Categorie archief: Onze Correspondent uit Egypte

Middageditie van woensdag 8 augustus 2018

UNDERCOVER BIJ DE TRAPPISTEN

Op een steenworp afstand van het buurtschap Egypte*, vanwaar ik U schrijf, ligt het voormalige trappistenklooster Ulingsheide, waar uw correspondent vorig jaar undercover ging ten behoeve van het bestuur van de stichting Emmaus-Fenix, die het klooster en de daarin gevestigde woon-werkgemeenschap bestiert. De aanleiding was het tienjarig bestaan van de stichting, die het bestuur onder meer wilde vieren met een boekje waarin deze rapportage zou worden opgenomen. Van dat jubileum, die viering en het boekje heb ik nooit meer iets gehoord. Dat zal zijn redenen hebben gehad. Aan de rapportage heeft het kennelijk niet gelegen, want daarover was men wel te spreken. Ook zelf heb ik geen spijt van mijn kortstondige verblijf aldaar, ik heb er tal van interessante ontmoetingen gehad. Wat me echter het meest is bijgebleven is het feit dat ik een kamer kreeg op het snijpunt van twee zichtlijnen, pal boven de toegangsdeur van het klooster. Daarover heb ik toen het volgende stukje geschreven.

AAN DE GRENS

Rond half acht ben ik weer terug op mijn kamer, die zich bevindt pal boven de ingang, de poort van het oude klooster. Ik loop naar het raam en kijk naar buiten. Links kijk je naar Duitsland, voor je uit en rechts naar Nederland. Tussen die twee landen loopt een onzichtbare lijn, grens genoemd. Opeens realiseer ik me hoe vreemd het in een leven kan lopen. Je kunt links geboren worden, maar ook rechts. Nu maakt dat weinig verschil meer, maar vroeger des te meer. Was ik in Duitsland geboren, dan was ik misschien de zoon van een wrede SS’er geweest. Ik had een verstoorde vader-zoon relatie gehad en elke keer als ik met Nederlanders in contact was gekomen, had ik mijn zondagse gezicht van Gutmensch moeten opzetten, die afstand neemt van zijn vaders naziverleden. En maar vriendelijk lachen en maar wiedergutmachen. Die last voel ik nu niet. Ik heb geluk gehad. God zij dank ben ik in Nederland geboren.

Wie heeft daarvoor gezorgd? Waaraan heb ik dat te danken?

Je kunt moeilijk volhouden dat het je eigen verdienste is geweest, en toch gaan veel mensen daar voetstoots vanuit: ze zijn uitverkoren om niet als Syrische vluchteling of Afrikaanse gelukzoeker geboren te zijn, maar als Nederlander. Hoe had het ook anders kunnen zijn met zo’n uniek karakter, zo’n boeiende persoonlijkheid?

Net zo vanzelfsprekend vinden ze het hier te zijn opgegroeid, naar school te zijn geweest, werk te hebben gevonden en een gezin te hebben gesticht. Dat is een kwestie van goed karma, toch? Dat hebben ze bij wijze van spreken al vóór hun geboorte verdiend.

Daar kun je ook anders over denken. Je kunt ook denken dat het een kwestie van stom toeval is. Voor hetzelfde geld was je aan de andere kant van die stomme grens geboren. Geen boeiende persoonlijkheid, geen goed karma, maar puur geluk of pech. Net zoals je supergezond kunt leven en toch kanker kunt krijgen of door de een of andere idioot plompverloren omver gereden kunt worden. Niets kan je ervoor behoeden om op de verkeerde tijd op de verkeerde plek te zijn. Voordat je het weet zit je aan de grond en bij de dokter, in het ziekenhuis of hier, bij Emmaus tussen de ‘marginalen’.

Maar er is nog iets anders. Ik buig me naar voren en zie de Venlonaren staan die hier op 5 november 1944 stonden, toen Venlo werd getroffen door een verschrikkelijk bombardement. Ze waren ‘uitgebombt’ en sloegen massaal op de vlucht naar Velden en Tegelen en hiernaartoe, naar deze trappistenabdij, waar ze samendromden onder dit raam. De abt van het klooster had tegen hen kunnen zeggen: ‘Loop maar verder, mensen, ga maar naar Tegelen. Wij zijn een contemplatieve orde, geen wereldse. Wij eren God door beschouwing en gebed, niet door middel van goede werken. Helaas pindakaas.’

