Categorie: ‘Je bederft je ogen nog!’

Het zedenschandaal van Venlo – Hoofdstuk 3

Het zedenschandaal van Venlo – Hoofdstuk 3

Woord vooraf van de redactie van de Venloër  Grensbode

‘Dat boekje over die zeden-dinges van Venlo? Heb jij dat en weet je waar ik het zou kunnen kopen?’, vroeg ons eerder deze week vriend J., de börgemeister van ’t Ven. Wij hebben inderdaad de publicatie Het  zedenschandaal van Venlo in onze verzameling Venlonensia.

Of het echter nog ergens te koop is, wagen we te betwijfelen. Na verschijnen is het boekje vanwege de brisante inhoud onder de toonbank aan anonieme geïnteresseerden verkocht. Bevoegd gezag, clerici en zedenmeesters raadden het lezen ervan ten strengste af. Zeker wanneer er in het gezin opgroeiende kinderen waren, was het maar beter deze aanstootgevende pennenvrucht buiten de deur te houden.

Als het bijvoorbeeld in de handen zou vallen van een veertienjarige zoon des huizes, was het gevaar van ruggenmergtering als gevolg van onanie niet denkbeeldig. Het Zedenschandaal van Venlo  stond ook niet op de literatuurlijst van leerlingen van het lyceum. Het was een Ik Jan Cremer, avant-la-lettre. Nu het patina van de tijd eroverheen is gestreken, lezen we het anders.

DERDE  HOOFDSTUK

Ik heb in mijn jonge jaren verschillende betrekkingen gehad. Naar de. ene ging ik graag heen, naar de andere met minder interesse, maar naar een betrekking, waar ik met afkeer naar toe ging, was die, waar ik nu, op uitdrukkelijk bevel van mijn vader, zou beginnen.

Oom Willem was de oudste broer van mijn vader. Hij was zestig jaar en de vrouw waar hij mee getrouwd was, had de vijfenzestig gepasseerd. Kinderen hadden ze niet.De verstandhouding tussen mijn vader en oom Willem was jarenlang heel slecht ge­weest en de oorzaak daarvan moet gelegen hebben in een erfeniskwestie. Bij het over­lijden van de ouders van mijn vader, moet oom Willem zo met het aanwezige geld gemanipuleerd hebben, dat hij alles binnen gepikt had, zodat er voor mijn vader niets was overgebleven. Het juiste van die zaak ben ik nooit te weten gekomen. Thuis werd, ook nadat de verstandhouding beter geworden was, nooit over oom Willem of tante Berta gesproken. Wat wij van hun wisten hadden wij van de dorpsgenoten gehoord, en ook dat was nog niet zoveel, omdat oom Willem en tante Berta een teruggetrokken leven leidden. Nooit kregen ze bezoek; want vrienden of kennissen hielden ze er niet op na.

Ook een knecht, die hun behulpzaam had kunnen zijn op de boerderij was iets, waar oom Willem nooit aan gedacht had, en zou hij eraan gedacht hebben dan was het zijn gierigheid, die hem daarvan afgehouden zou hebben.

Er werd zelfs beweerd, dat, ondanks hun vele geld, zij maar een keer per week een klein stukje vlees kregen. Hun enige hobby was het steeds meer bijeenschrapen van geld en werken van de vroege ochtend tot de late avond.

In het dorp ging nu nog het verhaal, dat toen oom Willem een bril moest gaan dragen om zijn steeds stijgend saldo bij de Boerenleenbank te kunnen lezen, hij met tante Berta naar de stad gegaan was en op het moment, dat hij de verschuldigde twintig gulden aan de opticien gaf, tante Berta hem had gezegd: „Willem, als je niet hoeft te kijken, zet die bril dan af.”

En dit zou mijn nieuwe betrekking worden.

De entree bij mijn oom was precies zoals ik mij die had voorgesteld. Mijn „Goede morgen, tante” werd met een zacht „Ho” beantwoord, terwijl oom mijn groet helemaal niet beantwoordde maar direct wist te zeggen, dat ik maar goed moest werken, omdat dit zo gezond was voor een jonge meid.

Toch informeerde hij, hoe het thuis ging en ook hoe het in mijn vorige betrekking was. Ik vertelde hem alles, behalve over Mark natuurlijk, en tot mijn niet geringe verbazing merkte ik, dat oom Willem met interesse naar me luisterde.

Op het eerste gezicht vond ik oom Willem niet zo onsympathiek en toen hij tegen rnij zei, dat ik maar moest proberen zo goed mogelijk met tante Berta op te schieten nam ik mij voor mijn uiterste best te doen, temeer daar ik wist, dat tante Berta niet hele­maal normaal was.

Hoe heel anders was het werk op de boerderij dan in het deftige doktershuis. Nu was het niet meer, dat ik ’s morgens pas om acht uur hoefde te beginnen, want om half zes reeds hoorde ik de stem van oom Willem, die mij naar beneden riep. Het werk, dat ik te doen had, beperkte zich uitsluitend tot het huishoudelijke; in de stallen en op het veld werd alles door oom en tante gedaan.

Ook wat het eten betrof, werd de zorg daarvoor aan mij overgelaten en was ik blij, dat ik, wat eten koken betrof, zoveel van de vrouw van de dokter geleerd had. ledere maaltijd opnieuw weer probeerde ik iets anders te bereiden en ondanks de roddel­praatjes van mijn familie en de dorpsgenoten wat het karige eten betrof, heeft nooit een van beiden, mij gezegd, dat ik te royaal was. ledere middag hadden wij vlees en aan de eetlust, die zij toonden, merkte ik, dat hetgeen ik klaargemaakt had, hun zeer goed smaakte.

Natuurlijk zorgde ik ervoor, dat het geen overdadige maaltijden werden, want vooral in het begin had ik aan het gezicht van tante gezien, dat zij mijn maaltijdbereiding een grote geldverspilling vond. Dat zij er nooit iets van gezegd heeft, meen ik alleen te mogen wijten aan het feit, dat het haar goed smaakte.

Wat de spreekwoordelijke gierigheid van oom Willem betrof, merkte ik al spoedig, dat dit in hevige mate overdreven was. Soms gebeurde het wel eens, dat tante vroegtijdig van tafel wegging en dan was het altijd oom Willem, die mij nog een extra stukje vlees toevoegde, zeggende: „Nellie, je moet maar goed eten, want je moet er nog van groeien.”

Toen ik veertien dagen daar was, had ik het woonhuis zover opgeknapt, dat het niet meer te herkennen was; ik had er voor gezorgd, dat de meubels op een andere plaats stonden en de op de zolder gevonden schilderijen had ik aan de muur gehangen. Plet geheel gaf een heel andere indruk; met geen enkele kosten had ik er een gezellige woonkamer van gemaakt.

Aan alles merkte ik, dat oom en tante echt tevreden over mij waren en aan die tevre­denheid schreef ik het ook toe. dat oom Willem mij op zekere dag uit de stad een stel ondergoed had meegebracht. Uitdrukkelijk werd mij op het hart gedrukt, dat ik dit nooit aan tante mocht vertellen.

Het is omstreeks die tijd geweest, dat oom Willem op een bepaalde manier toenadering tot mij zocht. Als ik met hem alleen was en hij aan mij merkte, dat ik bedroefd was, kwam hij naar me toe, legde zijn kolenschoppen van handen op mijn schouders en vroeg me, wat er eigenlijk was. Ik kon hem natuurlijk niet vertellen dat ik bedroefd was, omdat ik al die tijd niets meer van Mark gehoord had en al mijn pogingen om hem te treffen op niets waren uitgelopen. Ik voelde, dat hij me vergeten was; dat ikalleen goed geweest was als hij me kon gebruiken; maar dat voor de rest al zijn lieve woorden bedrog geweest waren. Het was de eerste grote teleurstelling in mijn leven en gelukkig wist ik toen nog niet, dat er nog vele zouden volgen.

Wat ik toentertijd aan oom Willem verteld heb, wat betrof mijn neerslachtigheid, weet ik niet meer, wel voelde ik aan de manier, waarop hij mij vastpakte, dat er op dat moment iets in hem omging, wat ik niet bevatten kon.

Een paar dagen later, het was een regenachtige dag, vroeg oom mij of ik hem even kon helpen op de deel. Het was de eerste keer, dat hij me vroeg, ander dan huishoude­lijk werk te doen.

Ik ging natuurlijk met hem mee en hielp hem zo goed ik kon met het aangeven van het hooi, dat hij zo hoog mogelijk tegen het plafond van de zolder opstapelde. Hoe het gekomen is, weet ik nog niet, maar schijnbaar moet ik uitgegleden zijn, want oom was het, die mij in zijn armen opving en misschien wel onbewust tegen zich aan­drukte. Verbouwereerd door die val bleef ik tegen hem aanliggen en kwam eerst tot de werkelijk terug, toen ik bemerkte, dat oom mijn blousje had losgemaakt en zo hard in de uitspringende borsten kneep, dat ik een schreeuw niet kon onderdrukken. Van die schreeuw schrok hij blijkbaar zo geweldig, dat hij me losliet, en mij met zo’n verschrikt gezicht bleef aanstaren, dat ik op hetzelfde moment in een onbedaarlijke lach schoot. Hoe ik het ook probeerde; ik kon niet ophouden met lachen en van de weeromstuit begon ook oom Willem maar mee te lachen.

Eerst het zien van de situatie waarin wij ons bevonden; een oude man van zestig jaar en daartegenover een meisje van vijftien met ontblote boezem, deed ons tot de werke­lijkheid terugkeren.

Vanaf die dag wist oom Willem zijn handen niet meer thuis te houden; waar ik ook liep, steeds probeerde hij weer mij even vast te pakken en mij te knuffelen. Soms gebeurde het wel, dat, als ik in de keuken bezig was met het eten hij achter mij kwam staan en juist als ik een ketel in de handen had, hij mijn beide borsten vastpakte. Nooit heb ik hem gezegd, dat ik van zijn hastelijkheden verschoond wenste te blijven; integendeel, ik geloof nu meer dan ooit, dat ik toentertijd door mijn kinderachtig gegiechel en mijn gehele houding, als hij mij vastpakte, ook gedeeltelijk de schuld heb gehad aari datgene, wat zich later nog af zou spelen.

Dikwijls genoeg betrapte ik er mij op, dat ik bewust er voor zorgde, dat de knopen van mijn blousje los waren, zodat hij, als ik voorovergebogen stond mijn naakte borsten kon zien. Het was dan ook niet verwonderlijk, dat, toen ik mij een keer in het washok, dat bij de deel gelegen was, stond te wassen, hij mijn natte, blote borsten in zijn handen nam en daarmede stond te spelen, alsof hij een jong katje aan het strelen was. De gevoelens, die hij toen bij mij wakker riep waren veel zinnelijker, veel opwin­dender dan ik ooit bij de aanrakingen van Mark ondervonden had. Bij Mark had ik die aanrakingen beschouwd als behorend bij een grote liefde; bij oom Willem was het alleen maar hartstocht, die hem op de duur ook wel tot andere daden zou verleiden.

Mark had mij geleerd wat het was bevredigd te worden en deze door hem opgewekte gevoelens vroegen steeds opnieuw weer naar bevrediging. Nachtenlang had ik wakker gelegen en kwamen de gebeurtenissen met Mark voor mijn geest en steeds opnieuw weer overviel mij dan die wellust, dat verlangen naar de samenleving. Onbewust drong het langzaam tot mij door, dat juist het grote leeftijdsverschil, het verbodene in onze verhouding een aparte bekoring met zich mee bracht.

Ik had inmiddels geleerd, dat het woord „LIEFDE” niet meer was dan een uitdruk­king, die de mannen nodig hadden om datgene te bereiken, waar ze hun zinnen op gezet hadden. Mark had dit woord dikwijls tegen mij gebruikt en ik geloofde hem en juist omdat het van mijn kant echte liefde was, had ik mij met ziel en lichaam aan hem gegeven. Nu was alles anders geworden; ik vroeg niet meer naar liefde, ik wilde alleen maar lichamelijk genot hebben, omdat ik daar behoefte aan had. Wie me dat zou geven, interesseerde mij in het geheel niet. Na het laatste tafereel in het washok, scheen het, dat oom veranderd was. Zijn gebruikelijke betastingen bleven achterwege en op alle manieren probeerde hij me uit de weg te gaan. Ik wist over de totaal veranderde houding van oom Willem geen verklaring te geven, nu kan ik me begrijpen, dat hij een hevige tweestrijd met zichzelf heeft moeten voeren, omdat hij ook wel voelde, dat ik genegen was alles te doen, wat hij van mij verlangde. Na veertien dagen had ik me er bij neergelegd, dat ik verder van zijn beperkte intimi­teiten af zou zijn, toen ik het bericht binnenkwam, dat de enige nog levende zuster van tante Berta plotseling overleden was-

Het hele huis stond in rep en roer; niet zozeer om het overlijden van die vrouw, maar om de rompslomp, die dat met zich mee zou brengen. Het kon niet anders of tante moest mee met de begrafenis, temeer nog, daar er een gerede kans bestond, dat tante Berta de enige erfgename zou zijn.

