Categorie archief: ‘Je bederft je ogen nog!’

Literaire bijlage van zondag 19 augustus 2018

Waar waren we gebleven? Aan een tafeltje in café De Witte, begin jaren zestig. Mijn vader en zijn kaartvrienden spraken met gedempte stem over Het zedenschandaal van Venlo. Vele, vele jaren later kwam ik de gewraakte publicatie plots tegen bij het ordenen van de bibliotheek van George Goossens, die na het overlijden van de verzamelaar was geschonken aan het Goltziusmuseum. Zo op het eerste oog stelde het boekje niks voor, maar het veroorzaakte begin jaren zestig een rel van jewelste. Het zedenschandaal van Venlo, geschreven door iemand die zich bediende van het pseudoniem Elka Inconnu, werd op enkele plaatsen in de stad onder de toonbank verkocht. Tot afgrijzen van overheid, kerk, media en een deel van de burgerij.

Het zedenschandaal van Venlo II

Je moet de feiten natuurlijk altijd in de context van hun tijd zien. Wie anno nu Het zedenschandaal van Venlo leest, zal zich niet kunnen voorstellen dat het boekje ooit zoveel stof deed opwaaien. Het taalgebruik is van een braafheid om lacherig van te worden. Buste is zo ongeveer het meest onvertogen woord in het hele relaas. ‘Tijdens ons gesprek had hij zijn hand rustig op mijn borst laten liggen, nu echter voelde ik dat diezelfde hand boven door mijn blous mijn naakte borst ging betasten. Rustig laat ik hem begaan en ook nu weer voel ik dat eigenaardige gevoel in mij opkomen, dat ik ook later altijd ondervonden heb als mannenhanden met mijn busten spelen’.

Het zijn zinnen waar niemand rode oortjes van zal krijgen, maar gemeten met de maatstaven uit het begin van de jaren zestig was het pure pornografie. Het boekje is overigens niet slecht geschreven. Het lijkt erop alsof Elka Inconnu zijn verhaal verteld heeft aan een professionele tekstschrijver. Het zedenschandaal van Venlo begint op 5 mei 1947. De stad viert de bevrijding en de ikfiguur wordt in een danszaal gearresteerd op verdenking van ontucht met minderjarigen. Hij is niet de enige. Veel vrienden en kennissen zijn al opgesloten in het politiebureau aan de Lohofstraat. Elka Inconnu is de spil in wat nu een netwerk van pedofielen genoemd zou worden. Blijkbaar heeft de politie de zaak snel rond en draaien justitiële molens op topsnelheid want al enkele weken later komen de verdachten voor de rechter. De ikficuur krijgt een gevangenisstraf van twee jaar aan de broek. In het boekje dat hij ongeveer vijftien jaar na de geruchtmakende zaak schrijft of laat schrijven, doet hij een poging zichzelf vrij te pleiten. Het klinkt bekend: de meisjes zagen er ouder oud dan ze waren en ze lokten het zelf uit. In Het zedenschandaal van Venlo worden enkele amoureuze escapades beschreven die zijn gelijk moeten bewijzen. Als we de ikfiguur moeten geloven, namen de meisjes steeds het initiatief en is hij er eigenlijk ingeluisd. Onder het lezen bekroop mij het opeens het idee dat het hele verhaal verzonnen was. Dat er nooit een zedenschaal was geweest. Dat die Elka Inconnu gewoon een pornografisch verhaal wilde schrijven om zo geld te kunnen verdienen.

Limburgsch Dagblad, 13 mei 1947

Maar de krantenlegger van 1947 en het politiearchief van dat jaar wezen uit dat er wel degelijk sprake is geweest van een grote zedenzaak. In totaal werden 23 personen – burgers en militairen – gearresteerd en veroordeeld. De geruchten wilden dat er ook artsen bij betrokken waren, maar in het Dagblad voor Noord-Limburg wordt dat ten stelligste tegengesproken: ‘Wat de thans ingeslotenen hebben gedaan is weerzinwekkend; maar door deze kwaadaardige kletspraatjes wordt bewezen, dat onze stad ook nog lijdt aan de kanker der kwaadsprekerij.’ De schrik zat er in bij de overheid in en in samenwerking met de krant werd een offensief ingezet voor méér fatsoen, voor méér aandacht van ouders voor hun kinderen die door de woningnood praktisch op straat leefden.

Dagblad voor Noord-Limburg, 23 mei 1947

Op vrijdag 23 mei 1947 kopt de krant op de voorpagina met: ‘Jeugd in gevaar. Vier vuisten tegen ’t kwaad’. Politie, onderwijsinspectie, lokale overheid en ouders zullen hun vuisten moeten ballen tegen de zedenverwildering, diefstal, smokkelarij, abortus, verslaafdheid aan tabak, ernstige baldadigheid en vernielzucht, gevaarlijke spelletjes met katapulten en het ongekleed zwemmen van jongens en meisjes. Of de kruistocht echt geholpen heeft, valt moeilijk te beoordelen. Maar dat er door de actie aandacht kwam voor grote problemen in het na-oorlogse Venlo staat buiten kijf.