Maar dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft hen binnengelaten en zich met zijn medebroeders over hen ontfermd. Met de rust van de bezinning was het in één luide klap gedaan, van de ene op de andere dag moesten ze zich uit de naad werken om het hun gasten naar de zin te maken.

Misschien bent u wel een kleinkind of achterkleinkind van een van deze gasten. Bedenk, het had ook anders kunnen lopen.

O, die grens, die grens.

tekst en foto’s Willem Kurstjens

*buurtschap tussen Venlo en Tegelen nog niet ontdekt door het massatoerisme, maar door kenners geroemd om zijn opdrogend fietspad

Advertenties

Middageditie van zondag 5 augustus 2018

Geachte Redacteur,

Hierbij wil ik reageren op de ingezonden brief van ene Annie in uw editie van 1 augustus j.l., waar zij Uw blad wereldvreemdheid en droogheid verwijt, ‘droogheid van Uw orgaan’, notabene. Als Uw correspondent uit Egypte* voel ik mij direct aangesproken. Wie wil er nu naar zijn hoofd geslingerd krijgen dat hij zijn ogen sluit voor de recente actualiteit: de grote droogte van dit moment en het feit dat er sinds het aantreden van wethouder Pollux – met haar man Herm aan haar zijde – geen parkeergarage meer is ingestort en VVV het nog steeds goed doet? Meer dan alles ter wereld gaat de recente actualiteit mij ter harte, getuige onderstaand gedicht dat ik speciaal voor Annie en de haren heb geschreven.

Met dank voor plaatsing.

Uw correspondent in Egypte*.

P.S. 1. Is zij soms een populiste?

P.S. 2. U houdt die foto van het opdrogend fietspad in Egypte* er toch zeker wel in, hè? De mensen hier zijn er erg van gecharmeerd.

DE GROOOTE DROOGTE

Voor Annie

Het begon, zoals nu, met grote hitte en watergebrek,

toen vielen de rivieren droog en het IJsselmeer verdampte,

de regering riep de mensen dringend op tot kalmte,

tevergeefs, iedereen wilde als de sodemieter weg.

 

De regen verplaatste zich naar het verre zuiden

en streek ten slotte in Centraal Afrika neer,

waar de woestijnen veranderden in weelderige tuinen

en de Sahelgebieden in één groot binnenmeer.

 

De Nederlanders vertrokken naar de Middellandse Zee

met hun caravans en boten achter zich aan,

maar de regeringen van Noord-Afrika zeiden nee

en de Nederlanders bleven daar met open monden staan.

Opdrogend fietspad in Egypte*

* Buurtschap tussen Venlo en Tegelen door liefhebbers bezocht vanwege het empatisch Opdrogend Fietspad

 

 

 

 

Middageditie van vrijdag 3 augustus in het hopelijk glorieus wijnjaar 2018

NOODKREET UIT EGYPTE*

Egypte is Egypte niet meer,

nachtegalen moet je met een lampje zoeken,

leeuweriken in geen velden of wegen,

en ook de merels worden schaars,

net zoals de koekoeken.

 

alleen de schreeuwlelijken die blijven,

de eksters, de meeuwen en de kraaien,

niemand houdt hun opmars tegen

  • van hen geen uithalen of trillers,

God damn the survival of the shrillest

(Willem Kurstjens)

*buurtschap tussen Venlo en Tegelen, waar alles wat groeit en bloeit ons altijd weer boeit (vrij naar dr. Fop I. Brouwer)

Ochtendeditie van woensdag 1 augustus 2018

Nolly’s Town

Nu het almaar niet lukt Steyl in de vaart der volkeren op te stoten en de enorme kloostergebouwen maar steeds leeg blijven staan, heeft een Amerikaans reclamebureau zich erover gebogen en ongevraagd advies uitgebracht aan de gemeente Venlo. Via via wist uw Correspondent in Egypte* er de hand op te leggen. De titel van het rapport spreekt boekdelen, het heet ‘De vermarkting van Steyl als religieus Disneyland.