De hele morgen werd er door oom en tante gepraat en gegist hoe hoog de erfenis wel zou kunnen zijn, terwijl tante in haar opwinding reeds verschillende verre familie­leden verdacht, zich aan de contante centen van haar zuster vergrepen te hebben. Zij voelde het aan, dat het de hoogste tijd werd om direct naar de woning van haar zuster te gaan en daar eens poolshoogte te nemen. Ook na de begrafenis zou zij met de notaris spreken en dit betekende, dat zij de eerste drie dagen niet naar huis zou kunnen komen.

Oom Willem zei niet veel, want hij wist uit ervaring, dat zijn stille, achterlijke vrouw, als het om geld ging, in de verste verte niet achterlijk was en tot het laatse dubbeltje alles wilde hebben, waarop zij meende aanspraak te kunnen maken. Binnen het uur had tante zich gekleed en was op weg naar de autobus, die haar naar de nieuwe geld­bron zou brengen. Wat waren het toch eigenlijk ongelukkige mensen. Niets, maar dan ook niets hadden zij van het leven gevraagd; altijd maar werken en zuinig zijn, om daardoor hun kapitaal, waarvan de grootte op een stukje papier van de Boerenleenbank stond aangegeven, nog te vergroten. Een leven zonder kinderen, zonder liefde, zonder hartelijkheid.

Ik kan me niet voorstellen, hoe oom Willem, die ik later als een hartstochtelijke man leerde kennen, dertig jaren lang met een vrouw als tante Berta door het leven kon gaan. Een vrouw, humeurig, hebberig en zonder de minste aantrekkelijkheid. Ik weet het aan mijn jeugd, dat ik dit niet begrijpen kon. Het was de eerste maal, dat ik met oom alleen aan het middagmaal zat.

Geen van beiden sprak een woord; het was net alsof oom helemaal afwezig was en mijn bestaan totaal vergeten was. Na het eten schonk ik hem nog een kopje koffie in en toen was het alsof een vulkaan losgebarsten was, zo vuurde hij de ene vraag na de andere op me af.

Hij begon met me te vragen of ik het erg gevonden had, dat hij me zo dikwijls vast­gepakt had; hoe het me bij hun beviel; of ik nog geen plannen had om weer weg te gaan en nog over andere dingen, waar ik in het geheel nog niet aan gedacht had. Op al zijn vragen gaf ik hem zo eerlijk mogelijke antwoorden en toen dit schijnbaar tot zijn genoegen was, begon hij te praten over mijn tante. Hij vertelde, dat hij alleen met haar getrouwd was, omdat ze zoveel geld en bezittingen had; van een werkelijk getrouwd leven had hij nooit iets gekend. Toen hij, direct na hun trouwen geprobeerd had, gemeenschap met haar te mogen hebben, had zij dit afgewezen en hem verweten, dat zij zich aan die smeerlapperij niet afgaf. Juist de manier, waarop zij dit gezegd had, hadden er hem van teruggehouden een volgende keer nog eens toenadering tot haar te zoeken.

Zeker vijfentwintig jaar sliepen zij dan ook apart, omdat tante het niet verdragen kon, vanwege haar rheumatiek, zoals zij het uitdrukte, dat hij in de slaap haar wel eens aan zou kunnen stoten.

In het begin van hun huwelijk was hij meerdere malen naar vrouwen gegaan, die hij voor hun gunsten moest betalen, maar op een gegeven moment was hij dat ook moe geworden en uiteindelijk was het zo geweest, dat hij zich bij de bestaande situatie had neergelegd. Vanaf die tijd was het leven voor hem alleen nog maar een leven van werken, slapen en weer werken.

Toen oom uitgepraat was en ik hem opnieuw een kopje koffie wilde geven, verzocht hij mij de fles jenever te halen en hem een borreltje in te schenken. Tot op heden had ik nog niet gezien, dat oom Willem een borreltje dronk; ik wist natuurlijk wel, dat er jenever in huis was, maar dit werd alleen gedronken met de kermisdagen en met Nieuwjaar.

Even had ik het gevoel, dat oom zich bedrinken wou nu hij die oude herinneringen had opgehaald, maar na het tweede borreltje stond hij op, wenste mij „Goede nacht” en verdween in de richting van zijn slaapkamertje.

Ook ik zocht spoedig daarna mijn slaapvertrek op. Het was mij onmogelijk om de slaap te pakken; steeds weer moest ik nadenken over datgene, wat oom mij over zijn huwelijksleven verteld had. Ik kon me niet begrijpen, dat er zulke vrouwen als tante Berta bestonden. Terecht vroeg ik me af, waarom zulke vrouwen dan wel gingen trou­wen; ik voor mij meende toch, dat het mooiste, wat een vrouw zich wensen kon, het bezit van een kind was. Ik was nog volop over alles aan het nadenken, toen ik hoorde, dat iemand de trap op kwam. Vanzelfsprekend kon dit niemand anders zijn dan oom Willem. Onwillekeurig kroop ik dieper onder de dekens.

Ik voelde, dat oom Willem naar mij toekwam; ik wist met absolute zekerheid, dat er nu iets zou gaan gebeuren. Inderdaad had ik, als oom mijn borsten betastte, er dikwijls genoeg naar verlangd, dat hij verder zou gaan, maar nu, in de late avond voelde ik een soort angst, die ik niet verklaren kon.

Met ingehouden adem lag ik te luisteren en dan opeens hoor ik zachtjes de stem van oom, die mij vraagt of ik al slaap.

Even wacht ik met antwoord geven, maar dan hoor ik me zelf toch zeggen, dat ik niet kan slapen en nog maar steeds denk aan datgene, wat hij mij die avond verteld heeft. Inmiddels is hij ongevraagd op de rand van het bed gaan zitten. Het enige licht in de kamer is het licht van de maan, dat door de ramen naar binnenvalt. Desondanks kan ik hem heel goed onderscheiden en zie dan ook, dat zijn hand langzaam naar mij toe­komt, mij over de haren strijkt om uiteindelijk op mijn blote borst tot stilstand te komen. Met gesloten ogen lig ik te wachten op datgene, wat er verder zal gaan gebeu­ren. Hij merkt natuurlijk, dat ik geen enkel teken van tegenstand laat blijken ook niet als hij zachtjes met de lepeltjes begint te spelen en zelfs een borst in zijn mond neemt. Ik weet nu, dat hij ook verder zal gaan en de gedachte daaraan brengt mij in een dergelijke staat van opwinding, dat ik mij niet meer beheersen kan; ik duw zijn hand naar beneden, naar die plaats, die tante voor hem, lang geleden, verboden heeft.

Als een wild geworden dier trekt hij het laatste kledingstuk van mijn lichaam en gelijkertijd voel ik, dat hij in mij dringt. Als de schokkende bewegingen van zijn lichaam, na heel korte tijd, ophouden, weet ik, dat hij bevredigd is. Als een blok valt hij van me af. Alleen zijn stokkende ademhaling verstoort de doodse stilte. Zonder een woord te zeggen, blijven wij naast elkaar op bed liggen; de pijn, die hij me tijdens het binnendringen, gedaan had, voel ik steeds minder worden en met het minder worden van de pijn voel ik mijn onbevredigde lustgevoelens opnieuw in mij opkomen. Ook ik wil de bevrediging hebben; ook ik wil nu genieten van datgene, wat mijn lichaam me geven kan.

Langzaam voel ik mijn hand in die richting gaan waar ik weet, dat het middel te vin­den is, dat mij dat kan geven, waar ik reeds wekenlang naar verlangd heb. Na een paar minuten reeds voel ik, dat ook oom weer in staat is om bij me te komen, nu echter niet op die wilde manier, die me zo’n pijn gedaan heeft. Bij het inbrengen ben ik hem behulpzaam en aan de bewegingen van mijn lichaam voelt hij, dat ook ik van ons verboden spel ten volle wil genieten.

Zeker een kwartier lang leefde ik mij geheel uit; het middel dat voor mijn bevrediging moest zorgen was allang uitgewerkt toen ik nog steeds bezig was mijn lichaam dat te geven, waar het naar verlangd had. Volkomen uitgeput viel ik in een loodzware slaap.

De volgende morgen, toen het normale uur van opstaan reeds lang verstreken was, werd ik wakker. Mijn eerste gedachten waren gericht op de gebeurtenissen van de vorige avond, een gevoel van diepe schaamte ging door mijn gehele lichaam. Ik, een jong meisje had me in volledige  overgave aan een oude man gegeven, die nog wel mijn oom was; ik had laten blijken, dat hij met mijn lichaam kon doen, wat hij maar wou; nee nog erger; ik was het geweest, die de tweede keer hem er opnieuw toe had gebracht om bij me te komen. Alles ter wereld had ik op dat moment willen geven, als ik alles ongedaan had kunnen maken; als alles zou blijken een boze droom geweest te zijn.

Nog steeds was ik met mijn gedachten bezig, toen ik de stem van oom hoorde, die mij tot de werkelijkheid terugbracht. „Nellie”, hoorde ik hem roepen, „de koffie staat klaar en het is al acht uur geweest.”

Ik antwoordde hem, dat ik al op was en binnen de vijf minuten beneden zou zijn. Zo vlug mogelijk kleedde ik mij aan en toen oom om negen uur de woonkamer binnen­kwam om zijn kopje koffie te drinken, liet hij niets merken van dat wat er die avond gebeurd was. Hij praatte honderd uit over de prijzen van het vee en de melk en aan niets was te merken, dat zijn gedachten ergens anders waren.

Het duurde dan ook niet lang, of ook ik voelde mij geheel op mijn gemak, vooral toen ik merkte, dat oom de beste zin van de wereld had.

Was dit nou de stuurse man, die ik vroeger gekend had en waarover zoveel geroddeld was? Was dit nu de man, die zo in zichzelf gekeerd was en waar geen mens omgang mee wilde hebben. Het scheen wel, alsof oom er die morgen vijftien jaar jonger uitzag en alsof het leven voor hem een nieuwe wending had genomen.

Toentertijd besteft ik nog niet, dat die gehele verandering alleen te wijten was aan mij. Dat ik het was, die door mijn bereidwilligheid ten opzichte van zijn sexuele gevoelens hem dat had gegeven, wat hij nooit gekend had. De man, die levend dood was, was door mij tot een ander leven teruggebracht Voor het eerst in zijn leven had ook hij het gevoel leren kennen, dat bevrediging heet.

Aan zijn hele doen en laten merk ik, dat hij gelukkig is en wel tien keer die dag hoor ik hem fluitend over het erf lopen, zelfs de hond, die allang gewend is aan het snauwen van oom moet wel niet geweten hebben, wat er gaande is, nu hij ook tegen hem lieve woorden gebruikt.

Ik zelf denk ook die dag niet meer aan het gebeurde van die avond. Het gevoel van schaamte, dat mij die morgen zo overrompeld had is geheel weg; een heerlijk gevoel van rust is daarvoor in de plaats gekomen. Ik moet toen wel gevoeld hebben, dat ik de oorzaak was van die zo opvallende gedaanteverwisseling.

Als de avond gevallen is en ik de laatste resten van het avondmaal opgeruimd heb, ga ik de woonkamer in, waar oom bezig is met het nazien van notariële stukken. Hij zegt geen woord als ik binnenkom.

Over zijn gehele gezicht zie ik echter een glans van tevredenheid, die mij de over­tuiging geeft, dat dit alleen voort kan komen uit het lezen van dit stuk, dat voor oom natuurlijk een bepaald kapitaal moet vertegenwoordigen.

Ik was juis bezig iets te zoeken, dat mij afleiding zou kunnen geven, toen ik oom hoorde zeggen: „Nellie, je zult het nooit geweten hebben, maar jouw vader heeft nog altijd een schuld aan mij te betalen, die al jaren oud is.” Ik weet, dat ik hem hierop geen antwoord heb gegeven, omdat ik niet wist, wat ik moest zeggen; ik heb hem dan ook alleen maar stomverbaasd aan zitten kijken, want zonder op een antwoord aan te dringen gaat hij verder: „Ik heb nu besloten om deze acte kapot te scheuren en die aan jouw vader te geven; natuurlijk mag je daar niet met je tante over spreken.” Onderwijl hij de laatste woorden uitspreekt hebben zijn sterke handen het vergeelde papier reeds kapotgescheurd en mij in de handen gedrukt.

Waarom ik het gedaan heb, weet ik nog niet, maar een bepaalde drang deed mij opstaan en spontaan kuste ik mijn oude verleider midden op zij’n mond. Ik voelde intuïtief, dat de daad van oom ten opzichte van mijn ouders iets heel bizori-ders geweest was en nu reeds genoot ik van de verbaasde gezichten van mijn ouders als zij de kapotgescheurde stukken in handen zouden hebben, waardoor een oude schuld was opgeheven.

„Waarom hebt U dat gedaan, oom”, hoorde ik mij zelf zeggen en toen zag ik iets, dat ik nooit zou vergeten.

