doen; eerst veel later zou ze me vertellen, wat ze zo al had meegemaakt. Opnieuw drinken de meisjes zich een glaasje en spoedig is dezelfde gezellige sfeer weer teruggekeerd.

Aan Corrie is niets te zien en haar opdringerigheid van voorheen is zo mogelijk nog erger geworden, dit in tegenstelling tot Mientje, die nog wel naast me zit, maar die toch opgehouden heeft om mij steeds in mijn armen te knijpen.

Ik merk heel goed, dat zij zich ten opzichte van haar zuster teruggestoten voelt, ofschoon ik er toch niets aan kon doen, dat juist Corrie het moest zijn. die door het kaartspel aangewezen werd om mee naar die kastelein te rijden.

Door de gebeurtenissen met Corrie is het voor mij echter moeilijk om haar nu prak­tisch links te laten liggen en mijn hele aandacht op Mientje te concentreren. Toch neem ik me voor, Mientje te laten merken, dat ik erg op haar gesteld ben en als ik even later mijn glaasje opneem en alleen met haar proost, zie ik opnieuw die glinstering in haar ogen, die niet alleen door de drank veroorzaakt kan zijn.

Onder de tafel pak ik haar hand in de mijne, die ik liefkozend blijf drukken en ook zij beantwoordt dit op dezelfde manier. Als ik even later drinken wil en haar hand dus los moet laten, leg ik die op mijn bovenbeen, waar zij ze dan ook rustig laat liggen. Ook als ik na het drinken mijn glaasje neerzet en mijn hand niet meer onder de tafel breng, voel ik, dat de hand van Mientje nog steeds rustig daar ligt, waar zij ze aan­vankelijk neergelegd heeft.

De stemming in het kleine gezelschap wordt steeds beter en de oudo grammofoon heeft werkelijk eer van zijn werk, als de beide meisjes de voortgebrachte melodieën met hun zang gaan begeleiden.

Zo goed als bij Joosten zelf heeft nu ook het alcoholgehalte in de likeur zijn werk gedaan; Corrie zowel als Annie beginnen dronken te worden en ook ik voel steeds erger de uitwerking van de jenever, maar wat me nog heviger opwond was de hand van Mientje, die heel, heel langzaam naar boven ging en dan uiteindelijk op een plaats terechtkwam, die mij deed vergeten, dat ik nog geen uur geleden datgene gehad had. wat een lichaam tot kalmte kon brengen.

Haar hand bracht mij opnieuw in een toestand van opwinding en onder mijn praten door met de andere meisjes, die schijnbaar niets in de gaten hadden, dacht ik er over, hoe ik met Mientje alleen ergens heen zou kunnen gaan. Maar hoe ik ook prakki-zeerde; het was mij onmogelijk een redelijk excuus te vinden om met haar te vertrek­ken en daarom besloot ik dan ook een volgende keer mijn kans te wagen. Lang bleef ik na de laatste gebeurtenis niet meer in het huis van Joosten en tegen middernacht vertrok ik, de meisjes belovende, dat ik spoedig terug zou komen. De dag na mijn bezoek aan de familie Joosten moest ik steeds weer denken aan dat­gene, wat ik met Corrie gedaan had en meer dan ooit was ik vastbesloten niet meer naar hun toe te gaan. Een onberedeneerde angst had zich van mij meester gemaakt. Een angst, die me zelfs de gekste waanideeën in zijn volle realiteit voor ogen schilderde. Ik zag me al gearresteerd en voor God weet hoe lang veroordeeld en juist op die momenten begreep en voelde ik, dat het gebeurde met Corrie toch niet waard was om zo duur te betalen.

Dan was ik zo zeker van mezelf, dat ik met iedereen de grootste weddenschappen af had durven sluiten, dat zoiets me niet meer overkomen zou.

Het was dan ook tijdens een van deze angstperiodes, dat ik het besluit nam de woning van Joosten niet meer te betreden. Maar ondanks mijn goede voornemens zou het noodlot er voor zorgen, dat ik ook zonder de woning van Joosten te betreden, met een van die meisjes in aanraking zou komen.

Het zal een dag of vijf na mijn bezoek bij Joosten geweest zijn, dat ik op zekere avond alleen thuis ben. Mijn vrouw is met een vriendin naar de bioscoop en ze zal een kwartiertje weg zijn als er gebeld wordt.

Het meisje van beneden maakt de deur open en roept naar boven, dat er bezoek voor me is.

EINDE Ie AFLEVERING

 

Het zedenschandaal van Venlo – Hoofdstuk 3

Het zedenschandaal van Venlo – Hoofdstuk 3

Woord vooraf van de redactie van de Venloër  Grensbode

‘Dat boekje over die zeden-dinges van Venlo? Heb jij dat en weet je waar ik het zou kunnen kopen?’, vroeg ons eerder deze week vriend J., de börgemeister van ’t Ven. Wij hebben inderdaad de publicatie Het  zedenschandaal van Venlo in onze verzameling Venlonensia.

Of het echter nog ergens te koop is, wagen we te betwijfelen. Na verschijnen is het boekje vanwege de brisante inhoud onder de toonbank aan anonieme geïnteresseerden verkocht. Bevoegd gezag, clerici en zedenmeesters raadden het lezen ervan ten strengste af. Zeker wanneer er in het gezin opgroeiende kinderen waren, was het maar beter deze aanstootgevende pennenvrucht buiten de deur te houden.

Als het bijvoorbeeld in de handen zou vallen van een veertienjarige zoon des huizes, was het gevaar van ruggenmergtering als gevolg van onanie niet denkbeeldig. Het Zedenschandaal van Venlo  stond ook niet op de literatuurlijst van leerlingen van het lyceum. Het was een Ik Jan Cremer, avant-la-lettre. Nu het patina van de tijd eroverheen is gestreken, lezen we het anders.