Steyl in gelukkigere tijden, vóór de disnificatie

Lees en huiver. Het concept voor de totale vermarkting van Steyl is heel simpel (‘laagdrempelig’) en bestaat slechts uit een plattegrond van het kloosterdorp met toelichting, meer niet. Op die plattegrond heet Steyl niet langer Steyl, maar Nolly’s town, naar de voornaam van de stichter van de missie-orde Arnoldus Janssen. De Parkstraat heet Park Avenue, de Arnoldus Janssenstraat Nolly’s Lane, café het Veerhuis Nolly’s Inn en het veer Nolly’s ferry.

’t Veerhoès in gelukkiger tijden, vóór de disnificatie

Maar dat is nog niet alles. Bij het missiemuseum is een winkeltje met regionale producten ingetekend, Nolly’s Gift Shop, met typisch streekgebonden producten als Nolly’s Liquor, Nolly’s Knapkook en Nolly’s Lolly, kortweg de nolly geheten, om de kleine bezoeker te paaien. Wie de jeugd heeft, heeft immers de toekomst.

Natuurlijk kan men daar ook kleine replica’s kopen van de beroemde beer bij de ingang, Nolly’s bear.

Museumbeer Joseph verheft zijn stem tegen de disnificatie van Steyl

Van de Giftshop hoeft u maar de straat over te steken en u bent in Nolly’s Garden, de  huidige Jochumhof, waar allerlei Nolly-achtige planten en bomen zijn te bezichtigen en ook de Nolly Humble Bee vliegt.

De Grotten in de zogenaamde bidtuin van de paters, zo genoemd omdat daar vroeger gebrevierd werd, blijken opeens Nolly’s Follies te heten en het belendende ketelhuis Nolly’s Power Plant.

Wordt Jochumhof het centrum van de protestacties tegen disnificatie van Steyl?

Al deze bezienswaardigheden worden onderling verbonden door een tramlijntje dat Nolly’s Trolley moet gaan heten, waarvan de opstapplaats zich bij het Veerhuis, sorry Nolly’s Inn, bevindt.

En zo gaat dat nog een tijdje door. Wat er met het rapport gaat gebeuren is onduidelijk. Sommige politici schijnen er wel oren naar te hebben, maar het mag niets kosten want de gemeente heeft geen geld.

Opdrogend fietspad in Egypte*

Zelf houd ik mijn hart vast: als dit straks met Steyl gaat gebeuren, wat moet er dan niet terecht komen van Egypte*, vanwaar ik u dit schrijf: komt hier wellicht een railway met tremkes langs oude, gereanimeerde kleiputten?

  • buurtschap tussen Venlo en Tegelen, door kenners geroemd vanwege de loofbomen, avifauna, korstmossen, kleiputten en opdrogend fietspad

 

 

 

 

 

Late middageditie van maandag 30 juli 2018

De schoonheid van Egypte*

Geachte Redacteur,

De schoonheid van het oude, monumentale Egypte** is al vaak bezongen. Marcus Antonius kon er al niet over uit, hoewel men kan aannemen dat dat ook iets te maken had met zijn liefde voor Cleopatra, en zelfs keizer Napoleon voelde zich klein worden tegenover al die piramides en sprak tegenover zijn soldaten: ‘Veertig eeuwen geschiedenis kijken op u neer.’

Jean-Léon Gérôme (1867): Napoleon en zijn generale staf in Egypte

Maar over de schoonheid van het buurtschap Egypte bij Tegelen is tot dusver nog maar weinig geschreven. En toch, men hoeft Uw foto Opdrogend fietspad bij Egypte in de vorige editie van dit blad maar te zien om er een beetje een indruk van te krijgen.

De onvergankelijke schoonheid van het opdrogend fietspad bij Egypte

De schoonheid van het gebied rond buurtschap Egypte bestaat uit loofbomen, avifauna, korstmossen, zoals U terecht vermeldt, maar ook – en misschien wel vooral – uit de creatieve manier waarop de natuur hier omspringt met het recente verleden, waarvan talloze verwijzingen nog in de bodem aanwezig én zichtbaar zijn.