De oude stuurse man had tranen in de ogen, toen hij naar me toekwam, mij bij de schouders pakte en zachtjes tot mij zei: „Kleintje, jij hebt mij zo gelukkig gemaakt”, dan draaide hij zich om, om met de buitenkant van zijn ruige boerenhanden de opkomende tranen weg te vegen.

Ik geloof nu nog, dat ik op dat moment op een onbekende manier van oom gehouden heb. Ondanks mijn jeugd kon ik toentertijd aanvoelen, wat een ellendig leven, deze zo vitale man gehad had. Het bezit van het geld was geen compensatie gebleken voor het missen van ieder gevoel van liefde of genegenheid. Nu eerst had het leven ook voor oom iets weggelegd, wat hij allang vergeten had.

Ik was blij en gelukkig toen ik zag, dat oom zo heel anders geworden was. Hetgeen ik met oom gedaan had, beschouwde ik op dat moment niet meer als iets, dat verkeerd was; mijn gevoel zei me, dat hij daardoor gelukkig was en voor mij was hij toch niets anders dan het middel, dat mij de bevrediging kon brengen, omdat ik verder toch van alles en iedereen verlaten was.

Van Mark, die mij geleerd had wat de sexuele bevrediging was, hoorde of zag ik niets meer, de enige herinnering, die hij mij achtergelaten had, was een steeds vuriger verlangen naar de samenleving. Daarom was het ook, dat ik niet met afkerige gedach­ten bezield was ten opzichte van mijn oom. Het enorme leeftijdsverschil deed mij niets; in de donkerte van de kamer kon ik met gesloten ogen niet zien, wie het was, die mij geruststelde. Met gesloten ogen kon ik mij diegene voor de geest halen, die ik in gedachten had uitgezocht om de begeerten van mijn hongerige lichaam te stillen. Ik voelde en wist met absolute zekerheid, dat oom, zo dikwijls hij maar wilde in mij het object kon vinden, waarop hij zijn hartstochten kon botvieren.

De torenklok van de naburige kerk sloeg negen uur, toen ik aanstalten maakte om naar bed te gaan. Ook oom vond het schijnbaar laat genoeg, want toen ik er hem op attent maakte, dat het al negen uur was, sprong hij uit zijn stoel en zei mij, dat hij mij naar boven wilde brengen.

Samen gingen wij de trap op die naar mijn kamer leidde. Geen van beiden sprak een woord, ook niet toen oom zo goed als ik, zich uitkleedde en gelijk met mij in mijn bed ging liggen. Voorzichtig drukte hij mij tegen zich aan en juist zoals Mark dat vroeger gedaan had, begon ook hij mij zachtjes te strelen. Zijn grote lichaam was dicht tegen mij aangedrukt en daardoor merkte ik, dat ook zonder mijn hulp hij reeds zover was om bij mij te komen.

De torenklok sloeg half tien, toen we beiden in een diepe slaap vielen, volkomen uit­geput door de korte maar zo hevige paring. Ik kan me levendig voorstellen, Jan, dat je bij je zelf zult denken, hoe het godsmogelijk is, dat een zo jong meisje zich volkomen kan overleveren aan de wellustgevoelens van een oude man. Zelf heb ik daar later ook dikwijls aan gedacht; dikwijls heb ik mij afgevraagd of mijn gevoelen voor oom, hoe gek het ook moge klinken, een soort liefde was, maar met zekerheid kan ik zeggen, dat het enkel en alleen hartstocht was. Ik zocht de bevrediging van mijn door Mark opgewekte verlangens en wie mij dit kon geven interesseerde mij niet; ik zag in oom alleen het middel, die waardoor ik mijn doel kon bereiken.

Toentertijd reeds wist ik, dat het de hartstocht was die onze normale gedachtenloop zo benevelde, dat wij eigenlijk nergens meer aan dachten; niet aan het abnormale, dat toch in onze verhouding gelegen was, noch in het gevaar, dat een samenleving met oom met zich bracht, omdat hij geen enkele keer, ondanks mijn verzoeken daartoe, voor­zichtig was.

Twee maanden na deze gebeurtenissen sterft tante Berta. Geen enkel spoor van ziekte was er aan haar dood voorafgegaan. Het was op een zondagmorgen, dat oom haar in de tuin vond; de zo snel mogelijk geroepen dokter kon niet anders dan de dood door hartverlamming constateren.

Oom is stil geworden. Ik geloof, dat de eerbied voor de dood hem zo stilzwijgend en in zichzelf gekeerd doet zijn; verdriet om het verlies van zijn vrouw, die toch eigenlijk nooit zijn vrouw geweest was, kan deze man niet opbrengen, ik geloof veel eerder, dat de veranderde situatie hem enigszins uit zijn evenwicht geslagen heeft. Het is enige weken na de begrafenis van tante; ik was juist aan het werk in de altijd donkere huiskamer; als oom binnenkomt, Aan zijn luidruchtigheid merk ik, dat er iets gebeurd is en weldra constateer ik dan ook. dat hij gedronken heeft. ’s Morgens vroeg al is hij naar de melkfabriek gegaan om het melkgeld te incasseren en zoals hij mij vertelde, had hij met enkele andere boeren een borrelt] e gedronken. Het was toen al weken geleden, dat oom mij ook maar in de geringste mate had lastig gevallen; nu echter zag ik aan zijn gezicht, dat die veranderde houding iets van voor­bijgaande aard geweest was, want juist toen ik aanstalten maakte om hem een kop koffie in te schenken en daardoor vlak bij hem ging staan, had hij kans gezien met zijn handen onder mijn rokken te komen.

en op dat moment, wilde ik proberen hem van mij af te houden, omdat alle deuren open stonden en de mogelijkheid bestond, dat een leverancier naar binnenkwam. Het was echter vergeefse moeite.

Aangemoedigd door de drank en zijn wekenlange sexuele onthouding hadden geheel zijn zinnen beneveld. Als een wild geworden dier trok hij mijn blousje open, zodat mijn borsten eruit sprongen, dan voel ik me opgetild worden en op de grond gelegd. Een enkele ruk is voldoende om mijn onderkleding te verwijderen en even later reeds voel ik, dat hij helemaal bij mij is ingedrongen. Als hij opstaat geeft hij me vijftig gulden om nieuwe kleren te kopen.

Vanaf die dag heb ik iedere nacht bij oom geslapen. Nu pas kan ik beseffen, welk een geluk ik gehad heb, dat ik niet van hem in positie gekomen ben.

Een half jaar zal dit zo geduurd hebben en dan komt de dag, dat moeder sterft. Er zit niets anders op dan dat ik naar huis kom om daar de zorg over ons groot gezin op mij te nemen. Ik was inmiddels zestien jaar geworden.

De verhouding met oom was ik moe geworden, vooral omdat hij op het laatst dingen van mij verlangde waar ik afkerig van was. Ik was blij, dat ik weg kon gaan. Mijn zusje van veertien zou in mijn plaats komen. Ik weet nog heel goed, dat ik op het punt gestaan heb, haar te waarschuwen voor eventuele toenaderingen van oom, maar een soort schaamtegevoel hield mij daarvan terug, omdat ik natuurlijk te verwachten had, dat Marietje mij zou vragen of hij me dan ook lastig gevallen had en zij op mijn jawoord alles aan mijn ouders zou vertellen. Ik sprak dus nergens over. Veertien dagen was Marietje al in dienst bij mijn oom, toen ik op een zondagmiddag besloot er eens heen te gaan. In hoofdzaak wilde ik eens kijken hoe mijn zusje het er af bracht en ook was het een soort interesse voor oom, die nu toch verstoken was van datgene, wat ik hem een half jaar lang gegeven had.

Al gauw merkte ik, dat Marietje het werk best aankon en op een vraag van mij aan oom daaromtrent, verzekerde hij mij dan ook, dat ze haar uiterste best deed en dat hij heel tevreden over haar was.

Bij het weggaan vroeg hij me steeds om op vrijdagavond terug te komen; Marietje had dan haar vrije avond en ik begreep natuurlijk wel wat zijn bedoelingen waren. Nadat ik zeker vier of vijf zondagen achter elkaar een bezoek aan mijn oom gebracht had, merkte ik, dat hij mij niet meer vroeg om vrijdagsavonds te komen; aanvankelijk weet ik dat aan het feit, dat ik op zijn voorstel niet was ingegaan, niet, omdat ik niet wilde, maar juist op vrijdagavond had ik het meeste werk thuis met het wassen van de kleine kinderen en het verder beredderen van het huishouden.

Ik had hem dat bij gelegenheid dan ook gezegd en vond het soms wel eens sneu, als ik zijn teleurgesteld gezicht zag. Op dat moment was er geen haar op mijn hoofd, dat er aan dacht, dat ik een plaatsvervangster had gekregen; de verjaardag van oom. waarop ik ook uitgenodigd was. zou mij alles leren en doen begrijpen.

Natuurlijk was het mij opgevallen, dat mijn zuster dikwijls nieuwe spullen aan had en op haar verjaardag zelfs een gouden ring van oom had gekregen, maar oom kennende wist ik, dat vooral na de dood van zijn vrouw, hij totaal veranderd was; het was net alsof met het heengaan van zijn vrouw er een zware last van zijn schouders afgenomen was. Uit ondervinding wist ik toch, dat oom niet gierig was; integendeel er waren momenten, dat hij werkelijk heel royaal met kadootjes wist om te springen. Het enige, dat mij wel opgevallen was tijdens mijn zondagse bezoeken, was, dat oom iedere zondag een stevig borreltje dronk en dat mijn zuster zich regelmatig van een bepaald rood spul wist te bedienen; later hoorde ik, dat dit bessenjenever was. In de verste verte dacht ik niet aan de een of andere verhouding tussen oom en Marietje. Zoals ik reeds zei, was ik uitgenodigd om op de verjaardagpartij te komen. Vader had mij sigaren meegegeven, terwijl ik een paar sokken voor hem had mee­gebracht.

Toen ik op de boerderij aankwam; de kadootjes had afgegeven en oom gefeliciteerd had, zag ik, dat beiden al aan de borrel zaten.

Zonder mij te vragen had Marietje mij ook al een borreltje ingeschonken er bij zeg­gende, dat het eerste niet zo lekker was, maar dat het tweede heerlijk smaakte.

Ik wou geen spelbreker zijn en met tegenzin wist ik het eerste borreltje naar binnen te werken; ook het tweede weigerde ik niet en inderdaad; Marietje had gelijk: dit smaakte veel beter. Die middag heb ik vier van die dingen gehad en toen ik naar huis ging was het net of ik op vleugels gedragen werd. Natuurlijk had ik moeten beloven die avond terug te komen, hetgeen ik ook deed.

Bij mijn binnenkomst hoorde ik heel zachtjes de radio spelen, die oom direct na de dood van tante gekocht had en die hij voor geen geld ter wereld wilde missen, ondanks het feit, dat alle radio’s door de duitsers gevorderd waren. Het was echt gezellig in de halfdonkere kamer. Oom zat een sigaar te roken, terwijl Marietje zich haastte om ook mij weer een borreltje in te schenken.

Met verbazing vroeg ik mij af, hoe het mogelijk was, dat Marietje dat spul zo goed verdragen kon, want toen ik aan mijn vierde glas bezig was, had Marietje er zeker zes gehad.

Ik voelde mij in een uitgelaten stemming komen en toen Marietje mij dan ook goed­moedig verweet, dat ik oom ter gelegenheid van zijn verjaardag nog niet gekust had, sprong ik op en kuste hem spontaan op zijn beide wangen.

Schijnbaar was deze manier van kussen niet naar de zin van mijn zuster, want in de tijd dat zij naar oom toeliep, zei ze mij, dat ik oom zo moest kussen en de daad bij het woord voegend, kuste ze hem op zijn volle mond. terwijl ik zag, dat oom tijdens het kussen zijn hand op haar buste gelegd had, en haar tegelijkertijd op zijn knie trok. Toen nog weet ik de vrijpostigheid, zowel van Marietje als van oom aan de uitwerking van de sterke drank, die ook mij reeds ineen opgewonden toestand gebracht had. Even later zag ik, dat oom het rokje van Marietje geheel naar boven geschoven had, zodat haar bovenbenen bloot lagen.

Geen van beiden toonden enig spoor van schaamte ten opzichte van mij. Ik kon me voorstellen, dat oom geen schaamte had, maar dat Marietje met zich liet spelen in aanwezigheid van haar zuster kon ik me niet begrijpen. Wel stond het toen voor me vast, dat er tussen die twee meer gebeurd was.

Nog zit ik als gehypnotiseerd naar die strijkende handen te kijken als ik uit mijn verdoving wordt opgewekt door de stem van oom, die mij vraagt om ook mijn stoel naast de zijne te zetten en gelijkertijd nog eens de glazen te vullen.

Onbewust voldoe ik aan zijn verzoek en terwijl de stoel van Marietje aan zijn linker­zijde staat, zet ik mijn stoel aan zijn rechterzijde.