DERDE  HOOFDSTUK

Ik heb in mijn jonge jaren verschillende betrekkingen gehad. Naar de. ene ging ik graag heen, naar de andere met minder interesse, maar naar een betrekking, waar ik met afkeer naar toe ging, was die, waar ik nu, op uitdrukkelijk bevel van mijn vader, zou beginnen.

Oom Willem was de oudste broer van mijn vader. Hij was zestig jaar en de vrouw waar hij mee getrouwd was, had de vijfenzestig gepasseerd. Kinderen hadden ze niet.De verstandhouding tussen mijn vader en oom Willem was jarenlang heel slecht ge­weest en de oorzaak daarvan moet gelegen hebben in een erfeniskwestie. Bij het over­lijden van de ouders van mijn vader, moet oom Willem zo met het aanwezige geld gemanipuleerd hebben, dat hij alles binnen gepikt had, zodat er voor mijn vader niets was overgebleven. Het juiste van die zaak ben ik nooit te weten gekomen. Thuis werd, ook nadat de verstandhouding beter geworden was, nooit over oom Willem of tante Berta gesproken. Wat wij van hun wisten hadden wij van de dorpsgenoten gehoord, en ook dat was nog niet zoveel, omdat oom Willem en tante Berta een teruggetrokken leven leidden. Nooit kregen ze bezoek; want vrienden of kennissen hielden ze er niet op na.

Ook een knecht, die hun behulpzaam had kunnen zijn op de boerderij was iets, waar oom Willem nooit aan gedacht had, en zou hij eraan gedacht hebben dan was het zijn gierigheid, die hem daarvan afgehouden zou hebben.

Er werd zelfs beweerd, dat, ondanks hun vele geld, zij maar een keer per week een klein stukje vlees kregen. Hun enige hobby was het steeds meer bijeenschrapen van geld en werken van de vroege ochtend tot de late avond.

In het dorp ging nu nog het verhaal, dat toen oom Willem een bril moest gaan dragen om zijn steeds stijgend saldo bij de Boerenleenbank te kunnen lezen, hij met tante Berta naar de stad gegaan was en op het moment, dat hij de verschuldigde twintig gulden aan de opticien gaf, tante Berta hem had gezegd: „Willem, als je niet hoeft te kijken, zet die bril dan af.”

En dit zou mijn nieuwe betrekking worden.

De entree bij mijn oom was precies zoals ik mij die had voorgesteld. Mijn „Goede morgen, tante” werd met een zacht „Ho” beantwoord, terwijl oom mijn groet helemaal niet beantwoordde maar direct wist te zeggen, dat ik maar goed moest werken, omdat dit zo gezond was voor een jonge meid.

Toch informeerde hij, hoe het thuis ging en ook hoe het in mijn vorige betrekking was. Ik vertelde hem alles, behalve over Mark natuurlijk, en tot mijn niet geringe verbazing merkte ik, dat oom Willem met interesse naar me luisterde.

Op het eerste gezicht vond ik oom Willem niet zo onsympathiek en toen hij tegen rnij zei, dat ik maar moest proberen zo goed mogelijk met tante Berta op te schieten nam ik mij voor mijn uiterste best te doen, temeer daar ik wist, dat tante Berta niet hele­maal normaal was.

Hoe heel anders was het werk op de boerderij dan in het deftige doktershuis. Nu was het niet meer, dat ik ’s morgens pas om acht uur hoefde te beginnen, want om half zes reeds hoorde ik de stem van oom Willem, die mij naar beneden riep. Het werk, dat ik te doen had, beperkte zich uitsluitend tot het huishoudelijke; in de stallen en op het veld werd alles door oom en tante gedaan.

Ook wat het eten betrof, werd de zorg daarvoor aan mij overgelaten en was ik blij, dat ik, wat eten koken betrof, zoveel van de vrouw van de dokter geleerd had. ledere maaltijd opnieuw weer probeerde ik iets anders te bereiden en ondanks de roddel­praatjes van mijn familie en de dorpsgenoten wat het karige eten betrof, heeft nooit een van beiden, mij gezegd, dat ik te royaal was. ledere middag hadden wij vlees en aan de eetlust, die zij toonden, merkte ik, dat hetgeen ik klaargemaakt had, hun zeer goed smaakte.

Natuurlijk zorgde ik ervoor, dat het geen overdadige maaltijden werden, want vooral in het begin had ik aan het gezicht van tante gezien, dat zij mijn maaltijdbereiding een grote geldverspilling vond. Dat zij er nooit iets van gezegd heeft, meen ik alleen te mogen wijten aan het feit, dat het haar goed smaakte.

Wat de spreekwoordelijke gierigheid van oom Willem betrof, merkte ik al spoedig, dat dit in hevige mate overdreven was. Soms gebeurde het wel eens, dat tante vroegtijdig van tafel wegging en dan was het altijd oom Willem, die mij nog een extra stukje vlees toevoegde, zeggende: „Nellie, je moet maar goed eten, want je moet er nog van groeien.”

Toen ik veertien dagen daar was, had ik het woonhuis zover opgeknapt, dat het niet meer te herkennen was; ik had er voor gezorgd, dat de meubels op een andere plaats stonden en de op de zolder gevonden schilderijen had ik aan de muur gehangen. Plet geheel gaf een heel andere indruk; met geen enkele kosten had ik er een gezellige woonkamer van gemaakt.

Aan alles merkte ik, dat oom en tante echt tevreden over mij waren en aan die tevre­denheid schreef ik het ook toe. dat oom Willem mij op zekere dag uit de stad een stel ondergoed had meegebracht. Uitdrukkelijk werd mij op het hart gedrukt, dat ik dit nooit aan tante mocht vertellen.