(Wordt vervolgd)

 

Advertenties

Ochtendeditie van dinsdag 7 augustus 2018

Nescio in Arcen (2)

In een vorige editie van de Venloër Grensblad hebben we beschreven hoe Nescio gevallen is voor de charme van Arcen, dat ‘malle kleine stadje’, zoals hij het noemt. We deden dit aan de hand van fragmenten uit de jaren 1946-1950 van zijn Natuurdagboek. Op grond van zijn aantekeningen op 17 mei 1950 concludeerden we dat zijn liefde definitief was, want hij ging die dag tweemaal naar het kasteeltje en de watermolen. Dat deed hij tijdens eerdere bezoeken nooit. Daarom leek ons de verwachting gewettigd dat hij in de daaropvolgende jaren jaarlijks naar Arcen terug zou gaan of wellicht wel twee of drie keer per jaar. Het dagboek loopt tot eind 1955, dus we dachten nog tussen de vier en tien dagboeknotities over Arcen tegoed te hebben.

OUE SCHUUR WEG

Niets is echter definitief in het leven, ook de liefde van Nescio voor Arcen niet. Om onnaspeurbare redenen komt hij er nog maar één keer terug, en wel op 23 september 1954. Vanuit het station in Venlo neemt hij om tien over twaalf ’s middags de bus naar Arcen, waar hij een hotel – naar we mogen aannemen het Maashotel – bezoekt: ‘Kopje koffie in de weranda en broodje met overvloedig kaas en een allervriendelijkst dienstertje en zeer duur. Zon verdoofd, doffe tinteling op de Maas. Geen gezicht naar den weg ten westen van de Maas meer, door een rommelige beplanting.

Schuur tegenover het kasteel van Arcen, vóór 1954

Arcen heeft zijn charme verloren, want hij blijft er amper een uur. Bij het verlaten van het dorp windt hij zich vreselijk op: ‘Bus 1 uur 18 terug. De oue schuur aan den weg naar Duitschland tegenover de brug van het kasteel is afgebroken (G.v.d). Er staan nieuwe ‘lieve’ huisjes.

Niet vaak komt de uitdrukking ‘G.v.d.’ in het Natuurdagboek voor, meestal gebruikt hij het woord ‘nix’ of ‘nix an’ om aan zijn afkeuring lucht te geven.

BANALE FLIKKERIJ

Prentbriefkaart, circa 1920

De maat van het ongenoegen is echter nog niet vol voor die dag en het is Venlo dat de hardste klappen krijgt: ‘Venlo is een banale flikkerij. Zelfs de overtocht van de Maas mist er glorie (dat oud groote gebouw tussen brug en station is weg, vernield in den oorlog.

Hij bedoelt waarschijnlijk de oude marechausseekazerne en niet het wachtlokaal van de Maasbuurtspoorweg op de brug zelf, dat eerder een gebouwtje dan een groot gebouw was, en ook niet zo oud als de kazerne: zie foto’s.

Marechausseekazerne, blok langs Brugstraat, circa 1910

WACHTERS

Men kan zich afvragen wat Nescio zou vinden van de huidige ‘overtocht’ van de Maas met de beelden van Shinkichi Tajiri: weliswaar etaleren de wachters hun glorie op niet te misverstane wijze, maar of het de glorie is die Nescio bedoelt, kan men zich afvragen. Van het beeld De verwoeste stad van Ossip Zadkine, Tajiri’s leermeester in Parijs, moest hij in elk geval niets hebben. Op 3 mei 1955 verzucht hij: ‘Het idiote beeld van Zadkine, vernegering!’

Verkeersbrug met Wachters van Tajiri; aan de overzijde van de Maas ligt Blerick waarover Nescio ook al minder complimenteus was

door Willem Kurstjens

Avondeditie van vrijdag 3 augustus in het hopelijk glorieus wijnjaar 2018

NESCIO IN ARCEN

De Nederlandse schrijver Nescio, pseudoniem van J.F. Grönloh, is vooral bekend van zijn verhalen De Uitvreter en Titaanjes. Minder bekend is dat hij een dagboek bijhield met de notities van de uitstapjes die hij na de oorlog maakte. Ze waren ook niet bedoeld om gepubliceerd te worden, al is dat lang na zijn dood wel gebeurd. De ‘bezorgster’ van zijn werk, Lieneke Frerichs, bundelde ze in 1996 onder de titel Natuurdagboek, die ze zelf bedacht, een keuze die ik geheel onderschrijf. Nescio verzamelde natuurimpressies op datum, de titel brengt dat uitstekend tot uitdrukking.

Fotoportret Nescio, 1917

Had hij een plekje in zijn hart gesloten, dan ging hij daar regelmatig kijken om te zien hoe het erbij lag, als een schilder die er zijn ezel wil opzetten, maar ook om zijn gram te spuwen. Was er iets ouds, vertrouwds weggehaald, dan kon hij zich daar heel boos over maken. Was er nieuws, onooglijks toegevoegd, ook. We zullen dat nog zien.