De kleiputten van het buurtschap Egypte zijn niet meer en niet minder dan omgekeerde holle piramides die met hun punt in de grond steken, door talloze kleidelvers gemaakt voor de farao’s van de Tegelse kleiwarenindustrie in de negentiende en twintigste eeuw.

Kleiput gebroeders Teeuwen, veilig thuis voor een eendenfamilie

En waar de piramides in het oude Egypte door sleepistes en hellingbanen verbonden waren met de steengroeves waaruit de gigantische stenen voor de bouw ervan afkomstig waren, zo waren de kleiputten in het buurtschap Egypte door smalspoorlijntjes met tremkes verbonden met de fabrieken waar de gedolven klei verwerkt werd tot stenen, plavuizen en dakpannen.

Het fietspad van Uw foto Opdrogend fietspad bij Egypte is zo’n voormalig smalspoorlijntje, maar er zijn er meer, veel meer en in allerlei varianten, van lijnrecht tot zeer bochtig, oplopend en aflopend, sommige zelfs met kleine viaducten zoals bij speelpark Klein Zwitserland.

Eugène Dubois in zijn studententijd

En net zoals in de piramides grote historische ontdekkingen werden gedaan, zo gebeurde dat ook in de kleiputten.. Wat de Duitsers Richard Lepsius en de Brit Howard Carter waren voor de archeologische geschiedenis van dit land, waren de Amsterdamse medicijnenstudent Laurens Kleijns en de professor in de paleontologie Eugène Dubois voor de geologische en paleontologische geschiedenis van dit buurtschap.

De kleiputten van het buurtschap Egypte waren en zijn fameus in die wereld. Wij komen hier in een volgend schrijven nog op terug. Wat de schoonheid van het landschap betreft kun je niets dan de bewondering hebben voor de wijze waarop de natuur de kale, verlaten kleigroeves heeft omgevormd tot een uniek en avontuurlijk geheel met een biodiversiteit die een toonbeeld is van de multiculturele diversiteit van de omringende stad.

Hier is het stadspark van de 21ste eeuw in wording, het Central Park van Venlo.

Reageren? Stuur een e-mail naar de redactie van de Venloër Grensbode: redactievnloergrensbode@xs4all.nl

*buurtschap tussen Venlo en Tegelen, door kenners geroemd vanwege de loofbomen, avifauna, korstmossen en kleiputten

**land in het noordelijk deel van Afrika, niet te verwarren met het buurtschap tussen Venlo en Tegelen, door kenners geroemd vanwege de loofbomen, avifauna, korstmossen en kleiputten

 

Middageditie van zaterdag 28 juli 2018

Portret Nescio, Christiaan Kruiswaard, 1996

Nescio debuteerde in januari 1911 met het verhaal De uitvreter in het literaire tijdschrift De Gids. Het tijdschrift wees een tweede verhaal, Titaantjes, af vanwege de ‘goedkoope aardigheden’ waarin God ter sprake kwam. Nadat redacteur J.N. van Hall voorstelde om in plaats van het woord God in de afsluitende passage maar de naam Zeus af te drukken, had Nescio er genoeg van. In 1915 verscheen Titaantjes, zijn tweede verhaal, in Groot Nederland.

De iconische twee openingszinnen van Titaantjes luiden:

Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf.

In Titaantjes blikt Koekebakker terug op de tijd dat hij en zijn vrienden idealen hadden, en vertelt hij hoe het hun is vergaan. Bavink schildert een meesterwerk en snijdt dit vervolgens aan reepjes als hij ontdekt dat hij door dit schilderij in feite heeft bereikt wat hij altijd al had afgezworen, namelijk een succesvol en rijk man worden, en komt in een gesticht terecht. De rest van zijn vriendengroep heeft zich aangepast aan de maatschappij die ze ooit afzwoeren. Aan het eind van het verhaal gaat het alleen Koekebakker voor de wind. Hij wordt een succesvol journalist en verdient daarmee een goed belegde boterham. In feite kunnen zijn idealen hem niet meer zo schelen.