Het is omstreeks die tijd geweest, dat oom Willem op een bepaalde manier toenadering tot mij zocht. Als ik met hem alleen was en hij aan mij merkte, dat ik bedroefd was, kwam hij naar me toe, legde zijn kolenschoppen van handen op mijn schouders en vroeg me, wat er eigenlijk was. Ik kon hem natuurlijk niet vertellen dat ik bedroefd was, omdat ik al die tijd niets meer van Mark gehoord had en al mijn pogingen om hem te treffen op niets waren uitgelopen. Ik voelde, dat hij me vergeten was; dat ikalleen goed geweest was als hij me kon gebruiken; maar dat voor de rest al zijn lieve woorden bedrog geweest waren. Het was de eerste grote teleurstelling in mijn leven en gelukkig wist ik toen nog niet, dat er nog vele zouden volgen.

Wat ik toentertijd aan oom Willem verteld heb, wat betrof mijn neerslachtigheid, weet ik niet meer, wel voelde ik aan de manier, waarop hij mij vastpakte, dat er op dat moment iets in hem omging, wat ik niet bevatten kon.

Een paar dagen later, het was een regenachtige dag, vroeg oom mij of ik hem even kon helpen op de deel. Het was de eerste keer, dat hij me vroeg, ander dan huishoude­lijk werk te doen.

Ik ging natuurlijk met hem mee en hielp hem zo goed ik kon met het aangeven van het hooi, dat hij zo hoog mogelijk tegen het plafond van de zolder opstapelde. Hoe het gekomen is, weet ik nog niet, maar schijnbaar moet ik uitgegleden zijn, want oom was het, die mij in zijn armen opving en misschien wel onbewust tegen zich aan­drukte. Verbouwereerd door die val bleef ik tegen hem aanliggen en kwam eerst tot de werkelijk terug, toen ik bemerkte, dat oom mijn blousje had losgemaakt en zo hard in de uitspringende borsten kneep, dat ik een schreeuw niet kon onderdrukken. Van die schreeuw schrok hij blijkbaar zo geweldig, dat hij me losliet, en mij met zo’n verschrikt gezicht bleef aanstaren, dat ik op hetzelfde moment in een onbedaarlijke lach schoot. Hoe ik het ook probeerde; ik kon niet ophouden met lachen en van de weeromstuit begon ook oom Willem maar mee te lachen.

Eerst het zien van de situatie waarin wij ons bevonden; een oude man van zestig jaar en daartegenover een meisje van vijftien met ontblote boezem, deed ons tot de werke­lijkheid terugkeren.

Vanaf die dag wist oom Willem zijn handen niet meer thuis te houden; waar ik ook liep, steeds probeerde hij weer mij even vast te pakken en mij te knuffelen. Soms gebeurde het wel, dat, als ik in de keuken bezig was met het eten hij achter mij kwam staan en juist als ik een ketel in de handen had, hij mijn beide borsten vastpakte. Nooit heb ik hem gezegd, dat ik van zijn hastelijkheden verschoond wenste te blijven; integendeel, ik geloof nu meer dan ooit, dat ik toentertijd door mijn kinderachtig gegiechel en mijn gehele houding, als hij mij vastpakte, ook gedeeltelijk de schuld heb gehad aari datgene, wat zich later nog af zou spelen.

Dikwijls genoeg betrapte ik er mij op, dat ik bewust er voor zorgde, dat de knopen van mijn blousje los waren, zodat hij, als ik voorovergebogen stond mijn naakte borsten kon zien. Het was dan ook niet verwonderlijk, dat, toen ik mij een keer in het washok, dat bij de deel gelegen was, stond te wassen, hij mijn natte, blote borsten in zijn handen nam en daarmede stond te spelen, alsof hij een jong katje aan het strelen was. De gevoelens, die hij toen bij mij wakker riep waren veel zinnelijker, veel opwin­dender dan ik ooit bij de aanrakingen van Mark ondervonden had. Bij Mark had ik die aanrakingen beschouwd als behorend bij een grote liefde; bij oom Willem was het alleen maar hartstocht, die hem op de duur ook wel tot andere daden zou verleiden.

Mark had mij geleerd wat het was bevredigd te worden en deze door hem opgewekte gevoelens vroegen steeds opnieuw weer naar bevrediging. Nachtenlang had ik wakker gelegen en kwamen de gebeurtenissen met Mark voor mijn geest en steeds opnieuw weer overviel mij dan die wellust, dat verlangen naar de samenleving. Onbewust drong het langzaam tot mij door, dat juist het grote leeftijdsverschil, het verbodene in onze verhouding een aparte bekoring met zich mee bracht.

Ik had inmiddels geleerd, dat het woord „LIEFDE” niet meer was dan een uitdruk­king, die de mannen nodig hadden om datgene te bereiken, waar ze hun zinnen op gezet hadden. Mark had dit woord dikwijls tegen mij gebruikt en ik geloofde hem en juist omdat het van mijn kant echte liefde was, had ik mij met ziel en lichaam aan hem gegeven. Nu was alles anders geworden; ik vroeg niet meer naar liefde, ik wilde alleen maar lichamelijk genot hebben, omdat ik daar behoefte aan had. Wie me dat zou geven, interesseerde mij in het geheel niet. Na het laatste tafereel in het washok, scheen het, dat oom veranderd was. Zijn gebruikelijke betastingen bleven achterwege en op alle manieren probeerde hij me uit de weg te gaan. Ik wist over de totaal veranderde houding van oom Willem geen verklaring te geven, nu kan ik me begrijpen, dat hij een hevige tweestrijd met zichzelf heeft moeten voeren, omdat hij ook wel voelde, dat ik genegen was alles te doen, wat hij van mij verlangde. Na veertien dagen had ik me er bij neergelegd, dat ik verder van zijn beperkte intimi­teiten af zou zijn, toen ik het bericht binnenkwam, dat de enige nog levende zuster van tante Berta plotseling overleden was-

Het hele huis stond in rep en roer; niet zozeer om het overlijden van die vrouw, maar om de rompslomp, die dat met zich mee zou brengen. Het kon niet anders of tante moest mee met de begrafenis, temeer nog, daar er een gerede kans bestond, dat tante Berta de enige erfgename zou zijn.