Een van de plekken in Nederland die zijn hart heeft gestolen, was Arcen. Het is de enige plek in Noord-Limburg waar hij regelmatig een of meer dagen vertoefde. In Venlo was hij altijd op doorreis, of naar het noorden (Arcen of Nijmegen), of naar het zuiden (Roermond en zuidelijker). Vooral in Zuid-Limburg mocht hij graag komen, dat gebied heeft – eerlijk is eerlijk – zijn hart nog meer gestolen dan Arcen. Tegelen en Steyl komen niet in het Natuurdagboek voor, Blerick wel, maar daarover is hij – zonder opgave van reden – niet te spreken (‘Blerik zij verdelgd’, 3 mei 1953)

Drie prentbriefkaarten van karakteristieke plekjes in Blerick, begin jaren zestig; voor de oproep van Nescio van enkele jaren eerder valt het een en ander te zeggen (collectie Sef Derkx) 

MAL KLEIN STADJE

De eerste keer dat de naam Arcen in het Natuurdagboek opduikt is op vrijdag 9 mei  1947: ‘Met trein van 10 uur naar Venlo. Bus 11 uur 25 naar Arcen. Maasbocht, overkant, mal klein stadje. Maashotel. Beekje, kasteel. 1 uur 49 bus terug naar Venlo.’

Wat hem in het malle kleine stadje heeft geraakt is dan nog moeilijk te zeggen, maar ruim een maand later, op 12 juni, is hij er weer. Dit keer is hij al iets uitvoeriger: ‘Donderdag. Zomer. Met den trein van 7.29 M.P. naar Venlo over Eindhoven. Bus Arcen. Maas Hotel. Gewandeld naar de grens. Cafétje aan den driesprong met de twee lei-lindes en nog een boom, voor den grensheuvel. Teruggewandeld en bij Arcen op bergje geklommen. Prachtig panorama (Straelen en nog een Duitsch plaatsje in de hoogte tegen de lucht). Bus naar Venlo (Maashotel had geen plaats). Trein naar Maastricht.’

Bus richting Ziekenhuis en Genooi vertrekt van voor het NS-station Venlo, begin jaren zestig (collectie Piet Maas)

Prentbriefkaart ‘Arcen, langs de Maas’, begin jaren vijftig (particuliere collectie) 

Hiermee wordt Arcen opgenomen in het jaarlijkse reismenu. Een jaar later, op 11 mei 1948, komt hij er weer: ‘Om 2 uur 6 bus Nijmegen naar Arcen, meest mooie weg, in het Zuiden bezet met bloeiende kastanjes, zeer romantisch met stukken Maas hier en daar. Wolken pakten zich samen, onweer in de verte, onze bus had ook regen. Ruim ½ 4 in Arcen, Maashotel (hoekkamer). Naar het kasteeltje gewandeld en naar den watermolen, later het stadje in. ‘Koffietafel’ om 6 uur. Daarna tot 9 uur over de Maas zitten kijken. Heerlijk weer na het onweer. Wolken.’

Bij het cafétje en het bergje aan de grens hebben zich nu drie bezienswaardigheden gevoegd: de kastanjes aan de rijksweg, het kasteeltje en de watermolen. Het over het water naar de wolken kijken, is niet typisch voor Arcen, maar wel typisch Nesciaans. Het is de basso continuo in zijn oeuvre.

De volgende dag beklimt hij opnieuw het zwarte bergje, maar helaas, het ‘zicht (is) niet ruim genoeg om Straelen en het andere Duitsche plaatsje te zien.’

Grensovergang Arcen, jaren vijftig (particuliere collectie)

MAASVISCHJE

Anderhalf jaar later wil Grönloh opnieuw naar Arcen. Hij en zijn vrouw (‘Os’ in het dagboek) logeren dan in hotel Nieuw Bellevue te Arnhem en hij vraagt ‘den kelner het Maashotel in Arcen op te bellen, maar het was vol.’ (9 september 1949).

Precies drie jaar na zijn verblijf in 1947 is hij op 9 mei 1950 weer terug in Arcen: ‘Trein Roermond-Venlo, onderweg stond de trein ergens op de lijn stil en keek ik op ’t valleitje van de Swalm met veldjes en boerderijtjes en boomen. Bus Arcen, daar om 1/211 en verder den dag doorgebracht met eten en drinken en rooken en slapen en naar de Maas staren. ’s Middags en tegen den avond even naar het kasteeltje gewandeld. Volop zomer. Weer om ½ 10 naar bed.’

De volgende morgen staat hij om half zeven op en neemt om acht uur de bus naar Nijmegen. De kastanjes langs de weg bloeien niet of nauwelijks. Hij herinnert zich dit nog goed, want hij voegt eraan toe: ‘vergelijk 11 mei 1948’.

Deze lichte teleurstelling komt hij echter snel te boven, want vijf dagen later, op maandag 15 mei, is hij alweer terug in Arcen: ‘Trein 9 uur 39 van M.P. naar Eindhoven. ’s Middags ½ 4 door met den trein naar Venlo en bus naar Arcen. Daar aangekomen om ½ 6. Kasteeltje en watermolen en tegen 8 uur naar het bergje (panorama over Limburg en Brabant, maar geen Maas, in het oosten Straelen en Walbeck in de lucht). Maas-Hotel. Twee prachtig bloeiende boomgaarden aan de Brabantschen kant tegenover het Maas hotel, een groote rechts en een kleine ver links.’

De schrijfwijze van de naam varieert: nu eens is het Maashotel, dan weer Maas Hotel, Maas-Hotel of Maas hotel. Wat blijft is de trits kasteeltje, watermolen en bergje.