Direct, nadat ik gezeten ben, legt oom zijn arm over mijn schouder en mij enigszins tegen zich aandrukkend gelukt het hem boven door mijn blousje zijn hand op mijn blote borst te leggen. Ik verweer mij niet; ook niet als ik zie, dat Marietje gezien heeft, wat hij aan het doen is; het is net alsof door de drank het laatste beetje schaam­tegevoel verloren is gegaan.

Het duurt dan niet lang meer of ook ik zit met ontblote bovenbenen; steeds verder gaat hij; bij mij zowel als bij Marietje, totdat hij het punt gevonden heeft, waar het spelen van zijn vingers mij steeds opgewondener maken.

Dan opeens hoor ik het zuchten en steunen van Marietje, zie ik de bewegingen van haar lichaam en weet ik, dat zijn handelingen haar volkomen van streek gemaakt hebben. Opeens vliegt zij dan op om in minder dan geen tijd zich geheel van haar kleding te ontdoen. Naakt staat ze voor ons, een ondeelbaar ogenblik echter maar, want dan komt ze op mij af, neemt mijn hand en legt die bij oom op een plaats, die ook hem tot razernij brengt.

Wat er verder gebeurde, durf ik zelfs aan jou niet te vertellen. Nu nog schaam ik mij daarvoor. Wel heb ik toen ervaren, dat mijn zuster mij in hevige mate in alles overtrof. Zij was het die steeds opnieuw weer spelletjes uitvond, waar ik nog nooit aan gedacht had. Het was half twaalf geworden, toen ik als geradbraakt naar huis terug­keerde.

Later heeft Marietje mij verteld, dat toen zij veertien dagen in betrekking was, oom haar als het ware overvallen had. Vanaf die tijd was zij bijna dagelijks de zijne geweest.

(einde hoofdstuk 3)

Advertenties
Het zedenschandaal van Venlo – Hoofdstuk 2

Het zedenschandaal van Venlo – Hoofdstuk 2

Woord vooraf van de redactie van de Venloër Grensbode.

Wat hebben wij ons op de hals gehaald? In het kort gezegd komt het op het volgende neer. We hebben alle bladzijden van Het zedenschandaal van Venlo – 1e aflevering  pagina voor pagina met een OCR-programma omgezet in RTF-bestanden en vervolgens in Word-bestanden. Op basis daarvan maken we weer blogs.

Inderdaad, wat een werk. We schrijven dit niet om u een welgemeend en warm applaus te ontlokken, maar om begrip bij u te vragen voor het feit dat we hoofdstuk na hoofdstuk publiceren en niet dit het boekje pats boem in zijn geheel. We vervolgens dus met:

HOOFDSTUK  TWEE

Mijn zakelijke omstandigheden veroorloofden het mij om in de oorlogsjaren een dienst­meisje er op na te houden. Niet dat mijn vrouw het werk niet meer af kon, maar de status verlangde dat schijnbaar en ook de kosten , die het er op nahouden van een dienstbode met zich bracht, betekende voor mij toendertijd geen noemenswaardig bezwaar.

Het was dan ook niet mijn vrouw, die de gedachte opperde om een meisje te nemen, maar ik was het, die daarop aandrong. Ik geloof echt niet, dat ik toendertijd mijn vrouw aanspoorde om een dienstmeisje te nemen uit donkere beweegredenen. Ik geloof eerder, dat ik het echt goed meende en het juist deed om het mijn vrouw in haar huiselijke beslommeringen lichter en ook aangenamer te maken. Ik zelf heb er nooit op aangedrongen om juist een bepaald meisje te nemen. Mijn vrouw was het, die het arrangeerde.

Ik weet me nog heel goed te herinneren, dat ik er, wat dienstmeisjes betrof, een heel aparte gedachtengang op nahield. Ik kon me die alleen voorstellen als wezens, die echt een bekoring waren voor het mannelijke oog.

De teleurstelling, die me dan ook overkwam toen ik het eerste dienstmeisje onder de ogen kreeg, zal ik nooit vergeten. Ze kwam uit een naburig dorp en was zo uitgespro­ken lelijk en zag er zo onverzorgd uit, dat bij het zien van dit exemplaar mijn fantasie­volle gedachten over de aantrekkelijkheden van een dienstmeisje in een slag vernietigd werden. Het liefste had ik haar een maand salaris uitbetaald en haar op de eerste de beste trein gezet, die in de richting van haar woonplaats reed.

Het realiseren van deze gedachte was voor mij natuurlijk een onmogelijkheid, omdat mijn vrouw dan zou gaan veronderstellen, dat ik een dienstbode wilde hebben voor mijn genoegens en dat het niet een uiting zou blijken te zijn van echtelijke bezorgdheid. Wijselijk zweeg ik dan ook in alle toonaarden; zelfs toen mijn vrouw zich bij mij beklaagde over het slechte werk, dat ze afleverde, was ik het, die nog probeerde mijn vrouw over te halen het nog maar eens een weekje aan te zien.

Nooit heeft mijn vrouw begrepen, hoe blij ik was, dat ze op mijn verzoek niet inging; nog geen week na mijn pleidooi voor het lelijke dienstmeisje werd ik aan een ander voorgesteld, die mijn aesthetische gevoelens beter beantwoordde. Ook zij kwam van een dorp.

Zij heette Nellie; was blond; niet groot; had een tenger maar zeer goed geproportio­neerd figuurtje en een gezichtje zoals ik mij dat vroeger in mijn fantasie over dienst­meisjes, had voorgesteld. In een woord: een aantrekkelijk meisje.

Toendertijd; ik was toen drie jaren getrouwd, was de verhouding tussen mijn vrouw en mij zeker niet slecht te noemen. Natuurlijk wist zij, dat ik zowel voor als tijdens ons huwelijk slippertjes gemaakt had, want meerdere malen werd ik door haar op het matje geroepen, als de een of andere goede vriend, haar met bepaalde bedoelingen, in geuren en kleuren ging vertellen, dat hij mij met dit of dat grietje had gezien. Vooral in het begin van ons huwelijk ging „dat op het matje roepen” altijd gepaard met de hevigste scènes.

Maar zoals het met alles gaat in het leven: Men went overal aan, en de hevige uitbar­stingen van vroeger werden allengs minder, totdat zij op het laatst maar berustte, toen zij toch merkte, dat het geen steek hielp. De smarten, die de ontrouw van haar echtge­noot haar bezorgde, werden echter in grote mate verzacht door de massa geld, die ik binnenbracht.

Het is zeker niet zo, dat ik van mijn vrouw niet gehouden heb; met zekerheid durf ik het tegendeel te beweren en zelfs nu nog, jaren na onze scheiding, kan ik alleen aan haar denken met de meeste hoogachting.

Ik weet echt niet hoe het kwam; of nu het lot of het noodlot mij parten speelde; altijd geraakte ik in gezelschap van meisjes en altijd was het eind van het liedje; een langere of kortere verhouding. Of het een zwakte mijnerzijds was, die mij eeuwig en altijd deed sneuvelen voor vrouwelijke charmes, weet ik niet; wel weet ik, dat de meisjes ook sneuvelden. Zo zou het ook met mij gaan ten opzichte van Nellie en zij ten opzichte van mij.

Na een week reeds bemerkte ik aan haar houding en aan andere dingen, die ik echt niet nader noemen kan, dat ze niet afkerig was van toenaderingen mijnerzijds. Vooral, als zij in de keuken bezig was en ik om de een of andere, gerechtvaardigde of niet gerechtvaardigde reden, daar ook iets te zoeken had, voelde ik aan haar blikken, dat zij mij zeker niet terug zou stoten als ik pogingen aan zou wenden om haar te kussen.

Het was een paar dagen later, op een zaterdagavond, dat mijn vrouw haar moeder naar huis bracht en ik haar voor de eerste keer in mijn armen nam.

Geen ogenblik had ik er die avond aangedacht, dat datgene wat ik verwachtte nu reeds zou gaan gebeuren; zelfs op dat moment drong het niet tot mij door, dat Nellie reeds lang geen maagd meer was en het waren niet alleen haar hartstochtelijke kussen maar vooral de dwingende bewegingen van haar mooie lichaam, die mij deden begrijpen, dat zij zich geheel aan mij wilde geven.

Als mijn vrouw een uur later thuis komt is alles voorbij en geen mens ter wereld zou ook maar iets aan ons gemerkt hebben. Voor de eerste keer had zij zich geheel en al aan mij gegeven. Nu ik bezig ben dit alles op papier te zetten, zie ik in mijn gedachten Itijd dat mooie engelengezichtje; denk ik weer terug aan die tijd, vooral aan de beginperiode van haar verblijf bij ons, toen ik in de vaste overtuiging was, dat dit kind nog nooit iets op het gebied van de sexualiteit had meegemaakt. Denk ik weer terug aan die fatale avond, toen mijn vrouw haar moeder naar huis bracht en ik haar in mijn armen nam en even later, aangemoedigd door haar vurige kussen, bezit van haar nam.

Ook de daarop volgende keren, als wij intiem waren, gebruikte zij haar lichaam op een manier, die een normaal mens tot razernij bracht.

Ik geloof nu nog, dat het van haar kant in ieder geval een gevoel van liefde ten opzichte van mij was, want niet alleen tijdens de samenleving sprak zij van liefde maar ook op momenten, dat wij even alleen waren pakte zij mijn handen vast om die dan tegen haar borst te drukken. Haar gehele manier van doen straalde alleen liefde uit. Jaren later zou ook dit meisje tegen mij moeten getuigen; dit meisje, dat mij haar

gehele levensgeschiedenis vertelde en mij later in de gevangenis nog kaarten stuurde. Ook voor haar zou ik veroordeeld worden; voor onze daden, die ons dikwijls tot de gelukkigste mensen maakten zou ik later als zedenmisdadiger bestempeld worden. Mijn intieme verhouding met Nellie duurde zeker al drie maanden, toen mijn vrouw op een zaterdagmorgen naar familie ging in Holland om daar het weekend door te brengen. Twee volle dagen zouden wij het rijk alleen hebben. Tijdens deze dagen vertelde zij mij, wie het geweest waren, die haar de geheimen der erotiek geleerd hadden.

Als kind van arme maar heel nette mensen kwam zij als veertienjarige in betrekking bij een doktersgezin. Hoe zich verder alles afspeelde zal zij U, via mij vertellen: „Zoals je weet, Jan, hebben wij een groot gezin; vader, moeder en dan nog negen kinderen, waarvan ik de oudste ben.

Vanaf het moment, dat ik de lagere school bezocht, was voor mij de tijd aangebroken om na schooltijd moeder in het huishouden te helpen. Als andere kinderen van mijn leeftijd buiten aan het spelen waren, stond ik de afwas te doen of reeds alles klaar te maken voor het avondeten.

Hoe gek dat het ook moge klinken; ik ben er nooit kwaad om geweest, dat ik zo jong reeds al dat werk moest verrichten, omdat ik zag, dat het voor moeder een onmogelijk­heid geweest zou zijn dit alleen te doen. Het was niet alleen het huishouden, dat zij te regelen had, maar ook het kleine stukje land, dat achter ons huis gelegen was, moest zij bewerken.

Dit stukje land was voor moeder het hoogste bezit. Niet alleen de groenten, die zij daarop kweekte was haar grootste geluk, maar het heel kleine stukje grond, dat zij voor de bloemen gereserveerd had, maakte een deel van haar eentonige leven uit. Bloemen hadden in het hart van moeder een bizondere plaats ingenomen. Meerdere malen heb ik het meegemaakt, dat het humeur van haar, door allerlei huiselijke zorgen en beslommeringen, beneden peil was; maar als zij dan de tuin in ging en weer met een ruiker bloemen terugkwam, was haar humeur geheel omgeslagen. Zij had dan ook volstrekt verboden, dat wie ook, aan haar privé-tuintje mocht komen; ook vader niet, die na het beëindigen van zijn gewone dagtaak ’s avonds het stukje land verder bewerkte.

In tegenstelling tot zijn broer was vader een gewone dagloner, die dan bij deze boer, dan weer bij die boer probeerde de kost voor zijn groot gezin te verdienen. Vaders broer was rijk en stond in de hele omgeving daar dan ook voor bekend. Hij was getrouwd, maar kinderen waren uit dit huwelijk niet voortgekomen. Ondanks het feit, dat het spelen in mijn jeugdjaren vervangen was door hard werken, ben ik thuis altijd gelukkig geweest. Ik wist niet beter of het was de gewoonste zaak van de wereld, dat ik ’s avonds, als de kleinen naar bed waren, hun jurkjes, die ze die dag gedragen hadden moest gaan wassen voor de volgende morgen en ik weet nog goed, hoe trots ik was, als ik hun de volgende morgen in mooi gewassen en gestreken kleding weer naar school zag gaan. Ondanks onze armoede waren wij een gelukkig gezin. Het was dan ook met de grootste tegenzin, toen ik hoorde, dat ik een betrekking als dienstmeisje had gekregen in het „Hoge Huis”, zoals de woning van de dokter werd genoemd. Ik begreep echter, dat het moest, omdat de paar guldens, die ik daar ver­diende, hard nodig waren in het huishouden. Alleen de angst, die ik voelde, om bij die deftige mensen te gaan werken, zal ik nooit vergeten.