De hele morgen werd er door oom en tante gepraat en gegist hoe hoog de erfenis wel zou kunnen zijn, terwijl tante in haar opwinding reeds verschillende verre familie­leden verdacht, zich aan de contante centen van haar zuster vergrepen te hebben. Zij voelde het aan, dat het de hoogste tijd werd om direct naar de woning van haar zuster te gaan en daar eens poolshoogte te nemen. Ook na de begrafenis zou zij met de notaris spreken en dit betekende, dat zij de eerste drie dagen niet naar huis zou kunnen komen.

Oom Willem zei niet veel, want hij wist uit ervaring, dat zijn stille, achterlijke vrouw, als het om geld ging, in de verste verte niet achterlijk was en tot het laatse dubbeltje alles wilde hebben, waarop zij meende aanspraak te kunnen maken. Binnen het uur had tante zich gekleed en was op weg naar de autobus, die haar naar de nieuwe geld­bron zou brengen. Wat waren het toch eigenlijk ongelukkige mensen. Niets, maar dan ook niets hadden zij van het leven gevraagd; altijd maar werken en zuinig zijn, om daardoor hun kapitaal, waarvan de grootte op een stukje papier van de Boerenleenbank stond aangegeven, nog te vergroten. Een leven zonder kinderen, zonder liefde, zonder hartelijkheid.

Ik kan me niet voorstellen, hoe oom Willem, die ik later als een hartstochtelijke man leerde kennen, dertig jaren lang met een vrouw als tante Berta door het leven kon gaan. Een vrouw, humeurig, hebberig en zonder de minste aantrekkelijkheid. Ik weet het aan mijn jeugd, dat ik dit niet begrijpen kon. Het was de eerste maal, dat ik met oom alleen aan het middagmaal zat.

Geen van beiden sprak een woord; het was net alsof oom helemaal afwezig was en mijn bestaan totaal vergeten was. Na het eten schonk ik hem nog een kopje koffie in en toen was het alsof een vulkaan losgebarsten was, zo vuurde hij de ene vraag na de andere op me af.

Hij begon met me te vragen of ik het erg gevonden had, dat hij me zo dikwijls vast­gepakt had; hoe het me bij hun beviel; of ik nog geen plannen had om weer weg te gaan en nog over andere dingen, waar ik in het geheel nog niet aan gedacht had. Op al zijn vragen gaf ik hem zo eerlijk mogelijke antwoorden en toen dit schijnbaar tot zijn genoegen was, begon hij te praten over mijn tante. Hij vertelde, dat hij alleen met haar getrouwd was, omdat ze zoveel geld en bezittingen had; van een werkelijk getrouwd leven had hij nooit iets gekend. Toen hij, direct na hun trouwen geprobeerd had, gemeenschap met haar te mogen hebben, had zij dit afgewezen en hem verweten, dat zij zich aan die smeerlapperij niet afgaf. Juist de manier, waarop zij dit gezegd had, hadden er hem van teruggehouden een volgende keer nog eens toenadering tot haar te zoeken.

Zeker vijfentwintig jaar sliepen zij dan ook apart, omdat tante het niet verdragen kon, vanwege haar rheumatiek, zoals zij het uitdrukte, dat hij in de slaap haar wel eens aan zou kunnen stoten.

In het begin van hun huwelijk was hij meerdere malen naar vrouwen gegaan, die hij voor hun gunsten moest betalen, maar op een gegeven moment was hij dat ook moe geworden en uiteindelijk was het zo geweest, dat hij zich bij de bestaande situatie had neergelegd. Vanaf die tijd was het leven voor hem alleen nog maar een leven van werken, slapen en weer werken.

Toen oom uitgepraat was en ik hem opnieuw een kopje koffie wilde geven, verzocht hij mij de fles jenever te halen en hem een borreltje in te schenken. Tot op heden had ik nog niet gezien, dat oom Willem een borreltje dronk; ik wist natuurlijk wel, dat er jenever in huis was, maar dit werd alleen gedronken met de kermisdagen en met Nieuwjaar.

Even had ik het gevoel, dat oom zich bedrinken wou nu hij die oude herinneringen had opgehaald, maar na het tweede borreltje stond hij op, wenste mij „Goede nacht” en verdween in de richting van zijn slaapkamertje.

Ook ik zocht spoedig daarna mijn slaapvertrek op. Het was mij onmogelijk om de slaap te pakken; steeds weer moest ik nadenken over datgene, wat oom mij over zijn huwelijksleven verteld had. Ik kon me niet begrijpen, dat er zulke vrouwen als tante Berta bestonden. Terecht vroeg ik me af, waarom zulke vrouwen dan wel gingen trou­wen; ik voor mij meende toch, dat het mooiste, wat een vrouw zich wensen kon, het bezit van een kind was. Ik was nog volop over alles aan het nadenken, toen ik hoorde, dat iemand de trap op kwam. Vanzelfsprekend kon dit niemand anders zijn dan oom Willem. Onwillekeurig kroop ik dieper onder de dekens.

Ik voelde, dat oom Willem naar mij toekwam; ik wist met absolute zekerheid, dat er nu iets zou gaan gebeuren. Inderdaad had ik, als oom mijn borsten betastte, er dikwijls genoeg naar verlangd, dat hij verder zou gaan, maar nu, in de late avond voelde ik een soort angst, die ik niet verklaren kon.

Met ingehouden adem lag ik te luisteren en dan opeens hoor ik zachtjes de stem van oom, die mij vraagt of ik al slaap.