De liefde voor Arcen is nu definitief, want twee dagen later komt hij er na een dagje Nijmegen weer terug en gaat hij zelfs tweemaal naar het kasteeltje en de watermolen. Ook ziet hij er een prachtige zonsondergang – ‘zeer groot en rood in wolkenbank’ – en praat hij er met het ‘Maasvischje en haar man.’ Bezorgster Lieneke Frerichs denkt dat het om een privégrapje van Nescio gaat (p. 448 in mijn uitgave), maar het zou natuurlijk ook een plaatselijke bijnaam kunnen zijn. We zoeken het uit.

Prentbriefkaart Maashotel, vóór 1940 (particuliere collectie)

– Willem Kurstjens

 

 

 

 

Vroege avondeditie van dinsdag 31 juli 2018

Gerard Reve en Venlo

door Gerrit van der Vorst*

In de Venloër Grensbode, een must voor cultuurliefhebbers van alle gezindten en geaardheden, las ik onlangs uitgebreide artikelen over de bezoeken die de Volksschrijver Gerard Reve aan Tegelen bracht. Ik verwijs geïnteresseerde lezers graag naar de betreffende, lezenswaardige artikelen – de abonnementscondities van het orgaan vormen niet de geringste belemmering – en vraag tevens uw aandacht voor een belangrijk Venloos aspect in het allereerste werk van Reve. Het is te vinden in de novelle De ondergang van de familie Boslowits. Reve, toen nog Van het Reve, publiceerde deze adembenemende novelle in 1946 in het letterkundige maandblad Criterium. Pas in 1950 verscheen het verhaal in boekvorm. De avonden was drie jaar eerder al uitgegeven als boek en geldt daarom als het romandebuut van Reve.

Cover van de eerste uitgave van het boek ‘De ondergang van de familie Boslowits’.

 

Cover van een latere uitgave.

De novelle is een tragisch oorlogsverhaal. Hoewel de auteur dat niet met zoveel woorden heeft aangegeven, ging het om een joods Holocaust-drama. Zo’n zestig jaar na de publicatie vogelde onderzoeksjournalist Igor Cornelisse uit, dat Boslowits een pseudoniem was voor Bobrownitski (ook wel Bobrownitzki). En die tongbrekende achternaam was ik tegengekomen bij het onderzoek voor mijn boek over Venlo en de jodenvervolging (Een diepzwarte sluier, 2014). Was het niet een nauwelijks leesbare naam op de foto van een grafsteen van de oude joodse begraafplaats in Venlo geweest? Ik weet het niet meer, maar feit is dat Alphons Bobrownitski – Reve’s hoofdpersoon Hans Boslowits – op 15 mei 1893 in Venlo werd geboren, als telg uit het gezin van Hermann (Hirsch) Bobrownitski en Ernestine Placzek. In 1889 had het echtpaar zich met vier kinderen in Venlo gevestigd. Het was destijds afkomstig uit het Pruisische Schwarzenau, het huidige Poolse Czerniejewo.

Czerniejewo is nu een klein stadje – eerder een dorp – in het Polen (Wikipedia). De afstand naar Venlo is tegenwoordig over de snelweg zo’n 870 kilometer.

In Venlo hadden ze zich aangemeld onder de naam Neuhaus, naar Hermann Bobrownitski’s moeder. Die achternaam lag wat gemakkelijker in het gehoor en de naam Bobrownitski werd vaak verhaspeld. Later corrigeerde de gemeente de achternaam.

Op de Maaskade en later Picardie 5 in de Venlose binnenstad dreef Hermann Brobownitski een handel in koloniale waren. De jaren in Venlo van het gezin waren rampzalig. De in 1890 en 1891 geboren kinderen overleden elk na anderhalf jaar. De laatstgeboren zoon Alphons zou wel in leven blijven, maar nog geen jaar na zijn geboorte overleed vader Hermann aan tuberculose. Hij was pas veertig jaar oud.

De Picardie in Venlo in het begin van de 20e eeuw (collectie Piet Braem).

De in het Russische Lentoijzi geboren Bobrownitski liet echtgenote Ernestine en vijf kleine kinderen hulpbehoevend achter. Het armlastige Israëlitisch armbestuur vroeg daarom aan het Venlose gemeentebestuur een bijdrage van tweehonderd gulden per jaar aan de kosten voor het levensonderhoud van het gezin. Dat verzoek stelde de gemeenteraad voor een probleem, zo bleek tijdens de zitting op woensdag 9 mei 1894, want de overheid deed in die tijd nog niet aan armenzorg. Venlo volstond met een subsidie voor het Rooms-katholieke armbestuur. Voor hulpbehoevende inwoners van een andere confessie was niets begroot. Maar men zag een deeloplossing. Een bijdrage van honderd gulden aan een protestants gesticht, voor de verpleging van de hulpbehoevende Venlonaar Gerrit Reinierse kon vervallen. Recent was vernomen dat die gebrekkige jongeman getrouwd was en een erfenis ontvangen had. De meevaller van honderd gulden kon aangewend worden voor steun aan Israëlitische armen in Venlo. Raadslid Louis Gambon toonde zich chagrijnig over het soepele toelatingsbeleid van de gemeente: Het is hier weer een treurig voorbeeld van de vrijgevigheid om personen zonder middel van bestaan in de gemeente op te nemen. Die man is hier naar Venlo gekomen onder den valschen naam Neuhaus. Als de mogelijkheid bestond, die familie naar hun vaderland terug te zenden, zou dit voor haar en ook voor onze gemeente veel beter zijn. Maar Gambon was dan ook een boekhouder. Het progressieve(re) raadslid Hermanus van Rijn vond dat Venlo wel verplicht was om de weduwe te helpen en kreeg de andere raadsleden daarin mee. Al werd in plaats van honderd gulden eerst maar eens vijfentwintig gulden betaald aan het Israëlitisch armbestuur.