In het hele dorp was het bekend, dat alleen de inrichting van het huis reeds duizenden guldens gekost had en dat er antieke spullen bij waren, die onbetaalbaar waren. In mijn gedachten zag ik zo’n duur ding, kapot gevallen, voor mijn voeten liggen en een wee gevoel bekroop me dan. Eindelijk was het dan zo ver, dat de dag van in­diensttreding was aangebroken.

Moeder en ik hadden de vorige avond mijn hele garderobe nog eens nagekeken; een klein handkoffertje, geleend bij de buurman, was groot genoeg om alles te bevatten. De ontvangst in het doktersgezin was allerhartelijkst. Mevrouw probeerde mij vanaf het eerste uur op mijn gemak te stellen en mijn schijnbaar zichtbare schroom te doen overwinnen.

Het hele huis liet zij mij zien, behalve de kamer van de zoon des huizes, die, zoals zij zei, door hem zelf onderhouden werd.

Ook het eten met mes en vork had zij mij gauw genoeg geleerd en na een paar weken voelde ik mij als kind in huis.

Mevrouw wist echter niet wat ze voor me doen moest; dan kreeg ik weer een nieuwe jurk, dan weer dekens voor thuis, soms zelfs wat geld, dat ik direct naar huis rnocht brengen.

Het doktersgezin bestond uit drie personen: de dokter; zijn vrouw en de achttienjarige zoon, die geen dokter wilde worden maar advocaat. De dokter zag ik, behalve tijdens de maaltijden, bijna nooit. Als hij uit de praktijkkamer of van de visites terugkwam, verdween hij direct in zijn studeerkamer. De zoon, Mark heette hij, zag ik dikwijls.

Ik had nog nooit iets op het gebied van de sexualiteit meegemaakt en het enige, dat ik wist was, dat er een verschil was tussen jongens en meisjes en dan die bepaalde dingen, waarover op school stiekem gesproken werd, maar waarvan de meeste, ook ik, niets of niet veel begrepen. Thuis werd over zulke dingen nooit gesproken.

Toch, intuïtief, voelde ik aan de blikken van Mark, dat er iets was, wat me enigszins bang voor hem maakte. Wat dat nu juist geweest is, weet ik heden ten dage nog niet; ik zou er geen verklaring voor weten te geven.

Mark was altijd erg vriendelijk en goed voor mij; als hij een stuk chocolade had, kon ik er zeker van zijn, dat de helft voor mij was; dat hij bij een dergelijke gelegenheid mijn hand vastpakte en die dan stevig drukte, beschouwde ik als een vriendelijkheidje zijnerzijds. Zelfs, toen hij op een keer een ondeelbaar ogenblik zijn hand op mijn buste legde zag ik daar geen kwaad in.

Ik beschouwde Mark als een oudere broer; mijn intuïtieve angstgevoelens waren dan ook spoedig verdwenen.

Twee maanden was ik in dienst bij de dokter, toen mevrouw me vertelde, dat ze die dag met de dokter naar een naburige stad ging en niet voor ’s avonds laat terug zou komen. Allerlei instructies gaf ze mij en drukte mij vooral op het hart goed voor Mark te zorgen. Ik beloofde haar dat en begon in volgorde haar opdracht te vervullen. Het zal drie uur in de middag geweest zijn, als ik plotseling de stem van Mark hoor, die mij verzoekt lucifers naar boven te brengen. Een eigenaardig gevoel bekruipt mij als ik boven aan de kamerdeur van Mark klop en op zijn „Binnen” voor de eerste keer het heiligdom binnenstap.

Het was de eerste keer, dat ik in deze kamer sta. Onwillekeurig neem ik in een mini­mum van tijd de hele kamer in mij op en constateer; een beetje tot mijn verbazing, dat er alles schoon en proper uitziet.

Mark zelf zit weggedoken in een diepe fauteuil en is schijnbaar helemaal verdiept in 4 een boek, dat op de leuning van de stoel ligt.

Ik zelf sta, met de lucifers nog in de hand, naar de wand te staren, die als het ware, geheel behangen is met foto’s van filmsterren, die er schijnbaar een wedstrijd van maken, wie met de minste kleding het meeste kunnen laten zien.

„Ik geloof, dat die filmsterren je wel interesseren”, hoor ik Mark plotseling zeggen; gelijkertijd is hij uit zijn stoel opgestaan en heeft een arm om mijn schouders geslagen. „Deze hier is Greta Garbo, en deze is Mary Pickford”, hoor ik Mark uitleggen, onder­wijl hij met zijn vrije linkerhand op de door hem bedoelde filmsterren wijst. Ik was toentertijd nog nooit in een bioscoop geweest en ook de foto’s, die ik nu te zien kreeg, waren mij nog nooit onder de ogen geweest. Ik was het dan ook, die Mark vroeg mij alles te laten zien, omdat ik een grote interesse begon te krijgen voor die mij totaal onbekende, geheimzinnige wereld.

Dan opeens, tijdens zijn explicaties, voel ik, dat Mark zijn hand op mijn buste heeft gelegd. Een eigenaardig, onbekend gevoel bekruipt mij; het is alsof een schok door mijn gehele lichaam gaat en dat Mark dit gevoeld heeft, want zonder enige tegenstand kust hij mij op de mond en voel ik, dat hij de knopen van mijn blousje losmaakt en hij met zijn hand mijn kleine, stevige borsten betast. Zeker tien minuten blijven wij tegenelkaar staan; Mark, mij dan weer kussend dan weer steviger nog tegen zich aan­drukkend en steeds maar spelend met die nu geheel blootliggende borsten. Ik hoor nu nog de stem van Mark, die mij zegt, dat hij gek op me is en dat hij mij nog heel dikwijls zal kussen.

Ik voel, dat ik verliefd ben, heel erg en in datgene, wat Mark met me gedaan heeft zir-ik alleen een uiting van liefde. Hij vraagt me, hoe het me in hun huis bevallen is en dan vertel ik hem, hoe me alles zo is meegevallen; hoe ontzettend lief ik zijn moeder vind en hoe ik er zo tegenop heb gezien om te komen, omdat ik bang was voor al die deftigheid, waar ik van gehoord had. Ik vertel hem, dat zijn moeder zo goed voor me was, mij dikwijls iets kocht en ook nog wel eens wat meegaf voor de kinderen thuis. Als hij mij na een uur tot aan de deur begeleidt zegt hij: „Klein schatje, probeer zolang mogelijk bij ons te blijven en mocht er ooit iets zijn, dat jouw kleine hartje bezwaart, kom dan naar me toe en vertel me dan alles.”

Zulke lieve woorden had nooit iemand tegen mij gezegd; toen ik dan ook de trap afliep huilde ik van geluk.

Ik begrijp nu, dat alles wat Mark mij op die middag en ook later gezegd heeft alleen bedoeld was om mij gek te maken. Voor mij echter klonken zijn woorden als muziek in de oren. Dag en nacht dacht ik alleen aan Mark en waren wij een ogenblik ergens alleen dan was ik het, die hem een zoen gaf en die ernaar verlangde, dat hij, al was het maar voor een kort ogenblik, met mijn borsten speelde.

Een week na mijn bezoek op Mark zijn kamer gaan mevrouw en de dokter opnieuw op reis. Nu niet voor een dag maar voor twee dagen.

„Het is niet nodig, Nellie”, hoor ik mevrouw nog zeggen, „dat je beide dagen hier blijft; zorg ervoor, dat je vandaag alles aan kant krijgt en neem er dan morgen maar een vrije dag van.”

Ik ben nu alleen met Mark. Samen zijn we het huis weer binnengegaan, nadat wij van de dokter en zijn vrouw aan het tuinhek afscheid hebben genomen. Hij loopt regel­recht de trap op en voor de rest van de dag laat Mark zich niet meer zien. Eerst bij het avondeten zie ik hem weer.

We spraken geen woord en aan zijn hele doen en laten merk ik, dat er iets is, dat hem dwars zit; de anders zo levenslustige en praatgrage Mark is nu teruggetrokken en stil. Beiden spreken we geen woord en het is dan ook een hele opluchting voor mij, als hij van tafel opstaat en naar boven gaat. Ik besluit dan ook om de afwas nog te doen en dan naar huis te gaan.

Juist op het moment, dat ik de laatste kopjes in de kast wil zetten hoor ik de stem van Mark, die mij vraagt, voordat ik wegga, nog even bij hem te komen. Ondanks het feit, dat ik Mark de hele dag niet had gezien en geen enkel kusje van hem had gehad, voelde ik, dat er iets zou gaan gebeuren; wat, wist ik natuurlijk niet, maar steeds weer kwamen die verboden schoolgesprekken bij me boven.

Het was een beangstigend maar toch gelukkig gevoel, dat ik had, toen ik de kamer van Mark binnenging. Aan mijn gezicht moet Mark wel gemerkt hebben, dat ik enigszins overstuur was, want zijn eerste woorden, die hij tot mij spraken waren woorden van geruststelling.

„Ik heb je geroepen, Nellie, omdat ik er behoefte aan had nog even met je te praten”, ging hij verder en toen ik er hem op attent maakte, dat hij de hele dag zo stuurs was geweest, deed hij alsof hij mijn woorden niet gehoord had.

Heden ten dage geloof ik nog, dat Mark toen een hevige tweestrijd met zichzelf heeft eten voeren en dat uiteindelijk zijn hartstochtelijke gevoelens over zijn betere IK gezegevierd hebben.

Inmiddels was hij naar me toegekomen, had mijn hand vastgepakt en mij als een klein kind naar de in zijn kamer staande divan gebracht en mij daarop neergelegd, terwijl hij geknield voor de divan zat.

Het duurde niet lang of ik lag met geheel ontbloot bovenlichaam, terwijl hij steeds vuriger en opwindender mijn gehele bovenlichaam met kusjes bleef bedekken. Ik had de ogen gesloten en een gevoel, zo heerlijk, zo overrompelend als ik nooit tevoren gekend had, doorstroomde mijn gehele lichaam.

Opkomende angstgevoelens werden direct door gevoelens van hartstocht, nieuwsgierig­heid en vooral ook van liefde op zij gezet.

Zonder enige tegenstand liet ik Mark begaan en toen zijn hand eindelijk een bepaald plekje gevonden had, was ik het, die hem de gelegenheid gaf zijn spelletje zover door

te voeren als hij zelf maar wilde. Het spel zijner vingers bracht mij tot razernij; ik had een gevoel alsof mijn hoofd uit elkaar zou barsten en mijn hart bonsde zo hard, dat ik meende, dat het overal te horen zou zijn.

Maar Mark gaat verder; er is geen plekje meer op mijn gehele lichaam of de handen van Mark hebben het betast en geknuffeld; dan is hij zover, dat het laatste kledingstuk van mijn lichaam glijdt en ik naakt op de divan lig.

Van wat toen volgde kan ik me niet veel meer herinneren; alleen een stekende pijn; een wild met zijn lichaam bewegende Mark en dan een stilte, die alleen onderbroken werd door Marks hijgende ademhaling. Het was de eerste keer, dat mijn lichaam door een man gebruikt werd.

Ik weet niet, hoelang ik, nadat alles afgelopen was, nog op de divan gelegen heb, wel weet ik, dat ik innig gelukkig was.

Het kon niet anders of Mark moest wel heel veel van me houden, want in mijn onnozel­heid beschouwde ik wat we gedaan hadden als een uiting van de grootste liefde. Nog geen half jaar later zou ik merken, dat een bepaalde toenadering, die een man zoekt tot een meisje in de meeste gevallen geen uiting van liefde maar een drang naar bevrediging is. Toendertijd was ik daar nog te dom voor en door het feit, dat Mark bezit van mijn lichaam had genomen, beschouw ik mezelf als zijn vrouw. De dagen en weken die hierop volgden waren voor mij tijden van opperste gelukzalig­heid en iedere keer als wij een ogenblik alleen waren, was het Mark, die mij zijn liefde verklaarde en gelijkertijd bezit van me nam.

Ik gaf me aan Mark zoals alleen een meisje, dat hevig verliefd is, zich kan geven, zonder schroom, zonder angst voor eventuele gevolgen; met volledige overgave. Dan op zekere avond krijg ik bericht van vader, onmiddellijk naar huis te komen. Ik kan me niet voorstellen, wat er gebeurd kan zijn en de meest idiote gedachten gaan door me heen. Ik zie moeder al verongelukt of een van de kinderen. Met de grootste spoed vlieg ik naar huis toe om daar te vernemen, dat ik mijn betrekking bij de dokter op moet geven en bij mijn vaders broer in dienst moet gaan.

Wat heb ik die goede vader van mij toen gehaat; hoe heb ik toen gehuild en in wan­hoop gesmeekt toch bij de dokter te mogen blijven.