Even wacht ik met antwoord geven, maar dan hoor ik me zelf toch zeggen, dat ik niet kan slapen en nog maar steeds denk aan datgene, wat hij mij die avond verteld heeft. Inmiddels is hij ongevraagd op de rand van het bed gaan zitten. Het enige licht in de kamer is het licht van de maan, dat door de ramen naar binnenvalt. Desondanks kan ik hem heel goed onderscheiden en zie dan ook, dat zijn hand langzaam naar mij toe­komt, mij over de haren strijkt om uiteindelijk op mijn blote borst tot stilstand te komen. Met gesloten ogen lig ik te wachten op datgene, wat er verder zal gaan gebeu­ren. Hij merkt natuurlijk, dat ik geen enkel teken van tegenstand laat blijken ook niet als hij zachtjes met de lepeltjes begint te spelen en zelfs een borst in zijn mond neemt. Ik weet nu, dat hij ook verder zal gaan en de gedachte daaraan brengt mij in een dergelijke staat van opwinding, dat ik mij niet meer beheersen kan; ik duw zijn hand naar beneden, naar die plaats, die tante voor hem, lang geleden, verboden heeft.

Als een wild geworden dier trekt hij het laatste kledingstuk van mijn lichaam en gelijkertijd voel ik, dat hij in mij dringt. Als de schokkende bewegingen van zijn lichaam, na heel korte tijd, ophouden, weet ik, dat hij bevredigd is. Als een blok valt hij van me af. Alleen zijn stokkende ademhaling verstoort de doodse stilte. Zonder een woord te zeggen, blijven wij naast elkaar op bed liggen; de pijn, die hij me tijdens het binnendringen, gedaan had, voel ik steeds minder worden en met het minder worden van de pijn voel ik mijn onbevredigde lustgevoelens opnieuw in mij opkomen. Ook ik wil de bevrediging hebben; ook ik wil nu genieten van datgene, wat mijn lichaam me geven kan.

Langzaam voel ik mijn hand in die richting gaan waar ik weet, dat het middel te vin­den is, dat mij dat kan geven, waar ik reeds wekenlang naar verlangd heb. Na een paar minuten reeds voel ik, dat ook oom weer in staat is om bij me te komen, nu echter niet op die wilde manier, die me zo’n pijn gedaan heeft. Bij het inbrengen ben ik hem behulpzaam en aan de bewegingen van mijn lichaam voelt hij, dat ook ik van ons verboden spel ten volle wil genieten.

Zeker een kwartier lang leefde ik mij geheel uit; het middel dat voor mijn bevrediging moest zorgen was allang uitgewerkt toen ik nog steeds bezig was mijn lichaam dat te geven, waar het naar verlangd had. Volkomen uitgeput viel ik in een loodzware slaap.

De volgende morgen, toen het normale uur van opstaan reeds lang verstreken was, werd ik wakker. Mijn eerste gedachten waren gericht op de gebeurtenissen van de vorige avond, een gevoel van diepe schaamte ging door mijn gehele lichaam. Ik, een jong meisje had me in volledige  overgave aan een oude man gegeven, die nog wel mijn oom was; ik had laten blijken, dat hij met mijn lichaam kon doen, wat hij maar wou; nee nog erger; ik was het geweest, die de tweede keer hem er opnieuw toe had gebracht om bij me te komen. Alles ter wereld had ik op dat moment willen geven, als ik alles ongedaan had kunnen maken; als alles zou blijken een boze droom geweest te zijn.

Nog steeds was ik met mijn gedachten bezig, toen ik de stem van oom hoorde, die mij tot de werkelijkheid terugbracht. „Nellie”, hoorde ik hem roepen, „de koffie staat klaar en het is al acht uur geweest.”

Ik antwoordde hem, dat ik al op was en binnen de vijf minuten beneden zou zijn. Zo vlug mogelijk kleedde ik mij aan en toen oom om negen uur de woonkamer binnen­kwam om zijn kopje koffie te drinken, liet hij niets merken van dat wat er die avond gebeurd was. Hij praatte honderd uit over de prijzen van het vee en de melk en aan niets was te merken, dat zijn gedachten ergens anders waren.

Het duurde dan ook niet lang, of ook ik voelde mij geheel op mijn gemak, vooral toen ik merkte, dat oom de beste zin van de wereld had.

Was dit nou de stuurse man, die ik vroeger gekend had en waarover zoveel geroddeld was? Was dit nu de man, die zo in zichzelf gekeerd was en waar geen mens omgang mee wilde hebben. Het scheen wel, alsof oom er die morgen vijftien jaar jonger uitzag en alsof het leven voor hem een nieuwe wending had genomen.

Toentertijd besteft ik nog niet, dat die gehele verandering alleen te wijten was aan mij. Dat ik het was, die door mijn bereidwilligheid ten opzichte van zijn sexuele gevoelens hem dat had gegeven, wat hij nooit gekend had. De man, die levend dood was, was door mij tot een ander leven teruggebracht Voor het eerst in zijn leven had ook hij het gevoel leren kennen, dat bevrediging heet.

Aan zijn hele doen en laten merk ik, dat hij gelukkig is en wel tien keer die dag hoor ik hem fluitend over het erf lopen, zelfs de hond, die allang gewend is aan het snauwen van oom moet wel niet geweten hebben, wat er gaande is, nu hij ook tegen hem lieve woorden gebruikt.

Ik zelf denk ook die dag niet meer aan het gebeurde van die avond. Het gevoel van schaamte, dat mij die morgen zo overrompeld had is geheel weg; een heerlijk gevoel van rust is daarvoor in de plaats gekomen. Ik moet toen wel gevoeld hebben, dat ik de oorzaak was van die zo opvallende gedaanteverwisseling.

Als de avond gevallen is en ik de laatste resten van het avondmaal opgeruimd heb, ga ik de woonkamer in, waar oom bezig is met het nazien van notariële stukken. Hij zegt geen woord als ik binnenkom.

Over zijn gehele gezicht zie ik echter een glans van tevredenheid, die mij de over­tuiging geeft, dat dit alleen voort kan komen uit het lezen van dit stuk, dat voor oom natuurlijk een bepaald kapitaal moet vertegenwoordigen.