Hermanus B.J. van Rijn was burgemeester van Venlo in de periode 1900-1921 (Genealogie Limburg – GenWiki).

Met dergelijke schrieperigheid zullen de weduwe Bobrownitski-Placzek en haar kinderen een extra zware tijd hebben gehad in Venlo. In de periode 1896-1904 vertrokken de dochters Clara, Bertha en Selma naar Berlijn, onbekende bestemming en Amsterdam. Bij de loting voor de nationale militie in 1902 bleek dat de oudste zoon Sigfried waarschijnlijk in San Francisco zat. Die was op 20 juni 1906 weer terug, want toen verhuisde hij met zijn moeder en broer naar Amsterdam, waar zich de al eerder vertrokken Selma zich weer bij hen voegde. Het derde en laatste adres in Venlo was Lichtenberg 7.

De weduwe zou in 1933 in Amsterdam overlijden. Uit haar overlijdensadvertentie en die voor haar moeder blijkt dat zij en haar kinderen (ook) de achternaam Neuhaus bleven gebruiken (www.cbg.nl).

Kennelijk vond men in Amsterdam voldoende werkgelegenheid, want zoon Alphons kon daar de Hogere Burger School bezoeken. Aansluitend vertrok hij voor een paar maanden naar Singapore, om zich daarna in Amsterdam te vestigen. Hij ontpopte zich als overtuigd communist en publiceerde in 1918 onder de naam A. Neuhaus enkele artikelen in De Tribune. Daarin prees hij onder meer de recente revolutie van de Russische Bolsjewisten om haar ijzeren vuist, een ijzeren wil en ijzeren zenuwen. Kortom, reden genoeg voor de voorlopers van de AIVD om zijn naam op hun lijsten van subversieve elementen te noteren. In de redactie van De Tribune zat Gerard van het Reve senior alias Vanter, eveneens overtuigd communist. Oudste zoon Karel sprak met waardering over de geestverwanten van zijn vader, maar Gerard junior noemde zijn ouderlijk huis later een waarlijke gevechtspost in de strijd van het internationale proletariaat, volgens hem bemenst met bultenaren, horrelvoeten, astma- en teringlijders, bezetenen en querulanten. Hoewel Alphons Bobrownitski een gewaardeerde strijdmakker op die gevechtspost was geweest, beschreef Van het Reve zijn alter ego Hans Boslowits wel als een aardige man.

Vader Van het Reve met zijn beide zoons Karel en Gerard, rond 1931.

In 1919 vertrok Bobrownitski naar de Verenigde Staten, om eind oktober 1920 terug te keren. In de tussentijd was hij ‘met de handschoen’ getrouwd met de joodse Engel (Annie) Veldman. Zij beviel 3,5 maand na zijn terugkomst van een jongen – diens biologische vader bleef onbekend – die later wegens onhandelbaarheid uit huis zou worden geplaatst. De zoon die een jaar later geboren werd, bleek zwakzinnig te zijn en werd ondergebracht in de joods-psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bos toen hij zeven jaar was.

Hans Alphons Bobrownitski (1921-1942), de oudste zoon die impliciet geëcht was door Alphons Bobrownitski.

In april 1927 bereikte Alphons Brobownitski maatschappelijke welstand, toen hij procuratiehouder werd van de Twentsche Overzee Handel Maatschappij. Het goede bestaan in Enschede duurde maar tot juli 1929. Alphons was door een ziekte vanaf zijn middenrif verlamd geraakt (tertiaire syfilis, werd gefluisterd). Terug in Amsterdam woonden hij en zijn hypernerveuze echtgenote om de hoek bij het gezin Van het Reve, waarmee de ideologische band en omgang waren gebleven.

 

Het echtpaar Bobrownitski-Veldman woonde in de laatste jaren op Topaasstraat 5 in Amsterdam.

De bezetting luidde de definitieve ondergang in van het al zo zwaar getroffen gezin van Alphons Bobrownitski. Nadat zijn vrouw en beide zoons gedeporteerd waren – en vermoord – maakte Alphons (50 jaar oud) met opgespaarde slaappillen een einde aan zijn leven. Zijn onderduikgevers lieten het lijk op de avond van 24 september 1943 met een touw voorzichtig in de gracht zakken, zonder geplas. Nadat het lijk van een onbekende jood in het water werd gevonden, werd zijn stoffelijk overschot op de joodse begraafplaats in Diemen begraven op 8 oktober.

Op zondag 22 september 1957 werd er een steen op het graf geplaatst.

Ook de steenhouwer had moeite met de achternaam.