Niets baatte. Ik zou en moest naar die andere betrekking. Later hoorde ik, dal ook” vader mij niet graag naar zijn broer had laten gaan, maar een oude geldschuld dwong hem zo te handelen.

Ik wist dat niet en had me inmiddels zelf wijs gemaakt, dat mijn ouders het mij niet gunden, dat ik er mooi bij liep en er goed verzorgd uitzag.

In mijn onnozele verliefdheid gaf ik mijn ouders de schuld: als die grote liefde tussen Mark en mij kapot zou gaan. Het was voor mij een zwaar gelag toen ik, teruggekomen in „Het hoge Huis” mevrouw moest vertellen, wat vader besloten had. Op mijn vraag aan haar of zij nog eens bij vader wilde proberen om mij hier te laten, antwoordde zij, dat zij zich niet bemoeien kon met beslissingen, die de ouders hadden genomen. Volgens mevrouw zouden mijn ouders zeker wel een gegronde reden hebben om hun dochter bij een oom in betrekking te doen. De verwachte, wanhopige scène met Mark bleef tot mijn grote verbazing uit. Ik had niet anders verwacht of Mark zou bij het horen van mijn vertrek, op zijn minst, in tranen uitgebarsten zijn, maar ook dit bleek niet het geval.

Zijn enige reactie was: „Nellie, er is niets aan te doen, ik vind het natuurlijk heel jammer, maar er zijn gelegenheden genoeg om ons dikwijls te treffen.” Een paar dagen voor mijn vertrek; Mark en ik waren alleen bezwoer hij mij opnieuw zijn grote liefde en toonde dit weer door mij geheel tot de zijne te maken.

Mijn eerste betrekking was voorbij; de tweede zou bijna beginnen, hoe het daar zou zijn stond in de sterren geschreven.

(Einde twee hoofdstuk. Lees hier het eerste hoofdstuk: https://venloergrensbode.wordpress.com/2019/04/10/literair-bijlage-van-woensdag-10-april-2019-het-zedenschandaal-van-venlo-1/)

 

Het zedenschandaal van Venlo – Hoofdstuk 1

Het zedenschandaal van Venlo – Hoofdstuk 1

Woord vooraf van de redactie van de Venloër Grensbode

Met een OCR-programma hebben we alle pagina’s van Het Zedenschandaal van Venlo omgezet in Wordbestanden.  We voegen die in blogs samen. Per hoofdstuk een blog. Daarmee wordt de volledige tekst van dit schier onvindbare werk voor iedere geïnteresseerde toegankelijk.

EERSTE HOOFDSTUK

5 mei 1947.

Venlo viert zijn bevrijdingsdag. Overal is muziek; de cafés zijn overvol en in de danszalen is geen plaats meer te krijgen. In een naburig dorp, waar het kermis is heb ik de avond doorgebracht en eerst tegen elf uur ben ik naar Venlo gereden om daar het feest verder voort te zetten.

Ik ben niet dronken als ik een danszaal binnenga; een onbestemd gevoel zegt mij, dat er spoedig iets met me zal gaan gebeuren.

Ik weet, dat een arrestatie niet lang meer op zich zal laten wachten. Het is me zelfs een raadsel, dat ik nog steeds vrij rondloop, omdat ik weet, dat de koortsachtig werkende recherche van Venlo reeds vele arrestaties onder mijn vrienden en kennissen heeft verricht.

Heel Venlo gonst van de geruchten omtrent het aantal, dat reeds achter slot en grendel zit; namen worden genoemd van vooraanstaande personen, die ook in dat zaakje betrokken zouden zijn.

De volksmond, die alles beter weet, beweert, dat er al kinderen naar het ziekenhuis gebracht zijn met geslachtsziekten, waarvan ik de namen vergeten ben. Het vonnis van het volk is eenparig: uitmoorden.

De zenuwachtigheid, die mij de gehele dag parten heeft gespeeld, is door de drank geslonken; het interesseert mij niets meer wat er verder zal gaan gebeuren. Ik weet, dat de dag niet ver meer is of voor mij zal er ook een celletje gereserveerd worden op een of ander politiebureau. Inderdaad, mijn gevoelens waren goed geweest.

Nog zie ik de eigenaar van dat danslokaal naar mij en de in mijn aanwezigheid zijnde kennis komen met de mededeling, dat er in de gang een paar heren staan te wachten. Ik betaal de vertering en rustig stap ik naar buiten en vraag de daar wachtende heren, wat er van hun dienst is. Hun antwoord is, dat we even mee naar het bureau moeten; op mijn vraag waarom dat nodig is, antwoordden ze, dat er ze totaal niets van weten en dat het wel een of andere formaliteit zal zijn.

We gaan rustig mee en nog hoor ik de torenklok van de Martinuskerk twee uur slaan, als ik mij op de brits in de cel van het Venlose politiebureau ter ruste leg. De zedenmisdadiger, die later de zwaarste straf zou krijgen, had de rij van arrestaties gesloten.

Ik zal de lezer geen volkomen beschrijving geven wat het is om vier dagen in een cel op het politiebureau door te brengen, want ieder politiebureau heeft, naar mijn onder­vinding weer andere gewoonten en ook andere cellen. Een verblijf in de cellen van het politiebureau te Venlo is niet te beschrijven. De voortdurende penetrante stank, die dag en nacht ïn de cellen hangt is, nog erger dan de meestal smerige en kapotte dekens, die de verdachten krijgen.

Ik schrijf dit niet, omdat ik misschien haatgevoelens koester tegen alles en iedereen, die iets met het Venlose politiebureau te maken hebben, maar alleen omdat er geen zinnig mens bestaat, die mij van het tegendeel kan overtuigen.

Het eten is niet slecht, maar juist vanwege die ontzettende beestenstallucht is het voor de meeste gearresteerden onmogelijk van dit eten te genieten.

Het zijn zulk een mensonterende verblijven, dat ze zelfs voor die groep liederlijke zedenmisdadigers nog te slecht waren. In tegenstelling tot de verschrikkelijke toestand van die varkenshokken waren de agenten zowel als de rechercheurs beste en vooral zeer behulpzame mensen. Natuurlijk deden de verbaliserende rechercheurs alles om klaarheid te brengen in een zaak, die de gemoederen in Venlo zo in beroering had gebracht. De ijver van speciaal één rechercheur ging zover, dat hij ook meisjes naar het bureau liet komen, die, wat leeftijd betrof, oud genoeg waren om, zoals de wette­lijke benaming heet, ontucht te mogen bedrijven.

In totaal zouden in een paar dagen tijds drie-en-tachtig meisjes de revue passeren. In dit gehele totaal waren vier meisjes, die de leeftijd van 16 jaar nog niet bereikt hadden. De jongste was veertien terwijl de anderen vijftien jaar waren. Van meisjes in de leeftijd van tien, elf tot twaalf jaar was in het geheel geen sprake; de ziekelijke fantasie van het volk had de juiste leeftijd, schijnbaar voor hun genoegen, met enkele jaren ingekort. Al deze meisjes, die op de een of andere wijze in het proces betrokken waren, waren volgens reclasseringsambtenaren en ambtenaren van de justitie onschuldige slachtoffers.

Toen ik enige tijd later overgebracht was naar het Huis van Bewaring in Roermond en ik in de eenzaamheid van mijn cel wel eens lag na te denken over de woorden van die reclasseringsambtenaar, die ik in het begin van dit relaas reeds vermeld heb, dan was het mij onmogelijk om zelfs, gezien de toestand waarin ik verkeerde, ernstig te blijven. Ik moest dan denken aan de verhalen, die verschillende meisjes mij verteld hadden over hun ervaringen op het gebied van de sexualiteit; hoe zij in hun prille jeugd reeds verleid waren door mannen, die niet bekend waren aan de justitie en die nu nog rond-^ lopen met het predicaat: fatsoenlijk.

Ik moet dan denken aan de jongste van de „slachtoffers”, die reeds een jaar voordat zij in aanraking kwam met een der latere verdachten dikwijls ’s nachts met smokke­laars meeging om hun behulpzaam te zijn met het vervoeren van spullen van en naar Duitsland. Hoe zij toen reeds evenveel jenever dronken als die volwassen avonturiers en zich bij die gelegenheden dikwijls door hun liet gebruiken; dan moest ik denkb­aar! de ouders van dat meisje, die haar de vrijheid gaven om met die mannen mee te gaan en die later, in onze tijd ’s nachts tot twee uur op de danszalen of in de kroeg rondhing, zich volkomen bedronk en dan zich in de armen van die man legde, die haar daarom verzocht.

Datzelfde onschuldige wezentje kende zoveel van de techniek van het lief delven, dat menige oudere man later versteld stond van datgene, wat dit meisje hun kon geven. Dan weer zag ik het meisje, dat reeds lang voor onze tijd zich had afgegeven met haar eigen vader, die er wel voor gezorgd had, dat toen zij in handen van andere mannen viel, zij de knepen van het vak volkomen onder de knie had.

Dan weer dacht ik aan de verhalen van die meisjes, die ik persoonlijk goed gekend had en die mij alles verteld hadden, wat zij op het gebied van de sexualiteit hadden meegemaakt. De lezer zal later zelf kunnen beoordelen of het allemaal zulke onschuldige schepseltjes waren.

En daarom heb ik dan ook besloten om in het verdere verhaal sommige meisjes aan het woord te laten, die ik goed gekend heb.

Ook deze meisjes waren op het oog onschuldige wezentjes, en juist daarom kan ik goed begrijpen, dat er vele ouders waren, die echt nog geloofde in de onschuld van hun dochter, en over ons en vooral over mij niet anders konden denken dan in die gedachtegang, die ook de ambtenaren er op nahielden. Zij wisten niet, dat toen zij met ons, of liever gezegd in de meeste gevallen met mij, in aanraking kwamen, er niet veel meer was op het gebied van de erotiek, dat hen nog bijgebracht kon wórden. Ik ben ervan overtuigd, dat er nu nog velen zullen zijn, die na alles gelezen te hebben met zelfverzekerde stem zullen zeggen: „Zo zijn onze dochters niet”, maar diezelfde ouders zullen zich in vele gevallen vergissen.

Heel dikwijls is het zo, dat de gearresteerde zedenmisdadiger niet degene is geweest, die het meisje bedorven heeft. Tijdens de rechtszaak, die betrekking had op onze arres­tatie zou zonneklaar aan het licht komen, dat geen enkele van de slachtoffers gedwon­gen was om iets te doen, wat ze zelf niet wilden.

Allen, zonder uitzondering gingen in op de voorstellen, die de verdachten hun gedaan hadden. Zij allen waren bezeten van dezelfde drang, die ook de mannelijke personen in dit verhaal beheersten.

Inderdaad was het zo, dat de gebeurtenissen, volgens de maatschappelijke etiquette, niet door de beugel konden, maar van enige verleiding onzerzijds was geen sprake: zij, de meisjes verlangden hetzelfde als hun mannelijke partners; zij wilden genieten van het leven; zij wilden uitgaan, dansen, drinken en dan als besluit de lichamelijke bevrediging.

Ik weet met absolute zekerheid uit de verhalen van anderen, maar vooral ook uit eigen ervaring, dat er vele meisjes waren, die zelf aanleiding gaven en die meerdere malen verzochten om mee te mogen gaan, terwijl zij toch heus wel wisten, dat als zij mee­gingen de rozenkrans niet gebeden zou worden.

Verschillende van die meisjes zouden later getuigen moeten zijn; zij zouden degene moeten zijn, die door die „bestiale” bende verleid waren en verkracht.

Tegen die bende zou de Roermondse rechtbank later vonnissen uitspreken, die in geen enkel opzicht stonden ten aanzien van de feiten.

Ik zelf was degene, die de zwaarste straf zou krijgen; ik was het, die inderdaad met een-en-tachtig van de drie-en-tachtig meisjes intieme omgang had gehad, maar geen enkel van de voor de rechtbank getuigende meisjes heeft kunnen verklaren, dat zij gedwongen waren; unaniem verklaarden zij op die 17e juni 1947, dat zij alles vrij­willig hadden meegemaakt.

Het ligt natuurlijk niet in mijn competentie om te oordelen over de beslissingen van een rechtbank, maar wel meen ik te mogen zeggen, dat bij de beoordeling van een strafbaar feit en de vaststelling van de daaropvolgende straf zeker wel eens nagegaan mag worden, hoe de antecedenten van de z.g. slachtoffers zijn.

Als de rechtbank op 17 juni 1947 geweten had, wat ik wist, zou ze nooit zijn over­gegaan tot het uitspreken van die abominabele straffen.

Het is in de verste verte niet mijn bedoeling om te verklaren, dat wij slachtoffers geworden zijn van de wetsbepalingen, maar wel, dat wij allen slachtoffers waren van de tenuitvoerlegging van een bepaald wetsartikel.

Meer dan ooit meen ik nu nog, dat, vooral in een zedenzaak ook onderzocht zal moeten worden hoe het mogelijk was, dat zo iets gebeuren kon. Als dit gebruikelijk zou zijn, dan zou een der verdachten, die tot een maandenlange gevangenisstraf veroordeeld werd zeker niet gestraft zijn geworden.