Ik was juis bezig iets te zoeken, dat mij afleiding zou kunnen geven, toen ik oom hoorde zeggen: „Nellie, je zult het nooit geweten hebben, maar jouw vader heeft nog altijd een schuld aan mij te betalen, die al jaren oud is.” Ik weet, dat ik hem hierop geen antwoord heb gegeven, omdat ik niet wist, wat ik moest zeggen; ik heb hem dan ook alleen maar stomverbaasd aan zitten kijken, want zonder op een antwoord aan te dringen gaat hij verder: „Ik heb nu besloten om deze acte kapot te scheuren en die aan jouw vader te geven; natuurlijk mag je daar niet met je tante over spreken.” Onderwijl hij de laatste woorden uitspreekt hebben zijn sterke handen het vergeelde papier reeds kapotgescheurd en mij in de handen gedrukt.

Waarom ik het gedaan heb, weet ik nog niet, maar een bepaalde drang deed mij opstaan en spontaan kuste ik mijn oude verleider midden op zij’n mond. Ik voelde intuïtief, dat de daad van oom ten opzichte van mijn ouders iets heel bizori-ders geweest was en nu reeds genoot ik van de verbaasde gezichten van mijn ouders als zij de kapotgescheurde stukken in handen zouden hebben, waardoor een oude schuld was opgeheven.

„Waarom hebt U dat gedaan, oom”, hoorde ik mij zelf zeggen en toen zag ik iets, dat ik nooit zou vergeten.

De oude stuurse man had tranen in de ogen, toen hij naar me toekwam, mij bij de schouders pakte en zachtjes tot mij zei: „Kleintje, jij hebt mij zo gelukkig gemaakt”, dan draaide hij zich om, om met de buitenkant van zijn ruige boerenhanden de opkomende tranen weg te vegen.

Ik geloof nu nog, dat ik op dat moment op een onbekende manier van oom gehouden heb. Ondanks mijn jeugd kon ik toentertijd aanvoelen, wat een ellendig leven, deze zo vitale man gehad had. Het bezit van het geld was geen compensatie gebleken voor het missen van ieder gevoel van liefde of genegenheid. Nu eerst had het leven ook voor oom iets weggelegd, wat hij allang vergeten had.

Ik was blij en gelukkig toen ik zag, dat oom zo heel anders geworden was. Hetgeen ik met oom gedaan had, beschouwde ik op dat moment niet meer als iets, dat verkeerd was; mijn gevoel zei me, dat hij daardoor gelukkig was en voor mij was hij toch niets anders dan het middel, dat mij de bevrediging kon brengen, omdat ik verder toch van alles en iedereen verlaten was.

Van Mark, die mij geleerd had wat de sexuele bevrediging was, hoorde of zag ik niets meer, de enige herinnering, die hij mij achtergelaten had, was een steeds vuriger verlangen naar de samenleving. Daarom was het ook, dat ik niet met afkerige gedach­ten bezield was ten opzichte van mijn oom. Het enorme leeftijdsverschil deed mij niets; in de donkerte van de kamer kon ik met gesloten ogen niet zien, wie het was, die mij geruststelde. Met gesloten ogen kon ik mij diegene voor de geest halen, die ik in gedachten had uitgezocht om de begeerten van mijn hongerige lichaam te stillen. Ik voelde en wist met absolute zekerheid, dat oom, zo dikwijls hij maar wilde in mij het object kon vinden, waarop hij zijn hartstochten kon botvieren.

De torenklok van de naburige kerk sloeg negen uur, toen ik aanstalten maakte om naar bed te gaan. Ook oom vond het schijnbaar laat genoeg, want toen ik er hem op attent maakte, dat het al negen uur was, sprong hij uit zijn stoel en zei mij, dat hij mij naar boven wilde brengen.

Samen gingen wij de trap op die naar mijn kamer leidde. Geen van beiden sprak een woord, ook niet toen oom zo goed als ik, zich uitkleedde en gelijk met mij in mijn bed ging liggen. Voorzichtig drukte hij mij tegen zich aan en juist zoals Mark dat vroeger gedaan had, begon ook hij mij zachtjes te strelen. Zijn grote lichaam was dicht tegen mij aangedrukt en daardoor merkte ik, dat ook zonder mijn hulp hij reeds zover was om bij mij te komen.

De torenklok sloeg half tien, toen we beiden in een diepe slaap vielen, volkomen uit­geput door de korte maar zo hevige paring. Ik kan me levendig voorstellen, Jan, dat je bij je zelf zult denken, hoe het godsmogelijk is, dat een zo jong meisje zich volkomen kan overleveren aan de wellustgevoelens van een oude man. Zelf heb ik daar later ook dikwijls aan gedacht; dikwijls heb ik mij afgevraagd of mijn gevoelen voor oom, hoe gek het ook moge klinken, een soort liefde was, maar met zekerheid kan ik zeggen, dat het enkel en alleen hartstocht was. Ik zocht de bevrediging van mijn door Mark opgewekte verlangens en wie mij dit kon geven interesseerde mij niet; ik zag in oom alleen het middel, die waardoor ik mijn doel kon bereiken.

Toentertijd reeds wist ik, dat het de hartstocht was die onze normale gedachtenloop zo benevelde, dat wij eigenlijk nergens meer aan dachten; niet aan het abnormale, dat toch in onze verhouding gelegen was, noch in het gevaar, dat een samenleving met oom met zich bracht, omdat hij geen enkele keer, ondanks mijn verzoeken daartoe, voor­zichtig was.

Twee maanden na deze gebeurtenissen sterft tante Berta. Geen enkel spoor van ziekte was er aan haar dood voorafgegaan. Het was op een zondagmorgen, dat oom haar in de tuin vond; de zo snel mogelijk geroepen dokter kon niet anders dan de dood door hartverlamming constateren.