Pas in 2009 ontdekte de journalist Igor Cornelisse dat Reve’s debuut gebaseerd was op ware gebeurtenissen en dat achter hoofdpersoon Hans Boslowits de tragische figuur van Alphons Bobrownitski schuilging. Hij wijdde een artikel in het tijdschrift De Parelduiker aan zijn ontdekking: Wie was Hans Boslowits, Gerard Reves debuut ontrafeld. Daarin vroeg hij zich af wat de toevoeging Neuhaus op de grafsteen betekende. Volgens de Oorlogsgravenstichting was het de onderduiknaam van Alphons Bobrownitski, maar dat was dus de achternaam waarmee zijn ouderlijke gezin zich in Venlo had willen vestigen.

Cover van het tijdschrift De Parelduiker met het artikel van Igor Cornelisse.

Later gaf Igor Cornelisse het verhaal over Alphons Bobrownitski in boekvorm uit (vpro.nl).

De geschriften kunnen beschouwd worden als een monument voor een geboren Venlonaar met een uitzonderlijk tragisch leven. En de nagedachtenis van de hoofdpersoon van zijn eerste roman had voor Reve zo maar een (extra) reden kunnen zijn voor zijn bezoek aan Venlo.

Met dank aan Piet Braem, John Decker en Sef Derkx. Voor zo ver niet aangegeven, zijn de foto’s ontleend aan het artikel ‘Wie was Hans Boslowits?’ van Igor Cornelisse in De Parelduiker (jaargang 14, 2009/5; zie dbnl.org).

Oud-Venlonaar Gerrit van der Vorst woont in Zeist, waar hij over Venlo schrijft voor onder meer de Floddergatsblog en de Venloër Grensbode 

 

Middageditie van zaterdag 28 juli 2018

Portret Nescio, Christiaan Kruiswaard, 1996

Nescio debuteerde in januari 1911 met het verhaal De uitvreter in het literaire tijdschrift De Gids. Het tijdschrift wees een tweede verhaal, Titaantjes, af vanwege de ‘goedkoope aardigheden’ waarin God ter sprake kwam. Nadat redacteur J.N. van Hall voorstelde om in plaats van het woord God in de afsluitende passage maar de naam Zeus af te drukken, had Nescio er genoeg van. In 1915 verscheen Titaantjes, zijn tweede verhaal, in Groot Nederland.

De iconische twee openingszinnen van Titaantjes luiden:

Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf.

In Titaantjes blikt Koekebakker terug op de tijd dat hij en zijn vrienden idealen hadden, en vertelt hij hoe het hun is vergaan. Bavink schildert een meesterwerk en snijdt dit vervolgens aan reepjes als hij ontdekt dat hij door dit schilderij in feite heeft bereikt wat hij altijd al had afgezworen, namelijk een succesvol en rijk man worden, en komt in een gesticht terecht. De rest van zijn vriendengroep heeft zich aangepast aan de maatschappij die ze ooit afzwoeren. Aan het eind van het verhaal gaat het alleen Koekebakker voor de wind. Hij wordt een succesvol journalist en verdient daarmee een goed belegde boterham. In feite kunnen zijn idealen hem niet meer zo schelen.

Het boek heeft als boodschap dat ieder mens zich uiteindelijk ten koste van zijn idealen aanpast aan de maatschappij en – ondanks zelfs de grootste walging van maatschappelijke eisen hij daar toch altijd aan toegeeft. Of hij wil of niet. Titaantjes is dan ook een protest tegen de maatschappij. Maar het verhaal geeft ook de innerlijke strijd weer tussen Nescio (de schrijver) en Grönloh (directeur van de Holland-Bombay Trading Company). Een strijd, die in een en dezelfde persoon wordt uitgevochten.

Opdrogend fietspad in Egypte*

Geïnspireerd door Titaantjes schreef Onze Correspondent in Egypte* onderstaande vier gedichten, waarin titaantjes uit een ander tijdsgewricht centraal staan.

TITAANTJES

I

Aardige jongens waren we, met goddelijke lijven,

man, daar kon wat in. We zopen ons vast aan onze krukken.

Met sluitingstijd waren we er niet af te rukken

en smeekten we de kroegbaas nog even te mogen blijven.

 

Nu ontmoeten we elkaar in priklabs en apotheken,

de een met een hartkwaal, de ander met jicht.

Ieder kent wel iemand die in de kreukels ligt

of bezig is zich van ’t leven los te weken.

 

‘Hé, die Henk, hoe is het nog met jou en met Hettie?’

‘Ach ja, wat zal ik zeggen, ’t kon beter. Alles skelettie!

 

II

De een fluit een rif, de ander drumt,

een derde speelt op luchtgitaar

Hey Joe van Jimi Hendrix na,

een vierde bast, een vijfde humt.

 

Al jammend worden we weer jong,

krijgen we weer lange haren,

ruige snorren, ruige baarden.

Even zijn we weer forever young,

 

gaan we weer naar San Francisco,

wearing flowers in our hair,

roken we shit en snuiven we coke,

roepen we Johnson moordenaar,

 

en dig it, baby, far out en yeah

en democratiseren we de dood.

 

III

Er zijn geen andere

paradijzen dan verloren paradijzen.