Deze man, die uit de aard van zijn beroep iedere dag bij de klanten aan huis kwam, liep gewoontegetrouw op een zekere dag bij die klant naar boven en zag daar de minderjarige dochter des huizes spiernaakt op de divan liggen, gereed om alles te aan­vaarden, wat van haar gevraagd zou worden.

Ik hoor de puriteinen al roepen, dat hij dan weg had moeten gaan en inderdaad ik weet daar geen zinnig antwoord op te geven, wel hoop ik, dat diezelfde mensen eens in een dergelijke situatie terechtkomen.

Mijn overtuiging zegt me, dat er bij zijn die dat graag zouden hebben. Voor datzelfde meisje ben ik en vele anderen ook gestraft, terwijl ik in een zaak van een mede­verdachte, die ook voor haar gedetineerd was, heb moeten getuigen. In het verdere verhaal zal ik van dit alles een waarheidsgetrouw verslag uitbrengen. Tijdens mijn maandenlange detentie heb ik over verschillende aspecten in deze zaak dikwijls nagedacht en zo objectief mogelijk geprobeerd om bepaalde handelingen van de zijde van de justitie te kunnen begrijpen. Een van de meest frappante feiten uit die tijd zal ik nooit vergeten.

Tijdens mijn verblijf op het politiebureau werd ik geconfronteerd met een vijftienjarig meisje. Zij was de dochter van een politieagent en geen mens ter wereld wist ook maar iets over dit kind te vertellen. Zij was inderdaad een van de weinige meisjes, die wer­kelijk onschuldig was; maar door een ongelukkig toeval was zij met een der verdachten in aanraking gekomen en deze had het zover weten te brengen, dat hij haar buste over haar kleren heen had mogen betasten. Op de een of andere manier was dit de recher­che te weten gekomen en ook daarvan werd een levensgroot verbaal opgemaakt. De verdachte werd alleen voor dit feit veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf terwijl het meisje, dat van onbesproken gedrag was, voor haar hele leven geblameerd werd.

Het wil er bij mij niet in, dat de wetgever een zo rigoureuze uitvoering van zijn wets­artikel bedoeld heeft. Het onbenullige van deze kwestie had de officier van justitie er toe moeten bewegen deze zaak te seponeren, omdat de toekomst van het meisje alsmede haar goede naam toch zeker niet opgeofferd had mogen worden aan de overtollige ijver van de recherche.

Jaren later heb ik nog dikwijls de naam van dit echt onschuldige meisje horen noemen in verband met deze zedenzaak. Ik geloof echter wel, dat juist het feit, dat zij de dochter van een politieman was er veel toe heeft bijgedragen, dat zij door het volk niet vergeten werd.

Een ander wetsartikel, waarvan ik de zin nooit heb kunnen begrijpen is die waarin bepaald is, dat als de werkgever iets uithaalt met zijn dienstmeisje, hij strafbaar is, als dat meisje de leeftijd van een-en-twintig jaar nog niet bereikt heeft, terwijl iedere andere willekeurige man met datzelfde meisje alles mag uithalen, wat hij maar wil, als zij 16 jaar of ouder is.

Als ik dan naga, dat juist ik mede veroordeeld werd voor dat feit en ik laat de ver­halen, die diezelfde meisjes mij uit hun verleden verteld hadden, de revue passeren, dan geloof ik, dat de twee jaren gevangenisstraf, die ik heb moeten ondergaan toch wel aan de hoge kant waren.

Van enkele van die meisjes zal ik hun verhaal dan ook in de nu volgende hoofdstukken weergeven.

Over het volgens mij meest tegenstrijdige en voor mij althans onbegrijpelijke wets­artikel zullen ook vele lezers verbaasd staan. Indien een meisje van 14 jaar vleselijke gemeenschap heeft met een man, dan kan dit alleen gestraft worden op klachten van de ouders of de voogd. Indien diezelfde man echter niet tot het uiterste gaat en zich beperkt tot ontuchtige handelingen dan kan deze daarvoor door de politie ambtshalve vervolgd worden. Tot op de dag van heden is mij de logica van dit wetsartikel ontgaan. Natuurlijk zal er wel een of andere duistere achtergrond zijn, die een gewoon sterve­ling niet kan bevatten. Hoe het ook zij; in de eenzaamheid van de cel, als men na verloop van enige tijd, die men nodig heeft om zich in de nieuwe situatie in te leven, over alles nadenkt en vooral zijn gedachten steeds gekoncentreerd zijn op het „waarom” van die aanwezigheid hier, dan waren het steeds dezelfde vragen, die mij bestormden:  Had ik een van die meisjes gedwongen mee te gaan? Het antwoord was zonder aarze­ling: Nee.

Had ik een van die meisjes soms dronken gevoerd en dan verkracht? Ook hier een volmondig: nee.

Had ik onschuldige meisjes onder allerlei mooie voorwendsels of door het geven van geld of goederen er toe gebracht, dat ze mij ter wille waren? Weer: Nee. Was er een meisje bij met wie ik intiem had omgegaan, die voordat ze mij leerde kennen al niet goed wist, waar abraham de mosterd haalde en weer moest ik, zonder mij zelf in een beter daglicht te stellen, een ontkennend antwoord geven. Er bleef niets anders over dan dat ik me niet gehouden had aan een wettelijke bepaling, erfrechtelijk was ik natuurlijk schuldig, maar het verwijt, dat ik anderen bedorven had kon ik met een gerust hart van me afzetten. Moreel voelde ik mij veel minder schuldig dan diegene, die met de opvoeding van deze meisjes belast waren en nog veel minder schuldig voelde ik mij ten opzichte van diegene, die de eerste geweest waren, die hun alles geleerd hadden.

Als ik zo over alles nadacht was ik er voor mij zelf van overtuigd dat het wat de straf­maat betrof best mee zou vallen. Het was voor mij dan ook iets onbegrijpelijks, dat de ongetrouwden onder de verdachten nog steeds in voorarrest gehouden werden, temeer daar de minderjarige meisjes, die in het proces betrokken waren geen onnozele kin­deren, maar doorgewinterde meiden waren, die er. echt niet voor schroomden op een avond drie mannen tot zich toe te laten. Het enige echt onschuldige meisje was die dochter van die politieman, waar ik reeds over geschreven heb. Maar ook de verdachte in die zaak, die verder geen tenlasteleggingen tegen zich had, werd vastgehouden en zoals ik reeds gemeld heb tot acht maanden gevangenisstraf veroordeeld. Deze man, die een blanco strafregister had, kwam zelfs niet in aanmerking voor een voorwaardelijke veroordeling, omdat de R.K. reclassering met ons, zeden-misdadigers, niets te maken wilde hebben.

Dit onschuldige meisje zou later met de vinger nagewezen worden; over haar zou, door anderen, die werkelijk niet deugden, gesproken worden als over een hoer. Dat dit knappe meisje dit alles heeft moeten ondergaan is alleen te wijten aan de veel te grote voortvarendheid, waarmede de zedenpolitie zelfs de onbenulligste dingen in procesverbalen heeft vastgelegd en ook de schuld van de toenmalige officier van justi­tie, die zulk een onbenulligheid voor de rechtbank meende te moeten brengen. De later opgelegde straf aan die man ging alle perken te buiten, in geen enkel opzicht stond het in verhouding tot het bedreven feit.

Ik kan mij voorstellen, dat er mensen zijn, die zich door krantenberichten en door de mening van de publieke opinie laten verleiden om meningen naar voren te brengen, die kant noch wal raken; die personen weten te veroordelen, waarvan ze nog niet eens weten, wat ze gedaan hebben. Maar dat rechters zo iets zouden kunnen doen heb ik nooit kunnen begrijpen.

Meerdere malen ben ik, ook voor andere delicten met de strafrechter in aanraking geweest, maar ik kan niet anders beweren, dan dat ik zo behandeld ben als ik het mij maar wensen kon. Het waren diezelfde rechters, die ook de zedenzaak 1947 behan­delden.

Nu ik alles aan het papier toevertrouw schiet mij weer heel veel te binnen. Als de dag van gisteren weet ik mij nog te herinneren, dat mijn vrouw een onderhoud had met de heer Officier van Justitie en dat deze mij niet beter wist te kwalificeren dan als een groot misdadiger.

Waarom??? Omdat ik meiden gebruikt had, die er voor te vinden waren? Meiden, die vóór mij reeds van zovele anderen geweest waren? Moet ik mij moreel schuldig voelen als ik een intieme verhouding heb met een meisje, waar ik zeker van weet, dat ook zij verlangens heeft naar de samenleving? Kan het dan slecht zijn, als twee mensen iets doen, waar geen ander sterveling ook maar de minste last van heeft, en deze beide mensen door het bedrijven van die vrijwillige daad een lichamelijke en misschien ook wel geestelijke bevrediging vinden, die hun gelukkig maakt?

Graag zou ik het slechte, het immorele van zulk een daad in willen zien, maar met de beste wil van de wereld is mij dat niet mogelijk. Natuurlijk weet ik, dat ik, getrouwd zijnde, mij ten opzichte van mijn gezin verkeerd gedragen heb, maar dit heeft met de strafbepaling van de mij ten laste gelegde feiten toch maar heel weinig te maken. Ik kan mij voorstellen, dat er lezers zijn, die zich dan af zullen vragen, wat voor soort meisjes het eigenlijk waren, die in het proces betrokken waren. Waren het meisjes uit een a-sociaal milieu, die gezien hun opvoeding niet wisten te bepalen, waar de grens van het toelaatbare lag? Waren het meisjes, waar alleen de psychiater nog redding brengen kon?

Ik geloof, zeker wat het eerste betrof, dat dit in geen geval op hun van toepassing was. Het waren meisjes uit gezinnen, zoals er tienduizenden in Nederland te vinden zijn.

In het begin van dit verhaal heb ik reeds gezegd, dat het mij om verschillende redenen onmogelijk is een juiste beschrijving te geven van alle meisjes, die in dit proces betrokken waren. Van verschillenden echter, waar ik zelf een verhouding mee gehad heb en die mij later tot in de finesses vertelden, wie het waren die hun de geheimen van het lief deleven geleerd hadden en mij ook duidelijk maakten, hoe het gekomen was, dat zij reeds op zo jeugdige leeftijd, volgens de normale begrippen, zo diep gezonken waren.

Die meisjes zelf zal ik in verschillende gevallen aan het woord laten. Ik zal proberen de gebeurtenissen zo te vertellen, dat een ervaren lezer er geen aanstoot aan behoeft te nemen. Uit de aard der zaak is het natuurlijk onvermijdelijk,  dat er taferelen beschreven worden, die voortkomen uit de hartstocht der beide geslachten. Wat ik ook verder op papier zal zetten; in geen enkel opzicht ligt het in mijn bedoeling om er voor de verdachten een pleidooi en voor de meisjes een rekwisitoor van te maken. Het zal niets anders worden dan een eerlijke weergave van datgene, wat zich werkelijk heeft afgespeeld.

Ik kan me voorstellen, dat er mensen zijn, die zich afvragen, wat voor doel het eigenlijk heeft om oude koeien uit de sloot te halen en opnieuw op te rakelen, wat reeds lang vergeten is. Er zijn verschillende oorzaken, die mij er toe hebben aangezet om dit alles op papier te zetten:

ten eerste om de gebeurtenissen rondom het zedenschandaal van Venlo tot zijn ware proporties terug te brengen.

ten tweede : om aan te tonen, dat de zinsnede van vele ouders, die de moed hebben weten op te brengen om dit boek tot het einde te lezen, namelijk: „Zo zijn onze dochters niet”, niet te overijld gebruikt zal worden.

ten derde : om te proberen, dat de voor zijn levenlang uit de maatschappij gestoten ,.zedenmisdadiger” in vele gevallen en vooral, waar het meisjes betreft in de leeftijd van veertien tot twintig jaar, hem enigszins te rehabili­teren.

Het is voor mij natuurlijk ondoenlijk om van ieder meisje, dat toendertijd door de zedenpolitie werd verhoord, een volledige levensbeschrijving te geven; ten eerste omdat jilat van de meesten niet meer weet en ook, omdat, wat ik in 1947 van hun wist, ik in de loop der jaren vergeten ben.

Over de mannelijke personen in dit boek zal ik in zijn geheel niet uitwijden, alleen over mijzelf en over de gebeurtenissen, waar ik zelf bij betrokken geweest ben. Juist die verschillende meisjes zullen het zijn, die in hun eigen woorden zullen weer­geven, hoe zij waren toen zij in handen vielen van die grote bende zedenmisdadigers. Zij zullen het zijn, die aantonen, of de volgende woorden van een reclasseringsambtenaar wel gerechtvaardigd waren. Deze woorden sprak die ambtenaar uit tegen mij persoonlijk maar bedoelde daarmede de gehele kliek verdachten:

„Jullie hebben die kinderen volkomen bedorven; jullie waren het, die hun tot in de grond bedorven hebben.”