Oom is stil geworden. Ik geloof, dat de eerbied voor de dood hem zo stilzwijgend en in zichzelf gekeerd doet zijn; verdriet om het verlies van zijn vrouw, die toch eigenlijk nooit zijn vrouw geweest was, kan deze man niet opbrengen, ik geloof veel eerder, dat de veranderde situatie hem enigszins uit zijn evenwicht geslagen heeft. Het is enige weken na de begrafenis van tante; ik was juist aan het werk in de altijd donkere huiskamer; als oom binnenkomt, Aan zijn luidruchtigheid merk ik, dat er iets gebeurd is en weldra constateer ik dan ook. dat hij gedronken heeft. ’s Morgens vroeg al is hij naar de melkfabriek gegaan om het melkgeld te incasseren en zoals hij mij vertelde, had hij met enkele andere boeren een borrelt] e gedronken. Het was toen al weken geleden, dat oom mij ook maar in de geringste mate had lastig gevallen; nu echter zag ik aan zijn gezicht, dat die veranderde houding iets van voor­bijgaande aard geweest was, want juist toen ik aanstalten maakte om hem een kop koffie in te schenken en daardoor vlak bij hem ging staan, had hij kans gezien met zijn handen onder mijn rokken te komen.

en op dat moment, wilde ik proberen hem van mij af te houden, omdat alle deuren open stonden en de mogelijkheid bestond, dat een leverancier naar binnenkwam. Het was echter vergeefse moeite.

Aangemoedigd door de drank en zijn wekenlange sexuele onthouding hadden geheel zijn zinnen beneveld. Als een wild geworden dier trok hij mijn blousje open, zodat mijn borsten eruit sprongen, dan voel ik me opgetild worden en op de grond gelegd. Een enkele ruk is voldoende om mijn onderkleding te verwijderen en even later reeds voel ik, dat hij helemaal bij mij is ingedrongen. Als hij opstaat geeft hij me vijftig gulden om nieuwe kleren te kopen.

Vanaf die dag heb ik iedere nacht bij oom geslapen. Nu pas kan ik beseffen, welk een geluk ik gehad heb, dat ik niet van hem in positie gekomen ben.

Een half jaar zal dit zo geduurd hebben en dan komt de dag, dat moeder sterft. Er zit niets anders op dan dat ik naar huis kom om daar de zorg over ons groot gezin op mij te nemen. Ik was inmiddels zestien jaar geworden.

De verhouding met oom was ik moe geworden, vooral omdat hij op het laatst dingen van mij verlangde waar ik afkerig van was. Ik was blij, dat ik weg kon gaan. Mijn zusje van veertien zou in mijn plaats komen. Ik weet nog heel goed, dat ik op het punt gestaan heb, haar te waarschuwen voor eventuele toenaderingen van oom, maar een soort schaamtegevoel hield mij daarvan terug, omdat ik natuurlijk te verwachten had, dat Marietje mij zou vragen of hij me dan ook lastig gevallen had en zij op mijn jawoord alles aan mijn ouders zou vertellen. Ik sprak dus nergens over. Veertien dagen was Marietje al in dienst bij mijn oom, toen ik op een zondagmiddag besloot er eens heen te gaan. In hoofdzaak wilde ik eens kijken hoe mijn zusje het er af bracht en ook was het een soort interesse voor oom, die nu toch verstoken was van datgene, wat ik hem een half jaar lang gegeven had.

Al gauw merkte ik, dat Marietje het werk best aankon en op een vraag van mij aan oom daaromtrent, verzekerde hij mij dan ook, dat ze haar uiterste best deed en dat hij heel tevreden over haar was.

Bij het weggaan vroeg hij me steeds om op vrijdagavond terug te komen; Marietje had dan haar vrije avond en ik begreep natuurlijk wel wat zijn bedoelingen waren. Nadat ik zeker vier of vijf zondagen achter elkaar een bezoek aan mijn oom gebracht had, merkte ik, dat hij mij niet meer vroeg om vrijdagsavonds te komen; aanvankelijk weet ik dat aan het feit, dat ik op zijn voorstel niet was ingegaan, niet, omdat ik niet wilde, maar juist op vrijdagavond had ik het meeste werk thuis met het wassen van de kleine kinderen en het verder beredderen van het huishouden.

Ik had hem dat bij gelegenheid dan ook gezegd en vond het soms wel eens sneu, als ik zijn teleurgesteld gezicht zag. Op dat moment was er geen haar op mijn hoofd, dat er aan dacht, dat ik een plaatsvervangster had gekregen; de verjaardag van oom. waarop ik ook uitgenodigd was. zou mij alles leren en doen begrijpen.

Natuurlijk was het mij opgevallen, dat mijn zuster dikwijls nieuwe spullen aan had en op haar verjaardag zelfs een gouden ring van oom had gekregen, maar oom kennende wist ik, dat vooral na de dood van zijn vrouw, hij totaal veranderd was; het was net alsof met het heengaan van zijn vrouw er een zware last van zijn schouders afgenomen was. Uit ondervinding wist ik toch, dat oom niet gierig was; integendeel er waren momenten, dat hij werkelijk heel royaal met kadootjes wist om te springen. Het enige, dat mij wel opgevallen was tijdens mijn zondagse bezoeken, was, dat oom iedere zondag een stevig borreltje dronk en dat mijn zuster zich regelmatig van een bepaald rood spul wist te bedienen; later hoorde ik, dat dit bessenjenever was. In de verste verte dacht ik niet aan de een of andere verhouding tussen oom en Marietje. Zoals ik reeds zei, was ik uitgenodigd om op de verjaardagpartij te komen. Vader had mij sigaren meegegeven, terwijl ik een paar sokken voor hem had mee­gebracht.

Toen ik op de boerderij aankwam; de kadootjes had afgegeven en oom gefeliciteerd had, zag ik, dat beiden al aan de borrel zaten.