(Jorge Luis Borges)

 

Al vroeg stelde hij voor zichzelf vast:

In dit dorp wil ik niet vergrijzen,

ik ben geboren voor de pracht

van de natuur en parken en paleizen

 

waar men reikhalzend op mij wacht,

ik word onthaald op drank en spijzen

en vrouwen wonen die mij nacht na nacht

de kunst der liefde onderwijzen.’

 

Nu is hij weer terug en loopt de weg na

die hij als kind naar school ging.

Af en toe blijft hij staan, denkt diep na

en wacht op een herinnering,

 

die maar niet wil komen.

Demonen, demonen, demonen.

 

IV

’s Nachts op het terras van Het Veerhuis in Steyl.

Een halve man en een paardenkop en wij. Er wordt

niet meer bediend. We zitten op ons laatste glas,

dat steeds leger wordt. De tijd staat stil.

 

Het duister keert in zichzelf en wordt pikzwart.

Onze stemmen galmen als klokken. Niets beweegt

meer behalve onze monden en de meisjes die ons

bedienen en tussen de lege stoelen door schuifelen

op zoek naar lege glazen en volle asbakken.

 

Onze woorden raken kant noch wal,

net als het veer dat aan de ketting ligt.

Iemand herinnert zich iets grappigs,

een hele goeie grap, om je dood te lachen,

en verdomd, daar weet hij het toch niet meer.

 

Naschrift:

Over de controverse tussen de redactie van De Gids en Nescio over het verhaal Titaantjes, vonden we nader in Verlangen zonder te weten waarnaar. Over Nescio.

van Maurits Verhoeff:

“In januari 1914 voltooide Nescio zijn tweede grote verhaal, ‘Titaantjes’. Eind 1911, begin 1912 had hij een eerste versie van dit verhaal geschreven. In een van de bewerkingen schrijft hij over het werk op een kantoor: ‘Mijn hoofd zat vol berekeningen, ’s avonds in bed vielen me dingen in die gedaan konden worden, ik ging uit ’t bed en schreef ze op, en alles kwam daar op neer of lui in Indië ’t een of ander goed zouden dragen dat ze niet noodig hadden. Het wil mij nu voorkomen dat daar de lui in Indië zich ’t hoofd maar mee moesten breken en niet ik.’

In het voorjaar van 1914 zond hij ‘Titaantjes’ naar De Gids, maar het antwoord van de redactie gaf weinig reden tot hoop. ‘Hinderlijk, zeer zeker ook voor de meeste Gidslezers, zijn de goedkoope aardigheden, waarvan God het onderwerp of het voorwerp is,’ zo liet redactiesecretaris J.N. van Hall weten. Wanneer de redactie veel mocht schrappen in het verhaal, zou er mogelijk van publicatie sprake kunnen zijn. In eerste instantie liet hij de redactie haar gang gaan.

Half oktober ontving Grönloh zijn handschrift retour. De aanpassingen bevielen hem in het geheel niet. Op 20 oktober liet hij weten bezwaar te hebben tegen het schrappen van enkele passages ‘waar ik tracht weer te geven hoe zekere elementen in ’t volk een zeker deel der meer welgestelden zien, [terwijl] ik de gevoelens van opstandigheid jegens de menschen die wat te vertellen hebben in dit werkje niet missen kan’.

Met deze brief sneed Grönloh de mogelijkheid tot publicatie in De Gids definitief af. Van Hall antwoordde dan ook op 21 oktober: ‘Tusschen hetgeen U wenscht te zeggen en hetgeen de Redactie in een tijdschrift als De Gids oirbaar acht blijkt, tot mijn leedwezen, een kloof te gapen, die moeilijk te overbruggen valt.”

Ze zitten wat te zitten op een bankje in het Oosterpark in Amsterdam Drie van de Titaantjes van Nescio. Ze kunnen de hele wereld aan, lijkt het wel . De sculptuur is van Hans Bayens. Het werd in 1971 onthuld en jaren later gestolen. In 1988 werd een nieuw afgietsel geplaatst. Op de sokkel staat: ‘Jongens waren we – maar aardige jongens’, de openingszin van Nescio’s beroemde novelle. 

*buurtschap tussen Venlo en Tegelen, door kenners geroemd vanwege de loofbomen, avifauna en korstmossen

 

Noeneditie van dinsdag 24 juli 2018

Hotel Wilhelmina tegenover het station van Venlo dateert van 1876. Het etablissement heeft een opvallende, maar weinig benijdenswaardige plek in de Nederlandse literatuur gekregen. Het speelt een eminente rol in de roman Zes sterren van Joost Zwagerman

In Zes sterren worden feit en fictie vernuftig met elkaar vervlochten. Hotel Wilhelmina heet bij Zwagerman Hotel Juliana. Het schelmenverhaal wordt verteld door de twintiger Justus Merkelbach. Hij groeit op in Alkmaar bij een moeder met smetvrees, mysofobie. Zijn vader is een principiële onderwijzer. Dat je met die combinatie het plezier buitenshuis zoekt, ligt voor de hand. Justus vindt het gezelliger bij zijn oom Siem, een flierefluiter met veel kortstondige baantjes zonder enig succes. Een te preferen combinatie, mits je opgewekt in het leven staat. Op zekere dag richt oom het tijdschrift Goedemorgen op. Het orgaan richt zich op hotels. Net ter verheffing van deze branche, maar om er zelf beter van te worden. Veel beter.