Het boek heeft als boodschap dat ieder mens zich uiteindelijk ten koste van zijn idealen aanpast aan de maatschappij en – ondanks zelfs de grootste walging van maatschappelijke eisen hij daar toch altijd aan toegeeft. Of hij wil of niet. Titaantjes is dan ook een protest tegen de maatschappij. Maar het verhaal geeft ook de innerlijke strijd weer tussen Nescio (de schrijver) en Grönloh (directeur van de Holland-Bombay Trading Company). Een strijd, die in een en dezelfde persoon wordt uitgevochten.

Opdrogend fietspad in Egypte*

Geïnspireerd door Titaantjes schreef Onze Correspondent in Egypte* onderstaande vier gedichten, waarin titaantjes uit een ander tijdsgewricht centraal staan.

TITAANTJES

I

Aardige jongens waren we, met goddelijke lijven,

man, daar kon wat in. We zopen ons vast aan onze krukken.

Met sluitingstijd waren we er niet af te rukken

en smeekten we de kroegbaas nog even te mogen blijven.

 

Nu ontmoeten we elkaar in priklabs en apotheken,

de een met een hartkwaal, de ander met jicht.

Ieder kent wel iemand die in de kreukels ligt

of bezig is zich van ’t leven los te weken.

 

‘Hé, die Henk, hoe is het nog met jou en met Hettie?’

‘Ach ja, wat zal ik zeggen, ’t kon beter. Alles skelettie!

 

II

De een fluit een rif, de ander drumt,

een derde speelt op luchtgitaar

Hey Joe van Jimi Hendrix na,

een vierde bast, een vijfde humt.

 

Al jammend worden we weer jong,

krijgen we weer lange haren,

ruige snorren, ruige baarden.

Even zijn we weer forever young,

 

gaan we weer naar San Francisco,

wearing flowers in our hair,

roken we shit en snuiven we coke,

roepen we Johnson moordenaar,

 

en dig it, baby, far out en yeah

en democratiseren we de dood.

 

III

Er zijn geen andere

paradijzen dan verloren paradijzen.

(Jorge Luis Borges)

 

Al vroeg stelde hij voor zichzelf vast:

In dit dorp wil ik niet vergrijzen,

ik ben geboren voor de pracht

van de natuur en parken en paleizen

 

waar men reikhalzend op mij wacht,

ik word onthaald op drank en spijzen

en vrouwen wonen die mij nacht na nacht

de kunst der liefde onderwijzen.’

 

Nu is hij weer terug en loopt de weg na

die hij als kind naar school ging.

Af en toe blijft hij staan, denkt diep na

en wacht op een herinnering,

 

die maar niet wil komen.

Demonen, demonen, demonen.

 

IV

’s Nachts op het terras van Het Veerhuis in Steyl.

Een halve man en een paardenkop en wij. Er wordt

niet meer bediend. We zitten op ons laatste glas,

dat steeds leger wordt. De tijd staat stil.

 

Het duister keert in zichzelf en wordt pikzwart.

Onze stemmen galmen als klokken. Niets beweegt

meer behalve onze monden en de meisjes die ons

bedienen en tussen de lege stoelen door schuifelen

op zoek naar lege glazen en volle asbakken.

 

Onze woorden raken kant noch wal,

net als het veer dat aan de ketting ligt.

Iemand herinnert zich iets grappigs,

een hele goeie grap, om je dood te lachen,

en verdomd, daar weet hij het toch niet meer.

 

Naschrift:

Over de controverse tussen de redactie van De Gids en Nescio over het verhaal Titaantjes, vonden we nader in Verlangen zonder te weten waarnaar. Over Nescio.

van Maurits Verhoeff:

“In januari 1914 voltooide Nescio zijn tweede grote verhaal, ‘Titaantjes’. Eind 1911, begin 1912 had hij een eerste versie van dit verhaal geschreven. In een van de bewerkingen schrijft hij over het werk op een kantoor: ‘Mijn hoofd zat vol berekeningen, ’s avonds in bed vielen me dingen in die gedaan konden worden, ik ging uit ’t bed en schreef ze op, en alles kwam daar op neer of lui in Indië ’t een of ander goed zouden dragen dat ze niet noodig hadden. Het wil mij nu voorkomen dat daar de lui in Indië zich ’t hoofd maar mee moesten breken en niet ik.’