Zonder mij te vragen had Marietje mij ook al een borreltje ingeschonken er bij zeg­gende, dat het eerste niet zo lekker was, maar dat het tweede heerlijk smaakte.

Ik wou geen spelbreker zijn en met tegenzin wist ik het eerste borreltje naar binnen te werken; ook het tweede weigerde ik niet en inderdaad; Marietje had gelijk: dit smaakte veel beter. Die middag heb ik vier van die dingen gehad en toen ik naar huis ging was het net of ik op vleugels gedragen werd. Natuurlijk had ik moeten beloven die avond terug te komen, hetgeen ik ook deed.

Bij mijn binnenkomst hoorde ik heel zachtjes de radio spelen, die oom direct na de dood van tante gekocht had en die hij voor geen geld ter wereld wilde missen, ondanks het feit, dat alle radio’s door de duitsers gevorderd waren. Het was echt gezellig in de halfdonkere kamer. Oom zat een sigaar te roken, terwijl Marietje zich haastte om ook mij weer een borreltje in te schenken.

Met verbazing vroeg ik mij af, hoe het mogelijk was, dat Marietje dat spul zo goed verdragen kon, want toen ik aan mijn vierde glas bezig was, had Marietje er zeker zes gehad.

Ik voelde mij in een uitgelaten stemming komen en toen Marietje mij dan ook goed­moedig verweet, dat ik oom ter gelegenheid van zijn verjaardag nog niet gekust had, sprong ik op en kuste hem spontaan op zijn beide wangen.

Schijnbaar was deze manier van kussen niet naar de zin van mijn zuster, want in de tijd dat zij naar oom toeliep, zei ze mij, dat ik oom zo moest kussen en de daad bij het woord voegend, kuste ze hem op zijn volle mond. terwijl ik zag, dat oom tijdens het kussen zijn hand op haar buste gelegd had, en haar tegelijkertijd op zijn knie trok. Toen nog weet ik de vrijpostigheid, zowel van Marietje als van oom aan de uitwerking van de sterke drank, die ook mij reeds ineen opgewonden toestand gebracht had. Even later zag ik, dat oom het rokje van Marietje geheel naar boven geschoven had, zodat haar bovenbenen bloot lagen.

Geen van beiden toonden enig spoor van schaamte ten opzichte van mij. Ik kon me voorstellen, dat oom geen schaamte had, maar dat Marietje met zich liet spelen in aanwezigheid van haar zuster kon ik me niet begrijpen. Wel stond het toen voor me vast, dat er tussen die twee meer gebeurd was.

Nog zit ik als gehypnotiseerd naar die strijkende handen te kijken als ik uit mijn verdoving wordt opgewekt door de stem van oom, die mij vraagt om ook mijn stoel naast de zijne te zetten en gelijkertijd nog eens de glazen te vullen.

Onbewust voldoe ik aan zijn verzoek en terwijl de stoel van Marietje aan zijn linker­zijde staat, zet ik mijn stoel aan zijn rechterzijde.

Direct, nadat ik gezeten ben, legt oom zijn arm over mijn schouder en mij enigszins tegen zich aandrukkend gelukt het hem boven door mijn blousje zijn hand op mijn blote borst te leggen. Ik verweer mij niet; ook niet als ik zie, dat Marietje gezien heeft, wat hij aan het doen is; het is net alsof door de drank het laatste beetje schaam­tegevoel verloren is gegaan.

Het duurt dan niet lang meer of ook ik zit met ontblote bovenbenen; steeds verder gaat hij; bij mij zowel als bij Marietje, totdat hij het punt gevonden heeft, waar het spelen van zijn vingers mij steeds opgewondener maken.

Dan opeens hoor ik het zuchten en steunen van Marietje, zie ik de bewegingen van haar lichaam en weet ik, dat zijn handelingen haar volkomen van streek gemaakt hebben. Opeens vliegt zij dan op om in minder dan geen tijd zich geheel van haar kleding te ontdoen. Naakt staat ze voor ons, een ondeelbaar ogenblik echter maar, want dan komt ze op mij af, neemt mijn hand en legt die bij oom op een plaats, die ook hem tot razernij brengt.

Wat er verder gebeurde, durf ik zelfs aan jou niet te vertellen. Nu nog schaam ik mij daarvoor. Wel heb ik toen ervaren, dat mijn zuster mij in hevige mate in alles overtrof. Zij was het die steeds opnieuw weer spelletjes uitvond, waar ik nog nooit aan gedacht had. Het was half twaalf geworden, toen ik als geradbraakt naar huis terug­keerde.

Later heeft Marietje mij verteld, dat toen zij veertien dagen in betrekking was, oom haar als het ware overvallen had. Vanaf die tijd was zij bijna dagelijks de zijne geweest.

(einde hoofdstuk 3)

Editie van donderdag 4 april 2019

Editie van donderdag 4 april 2019

Het is de dag na het debacle. 2-6. Heeft die einduitslag ooit op het scorebord gestaan aan De Kraal of in De Koel?

De Venloër Grensbode waagt het te betwijfelen. Verliezen is een, maar met 2-6 verliezen is erger dan verliezen. Het valt in de categorie ‘roemloos ten onder gaan’.

Is nu de wereld vergaan?  Nee, VVV staat nog steeds op de elfde plaats in de tussenstand. Zoals het vóór het debacle was. En in de binnenstad van Venlo signaleerden wij eerder deze week een groepje Japanse voetballertjes. Misschien loopt hier wel de opvolger tussen van Honda. Fijn dat hij alvast aan Venlo heeft kunnen snuffelen.

En vanzelfsprekend was er gisteren na de wedstrijd de Mikanista-blog van Wim Moorman. Balsem op de gekwetste ziel van een VVV-supporter. We fotografeerden de blogger uit Meterik in de rust van de rampwedstrijd, toen hij druk doende was op zijn mobiele telefoon. Ons frappeerde de overeenkomst met de foto’s die wij in de Sportbijlage van gisteren publiceerden.