Prentbriefkaart hotel Wilhelmina, ruim een eeuw geleden toen alles nog goed was (collectie redactie Venloër Grensbode)

Lievelingsneef Justus wordt hoofdredacteur, samen reizen ze stad en land af om hotels te recenseren. Als het verblijf in het hotel tegenvalt, is er geen man over boord. Wie een advertentie in Goedemorgen plaatst, krijgt als wederdienst een jubelrecensie. Het duo zet juist in op slechte hotelervaringen, want dat is een garantie voor veel advertenties.

Exterieur van hotel Wilhelmina, recent (bron website hotel Wilhlmina )

Over het eerste verblijf in het Venlose hotel is de ik-figuur weinig vleiend: ‘Ik weet nog welke kamer ik die vorige keer kreeg toegewezen: 118. Het bleek een claustrofobisch stemmend zweethok met meubilair uit de tijd dat ze in Limburg nog op vier poten liepen en uit troggen aten. (…) De entourage van gang en trapportaal was ook al niet veel bijzonders. Alleen de entree kon ermee door, maar daar stond weer tegenover dat de ontbijtzaal vol hing met smoezelige en slecht geconserveerde schilderijen, portretten van boerenvrouwen die Limburgs trots vertegenwoordigen. Als pièce de résistance stond er in de hoek van de ontbijtzaal een replica van een harnas, waarmee vast en zeker een regionale Koning Arthur werd herdacht. Het was al met al een zieltogende uitdragerij met opgepoetste prullaria waar ik mijn ontbijt zat te nuttigen.’

Hotelentree, links schaal met pepermuntjes; recent (bron website hotel Wilhlmina )

Na een tweede overnachting en de toezegging dat een advertentie van 2.500 euro zal worden geplaatst, krijgt het hotel zes sterren. Tot zover de roman van de zwartgallige Zwagerman, die wij u zeker kunnen aanbevelen in dagen van een hittegolf. In werkelijkheid is Wilhelmina natuurlijk een prima familiehotel, waar het goed toeven schijnt te zijn. Nog één opmerkelijk gegeven uit Zes sterren: oom Siem pleegt zelfmoord. De romanauteur volgde zijn fictionele familielid in 2015.

Ontbijtzaal, rechtsachter in nis het gewraakte ‘harnas’ (bron website hotel Wilhlmina

Reageren? Stuur een reactie naar de redactie van de Venloër Grensbode: redactievenloergrensbode@xs4all.nl

 

Editie van vrijdag 20 juli 2018

door Sef Derkx

Nog twee aanvullingen op het bezoek van Gerard Reve en Matroos Vosch aan Tegelen op 21 en 22 maart 1997 ( zie de edities van de Venloër Grensbode van gisteren).

In het verslag dat Adri Gorissen schreef over de expeditie met Gerard Reve langs de kloosters van Steyl en De Doolhof in Tegelen, lezen we dat de zelfbenoemde Volksschrijver eind jaren veertig voor een krant verslag moest uitbrengen over de Passiespelen.  “Er kwam geen eind aan, ze bleven maar met dat kruis slepen, wel 4,5 uur lang”, herinnert hij zich.

Gerard Reve in De Doolhof op zaterdag 22 maart 1997, zo te zien aan het licht was het ‘het weer van alle mensen’ (foto Jan Oehlen)

In 1950 werden de Passiespelen opgevoerd in De Doolhof, Gerard Reve werkte destijds voor Het Parool. Met het prachtige zoekprogramma Delpher, vonden we een artikel in Het Parool van 22 mei 1950 over de Passiespelen. Onder de kop lezen we tussen haakjes ‘Van een onzer verslaggevers’. Honderd procent zekerheid dat Reve de scribent was, hebben we niet. Maar de aanhef met een duif die uit de hemel neerstrijkt , is wat ons betreft een Reviaans beeld. Met enig voorbehoud en veel terughoudendheid – want het ‘unieke mikwe’ in het Limburgs Museum bleek ook slechts een beerput te zijn – het verslag van Gerard Reve van de Passiespelen in Tegelen in 1950.

Het Parool, 22 mei 1950 (gevonden via http://www.delpher.nl)

De ‘Tour de Tegelen’ in 1997 voerde niet langs de Heilige Familiekerk in Venlo. Was het wel het geval geweest, dan was het moede oog van de Volksschrijver zeker gegaan over de spreuk boven de ingang van de kerk. Venlo kent door de inspanningen van de stichting Poëziet op enkele plaatsen mooie of diepzinnige dichtregels. Het meest intrigerende rijm staat echter al sinds 1939, het jaar van de inwijding, boven de ingang van de Heilige Familiekerk:

Wij moeten glorieeren                                                                                                                                    In ’t Kruis des Heeren

Dat deze spreuk geen onderwerp is geworden in de #metoo-discussie, is weer een ander verhaal. Verhalen zoals er zoveel zijn. Vandaar dat wij vaak zeggen:

In tijden van kleine en grote noden                                                                                                           Drink wijn en lees de Venloër Grensbode

Reageren? Stuur een e-mail naar de redactie van de Venloër Grensbode: redactievenloergrensbode@xs4all.nl