In het voorjaar van 1914 zond hij ‘Titaantjes’ naar De Gids, maar het antwoord van de redactie gaf weinig reden tot hoop. ‘Hinderlijk, zeer zeker ook voor de meeste Gidslezers, zijn de goedkoope aardigheden, waarvan God het onderwerp of het voorwerp is,’ zo liet redactiesecretaris J.N. van Hall weten. Wanneer de redactie veel mocht schrappen in het verhaal, zou er mogelijk van publicatie sprake kunnen zijn. In eerste instantie liet hij de redactie haar gang gaan.

Half oktober ontving Grönloh zijn handschrift retour. De aanpassingen bevielen hem in het geheel niet. Op 20 oktober liet hij weten bezwaar te hebben tegen het schrappen van enkele passages ‘waar ik tracht weer te geven hoe zekere elementen in ’t volk een zeker deel der meer welgestelden zien, [terwijl] ik de gevoelens van opstandigheid jegens de menschen die wat te vertellen hebben in dit werkje niet missen kan’.

Met deze brief sneed Grönloh de mogelijkheid tot publicatie in De Gids definitief af. Van Hall antwoordde dan ook op 21 oktober: ‘Tusschen hetgeen U wenscht te zeggen en hetgeen de Redactie in een tijdschrift als De Gids oirbaar acht blijkt, tot mijn leedwezen, een kloof te gapen, die moeilijk te overbruggen valt.”

Ze zitten wat te zitten op een bankje in het Oosterpark in Amsterdam Drie van de Titaantjes van Nescio. Ze kunnen de hele wereld aan, lijkt het wel . De sculptuur is van Hans Bayens. Het werd in 1971 onthuld en jaren later gestolen. In 1988 werd een nieuw afgietsel geplaatst. Op de sokkel staat: ‘Jongens waren we – maar aardige jongens’, de openingszin van Nescio’s beroemde novelle. 

*buurtschap tussen Venlo en Tegelen, door kenners geroemd vanwege de loofbomen, avifauna en korstmossen

 

Ochtendeditie van vrijdag 27 juli 2018

De vogel van Sint Maarten

(van Onze correspondent in Egypte*)

Uiteraard heeft de natuur in en om Egypte mijn warme belangstelling. Er is daar vrijwel alleen maar natuur, dus waar zou je belangstelling anders naar moeten uitgaan? Wie natuur zegt, zegt uiteraard ook vogels en wie vogels zegt, komt onvermijdelijk op het Sint Maartensvogeltje, dat hier alom bezongen wordt.

Maar welke vogel mag dat wezen, welke vogel mag dat zijn? Over die vraag heerst onder de geleerden een ware richtingenstrijd. Er zijn er die beweren dat het hier om de grote bonte specht gaat, anderen wijzen op de Europese pestvogel en weer anderen zijn van mening dat het hier het ijsvogeltje betreft.

Laten we eens goed naar de tekst kijken van dit lied, dat in Tegelen en Venlo Sinter Mertes veugelke wordt genoemd en elders in het land Sunte Maartens veugeltje. Van dit vogeltje wordt in Tegelen en Venlo (en dus ook in Egypte) beweerd dat het een roëd keugelke heeft, terwijl er in Baarlo, Horst en Lottum sprake is van een roëd-wit keugelke. In Holland heeft het men op sommige plaatsen over een rood, rood rokkie, in Appingedam zelfs over een kip kap kogeltje. Over het blauwe staartje worden zulke verschillen niet gemeld, zodat men mag aannemen dat de geleerden het daarover eens zijn.

Grote bonte specht

Onder de specht-adepten bevinden zich ook de dialectdeskundigen van Veldeke. Zij beroepen zich op het feit dat ‘keugelke’ in het Middelnederlands ‘cogele’ halskraag of mantelkap betekent en dat dit overeenkomt met de donkerrode nek van de specht. De auteurs van het boek Nederlandse jaarfeesten en hun liederen door de eeuwen heen scharen zich aan hun zijde en voeren hierbij ook het rood, rood rokkie aan, wat toch iets heel anders is dan een mantelkraag. Ik heb tenminste nog nooit een vrouw een rok om haar nek zien dragen. Evenmin is er bij mijn weten ooit een grote bonte specht met een blauwe staart waargenomen. Zo lees ik in de Wikipedia op internet: ‘De grote bonte specht is met een lengte van ongeveer 25 centimeter een vrij grote vogel die bovenop zwart is en geelgrijs van onder. Hij heeft een geelachtige band over het voorhoofd, witte wangen, halsstreep, schoudervlekken en vleugelbanden, zwarte strepen op de zijkant van de hals en rood aan het achterhoofd en de onderbuik. De ogen zijn bruinrood, de snavel en de poten zijn grijs.