Ik heb die woorden nooit vergeten en dikwijls in de eenzaamheid van de cel kwamen die woorden steeds opnieuw weer bij me boven en dan moest ik denken aan datgene wat in de volgende hoofdstukken te lezen staat.

(Einde hoofdstuk 1)

 

Literaire bijlage van woensdag 10 april 2019 – deel 2

Literaire bijlage van woensdag 10 april 2019 – deel 2

Waar waren we gebleven? Aan een tafeltje in café De Witte, begin jaren zestig. Mijn vader en zijn kaartvrienden spraken met gedempte stem over Het zedenschandaal van Venlo. Vele, vele jaren later kwam ik de gewraakte publicatie plots tegen bij het ordenen van de bibliotheek van George Goossens, die na het overlijden van de verzamelaar was geschonken aan het Goltziusmuseum. Zo op het eerste oog stelde het boekje niks voor, maar het veroorzaakte begin jaren zestig een rel van jewelste. Het zedenschandaal van Venlo, geschreven door iemand die zich bediende van het pseudoniem Elka Inconnu, werd op enkele plaatsen in de stad onder de toonbank verkocht. Tot afgrijzen van overheid, kerk, media en een deel van de burgerij.

Het zedenschandaal van Venlo II

Je moet de feiten natuurlijk altijd in de context van hun tijd zien. Wie anno nu Het zedenschandaal van Venlo leest, zal zich niet kunnen voorstellen dat het boekje ooit zoveel stof deed opwaaien. Het taalgebruik is van een braafheid om lacherig van te worden. Buste is zo ongeveer het meest onvertogen woord in het hele relaas. ‘Tijdens ons gesprek had hij zijn hand rustig op mijn borst laten liggen, nu echter voelde ik dat diezelfde hand boven door mijn blous mijn naakte borst ging betasten. Rustig laat ik hem begaan en ook nu weer voel ik dat eigenaardige gevoel in mij opkomen, dat ik ook later altijd ondervonden heb als mannenhanden met mijn busten spelen’.

Het zijn zinnen waar niemand rode oortjes van zal krijgen, maar gemeten met de maatstaven uit het begin van de jaren zestig was het pure pornografie. Het boekje is overigens niet slecht geschreven. Het lijkt erop alsof Elka Inconnu zijn verhaal verteld heeft aan een professionele tekstschrijver. Het zedenschandaal van Venlo begint op 5 mei 1947. De stad viert de bevrijding en de ikfiguur wordt in een danszaal gearresteerd op verdenking van ontucht met minderjarigen. Hij is niet de enige. Veel vrienden en kennissen zijn al opgesloten in het politiebureau aan de Lohofstraat. Elka Inconnu is de spil in wat nu een netwerk van pedofielen genoemd zou worden. Blijkbaar heeft de politie de zaak snel rond en draaien justitiële molens op topsnelheid want al enkele weken later komen de verdachten voor de rechter. De ikficuur krijgt een gevangenisstraf van twee jaar aan de broek. In het boekje dat hij ongeveer vijftien jaar na de geruchtmakende zaak schrijft of laat schrijven, doet hij een poging zichzelf vrij te pleiten. Het klinkt bekend: de meisjes zagen er ouder oud dan ze waren en ze lokten het zelf uit. In Het zedenschandaal van Venlo worden enkele amoureuze escapades beschreven die zijn gelijk moeten bewijzen. Als we de ikfiguur moeten geloven, namen de meisjes steeds het initiatief en is hij er eigenlijk ingeluisd. Onder het lezen bekroop mij het opeens het idee dat het hele verhaal verzonnen was. Dat er nooit een zedenschaal was geweest. Dat die Elka Inconnu gewoon een pornografisch verhaal wilde schrijven om zo geld te kunnen verdienen.

Limburgsch Dagblad, 13 mei 1947

Maar de krantenlegger van 1947 en het politiearchief van dat jaar wezen uit dat er wel degelijk sprake is geweest van een grote zedenzaak. In totaal werden 23 personen – burgers en militairen – gearresteerd en veroordeeld. De geruchten wilden dat er ook artsen bij betrokken waren, maar in het Dagblad voor Noord-Limburg wordt dat ten stelligste tegengesproken: ‘Wat de thans ingeslotenen hebben gedaan is weerzinwekkend; maar door deze kwaadaardige kletspraatjes wordt bewezen, dat onze stad ook nog lijdt aan de kanker der kwaadsprekerij.’ De schrik zat er in bij de overheid in en in samenwerking met de krant werd een offensief ingezet voor méér fatsoen, voor méér aandacht van ouders voor hun kinderen die door de woningnood praktisch op straat leefden.

Dagblad voor Noord-Limburg, 23 mei 1947

Op vrijdag 23 mei 1947 kopt de krant op de voorpagina met: ‘Jeugd in gevaar. Vier vuisten tegen ’t kwaad’. Politie, onderwijsinspectie, lokale overheid en ouders zullen hun vuisten moeten ballen tegen de zedenverwildering, diefstal, smokkelarij, abortus, verslaafdheid aan tabak, ernstige baldadigheid en vernielzucht, gevaarlijke spelletjes met katapulten en het ongekleed zwemmen van jongens en meisjes. Of de kruistocht echt geholpen heeft, valt moeilijk te beoordelen. Maar dat er door de actie aandacht kwam voor grote problemen in het na-oorlogse Venlo staat buiten kijf.

(Wordt vervolgd)

 

Literaire bijlage van woensdag 10 april 2019 – deel 1

Literaire bijlage van woensdag 10 april 2019 – deel 1

Geen werk van literaire aard met Venlo als plaats van handeling heeft de stad meer in beroering gebracht dan de obscure publicatie Het Zedenschandaal van Venlo. Voor de literaire bijlage  ‘Je bedreft je ogen nog!’ van de Venloër Grensbode gaan we op onderzoek naar de achtergronden van dit boekje, dat ons inziens ten onterechte de prestigieuze Geschiedenis van de literatuur van Limburg  (Uitgeverij VanTilt/LGOG, 2016) niet heeft gehaald.

Het zedenschandaal van Venlo I

Het moet bijna zestig jaar geleden zijn dat een boekje Venlo in rep en roer bracht. Het betrof een werk van erotische aard, gedrukt op 61 pagina’s zeer houthoudend papier. De stad sprak er schande van. Meer dan schande. De goede naam van Venlo was te grabbel gegooid. Maar wat nog zwaarder woog, de katholieke moraal was geschonden. De schrijver verschool zich achter het pseudoniem Elka Inconnu en hem werden de meest vreselijke ziekten en straffen toegewenst.

Exterieur van café De Witte aan de Parade

In de tijd waarin het speelde, mocht ik soms op zaterdagmiddag met mijn vader mee als hij ging kaarten in Café De Witte aan de Parade. Die dag zouden de kaarten niet op tafel komen. Al bij binnenkomst in De Witte bespeurde ik een dreigend krachtenveld. Eén vonk was voldoende om bolbliksems en donders te laten rollen. De kaartvrienden van mijn vader zaten aan hun vaste tafeltje bijeen met een blik waaruit zowel ontzetting als verontwaardiging sprak. De kans om aan te schuiven kreeg ik niet: ‘Steur dae blaag weg!’. Ik kreeg een dubbeltje toegestopt, vouwde uit een bierviltje een provisorisch bakje en ging naar de pinda-automaat die op het buffet stond. Het was de kunst om de schuif van het apparaat niet in één beweging van links naar rechts te trekken, maar hortend en stotend. De opbrengst was dan groter. Zeker tien nootjes meer. Ik werd gesommeerd om aan een tafeltje aan het raam te gaan zitten. De kastelein bracht een glas Riedellimonade.

Interieur café De Witte, begin jaren zestig. Dat vroeger alles beter was, zult u niet horen van de Venloër Grensbode. Maar dat het huidige interieur van De Witte een verloochening is van alles van waarde, staat onomstotelijk vast.  

Mijn vader en zijn vrienden dachten dat ik buiten gehoorafstand zat, maar kleine potjes hebben grote oren. Ik had niet alleen grote oren, maar ook nog wijduitstaande. Flaporen, een familiekenmerk. Model Pieter van Vollenhoven. Later zou ik hieraan worden geholpen door onze huisarts, dokter Tielbeek, die met behulp van speciale pleisters mijn oren in een achterwaartse groeirichting dwongen. Maar goed, mijn oren die steeds onderwerp waren van hoon en spot, kwamen mij nu goed van pas. Ik kon grote gedeelten van het op gedempte toon gevoerde gesprek opvangen en hoorde voor het eerst in mijn nog jonge leven, de titel van het boekje. Het zedenschandaal van Venlo. Het woord zeden in combinatie met schandaal had op mij de uitwerking van een bermbom. Zedenschandaal. Het leek alsof in mijn bewustzijn zware toneelgordijnen van velours werden opengeschoven en mij een blik werd gegund op iets onuitsprekelijks. Mijn oren werden nog groter en ik ving op dat het Zedenschandaal van Venlo onder de toonbank verkocht werd in de Neutrale Bibliotheek, gevestigd in het pand op de hoek van de Sint-Martinusstraat en Mgr. Boermansstraat aan de zijde van het Klein Park. Daar was nog niet zo lang geleden de politie binnengevallen omdat er in de etalage enkele exemplaren van De Natuurvriend lagen, het orgaan van de Naturistenvereniging. Met op de omslag dames in bikini. Dat op hetzelfde adres Het zedenschandaal van Venlo werd verkocht, lag helemaal in de lijn van de verwachting.

Omslag van Het Zedenschandaal van Venlo

Het gewraakte boekje ging nu over tafel van de kaartvrienden. Het werd met betekenisvolle blik doorgeschoven. De lippen van mijn vader trilden toen het zijn beurt was. ‘Die vuiligheid komt ons huis niet in. Nooit of te nimmer. Ik heb zes jongens!’, siste hij. Omdat ik voorvoelde dat mijn vader met zijn ogen mij zou zoeken, wendde ik mijn blik af van het tafeltje van de kaartvrienden en keek ik op straat. De geveinsde argeloosheid in eigen persoon. Het was een drukke zaterdag op de Parade die toen nog een doorgaande straat was. Maar echt zag ik het verkeer niet, omdat ik slechts bevangen was door één gedachte.  Het zedenschandaal van Venlo, dat móést ik lezen!

Druk verkeer op de Parade, op de achtergrond National; opvallend is de openbare telefooncel links, door de komst van de mobiele telefonie is deze inrichting van openbaar nut uit het straatbeeld verdwenen

(wordt vervolgd)

 

 

Middageditie van zaterdag 9 maart 2019

Middageditie van zaterdag 9 maart 2019

Vooraf

In 1975 (4×11 jaar geleden dus) bezocht de dichteres Mensje van Keulen tijdens de vastelaovend Venlo. Haar scepsis sloeg om in enthousiasme. Ze schreef er een reportage over, die verscheen in de Haagse Post van 1 maart 1975 (Jaargang 62/Nummer 9). Haar bijdrage verscheen in de serie Schrijvers op Stap.

Achteraf:

Een glas bier kostte een gulden, het Stationshotel is niet meer, veel van de genoemde cafés zijn eveneens geschiedenis (met dank aan Tieneke Verstegen).

Ochtendeditie van Sinterklaasdag 2018

Ochtendeditie van Sinterklaasdag 2018

Herman Verweij (1945)  was van 1 januari 2011 tot 31 januari 2013 stadsdichter van Venlo. Maandelijks publiceerde dagblad De Limburger een gedicht van zijn hand in de regionale editie. Zijn stadsgedichten zijn samengebracht in de bundel Waar gisteren en vandaag.

De Frans Coehorststraat  in de wijk het Groenveld is een straat genoemd naar Frans Coehorst. Tijdens de oorlog sloot hij zich op jonge leeftijd aan bij het verzet, werd opgepakt en via Kamp Amersfoort tewerkgesteld in Zwickau. Daar hij is hij in 1944 door uitputting overleden.

*********

Frans Coehorststraat

Waar de zon het glas van tuinderskas bescheen

ligt nu het Groenveld. Op twaalf straatnaamborden

de ondertekst: omgekomen in het verzet.

In het hart, vernoemd naar een nog jonge knaap

een doodgewone straat met tuintjes en wat bomen.

Een man die er zijn hond uitlaat.

 

‘Wist u dat de Frans van deze straat, toen negentien

zijn stad verliet om er nooit meer terug te keren?

Stel dat dezelfde jongeman nu hier verscheen

dwalen zou hij door de straten van zijn vrienden.

Stel dat hij in de huizen de beelden ziet van jonge

mensen op het Tahrirplein of kogels fluiten hoort

door de straten van Misrata, zou dan zijn hart

opnieuw tekeer gaan? Vrijheid is zelden in de aan-

bieding meneer, het vraagt de volle prijs.’

 

Misschien dat later in Damascus of Benghazi

een straat de naam draagt van een jonge man of

vrouw met dezelfde ondertekst.

Een doodgewone straat met tuintjes en wat bomen.

Een man die er zijn hond uitlaat.

*********

Met dank aan Herman Verweij