Europese pestvogel

De heren Houx, Jacobs en Lücker, auteurs van het Tegels Dialek, tippen de Europese pestvogel. Dit vogeltje ter grootte van een spreeuw heeft volgens hen een roze-bruine kuif en rode lakplaatjes aan het einde van de zwarte en gele handpennen. Het broedt in de arctische streken, o.a. Lapland, en kan hier soms gezien worden als wintergast. Over een blauw staartje reppen de h.h. evenmin, terwijl dit toch prominent voorkomt in het liedje. Sterker nog, in de Vogelgids op internet wordt van de staartpunt van de pestvogel zelfs gezegd dat hij in okergele olieverf lijkt gedoopt. Daar vindt men ook een verklaring voor zijn onheilspellende naam: ‘In de winter eet hij bessen. In een slecht bessenjaar trekken de pestvogels naar het zuiden en zuidwesten. Dan komen deze prachtvogels bij ons eten van Gelderse roos of liguster. Soms zie je ze in geen jaren, en dan is er ineens weer een winter met een hele invasie aan pestvogels. Vroeger wist men met dit onverwachte optreden geen raad. De vogel werd daardoor symbool van allerlei onheil.’ (bron: http://www.vogelbescherming.nl)

Overigens spreken de h.h. zich niet voor de een of andere vogel uit en denken zij dat het wel eeuwig een raadsel zal blijven welk vogeltje er met het St. Maartensvogeltje bedoeld wordt.

IJsvogel

Zelf ben ik een fervent aanhanger van de ijsvogel-theorie. Deze wordt bij mijn weten alleen verdedigd door de schilder Jeroen Bosch, wat op zich al een reden is ervoor te zijn, want het is een fantastische schilder. Op zijn schilderij De vogels van Jeroen Bosch is het vogeltje dat door hem St. Maartensvogel wordt genoemd, een ijsvogeltje. Maar er is meer. De Franse vertaling van íjsvogeltje luidt Martin-pêcheur, letterlijk: Maartensvissertje. Welke andere Maarten kan hier bedoeld zijn dan de sint? Bovendien is er een link met de invallende winter waarin het Sint Maartenfeest de voorbode is. De ijsvogel is in die tijd actiever dan vele andere vogels en met zijn heldere kleuren in het kale landschap ook beter zichtbaar. Ten slotte is deze benaming verweven met een legende waarin Sint Maarten voorkomt. Deze legende staat beschreven in een boek over de folklore van La Touraine, de Franse streek waarvan Tours, de stad van Sint Maarten, de hoofdstad is. (Le folklore de la Touraine, Tours, Arrault 1931)

Legende

De legende gaat als volgt: ‘Op een reis naar Candes zag Maarten een pikzwarte vogel die visjes ving in de Loire. De vogel verorberde het ene visje na de andere. Sint Maarten vroeg hem daar onmiddellijk mee te stoppen, wat de vogel deed. De vissen gingen in vrede heen. ‘Je bent een gehoorzame vogel,’ zei Sint Maarten, ‘ik zal je daarvoor belonen.’ Daarop kreeg de vogel een magnifiek gekleurd verenpak. Zijn vleugels weerspiegelden de kleuren van de regenboog; zij hadden de zachtheid van fluweel en de gladheid van email. ‘Ik zal je ook je naam geven,’ zei Maarten, ‘Voortaan zul je het Maartenvissertje heten, want ik geef je toestemming te vissen in mijn beekjes en mijn stroompjes.’

(Met dank aan o.a. Kees Verbeek en Hans Maeghs)

*buurtschap tussen Venlo en Tegelen, geroemd om de loofbossen en avifauna