Categorie archief: Vrijdag

Avondeditie van vrijdag 3 augustus in het hopelijk glorieus wijnjaar 2018

NESCIO IN ARCEN

De Nederlandse schrijver Nescio, pseudoniem van J.F. Grönloh, is vooral bekend van zijn verhalen De Uitvreter en Titaanjes. Minder bekend is dat hij een dagboek bijhield met de notities van de uitstapjes die hij na de oorlog maakte. Ze waren ook niet bedoeld om gepubliceerd te worden, al is dat lang na zijn dood wel gebeurd. De ‘bezorgster’ van zijn werk, Lieneke Frerichs, bundelde ze in 1996 onder de titel Natuurdagboek, die ze zelf bedacht, een keuze die ik geheel onderschrijf. Nescio verzamelde natuurimpressies op datum, de titel brengt dat uitstekend tot uitdrukking.

Fotoportret Nescio, 1917

Had hij een plekje in zijn hart gesloten, dan ging hij daar regelmatig kijken om te zien hoe het erbij lag, als een schilder die er zijn ezel wil opzetten, maar ook om zijn gram te spuwen. Was er iets ouds, vertrouwds weggehaald, dan kon hij zich daar heel boos over maken. Was er nieuws, onooglijks toegevoegd, ook. We zullen dat nog zien.

Een van de plekken in Nederland die zijn hart heeft gestolen, was Arcen. Het is de enige plek in Noord-Limburg waar hij regelmatig een of meer dagen vertoefde. In Venlo was hij altijd op doorreis, of naar het noorden (Arcen of Nijmegen), of naar het zuiden (Roermond en zuidelijker). Vooral in Zuid-Limburg mocht hij graag komen, dat gebied heeft – eerlijk is eerlijk – zijn hart nog meer gestolen dan Arcen. Tegelen en Steyl komen niet in het Natuurdagboek voor, Blerick wel, maar daarover is hij – zonder opgave van reden – niet te spreken (‘Blerik zij verdelgd’, 3 mei 1953)

Drie prentbriefkaarten van karakteristieke plekjes in Blerick, begin jaren zestig; voor de oproep van Nescio van enkele jaren eerder valt het een en ander te zeggen (collectie Sef Derkx) 

MAL KLEIN STADJE

De eerste keer dat de naam Arcen in het Natuurdagboek opduikt is op vrijdag 9 mei  1947: ‘Met trein van 10 uur naar Venlo. Bus 11 uur 25 naar Arcen. Maasbocht, overkant, mal klein stadje. Maashotel. Beekje, kasteel. 1 uur 49 bus terug naar Venlo.’

Wat hem in het malle kleine stadje heeft geraakt is dan nog moeilijk te zeggen, maar ruim een maand later, op 12 juni, is hij er weer. Dit keer is hij al iets uitvoeriger: ‘Donderdag. Zomer. Met den trein van 7.29 M.P. naar Venlo over Eindhoven. Bus Arcen. Maas Hotel. Gewandeld naar de grens. Cafétje aan den driesprong met de twee lei-lindes en nog een boom, voor den grensheuvel. Teruggewandeld en bij Arcen op bergje geklommen. Prachtig panorama (Straelen en nog een Duitsch plaatsje in de hoogte tegen de lucht). Bus naar Venlo (Maashotel had geen plaats). Trein naar Maastricht.’

Bus richting Ziekenhuis en Genooi vertrekt van voor het NS-station Venlo, begin jaren zestig (collectie Piet Maas)

Prentbriefkaart ‘Arcen, langs de Maas’, begin jaren vijftig (particuliere collectie) 

Hiermee wordt Arcen opgenomen in het jaarlijkse reismenu. Een jaar later, op 11 mei 1948, komt hij er weer: ‘Om 2 uur 6 bus Nijmegen naar Arcen, meest mooie weg, in het Zuiden bezet met bloeiende kastanjes, zeer romantisch met stukken Maas hier en daar. Wolken pakten zich samen, onweer in de verte, onze bus had ook regen. Ruim ½ 4 in Arcen, Maashotel (hoekkamer). Naar het kasteeltje gewandeld en naar den watermolen, later het stadje in. ‘Koffietafel’ om 6 uur. Daarna tot 9 uur over de Maas zitten kijken. Heerlijk weer na het onweer. Wolken.’

Bij het cafétje en het bergje aan de grens hebben zich nu drie bezienswaardigheden gevoegd: de kastanjes aan de rijksweg, het kasteeltje en de watermolen. Het over het water naar de wolken kijken, is niet typisch voor Arcen, maar wel typisch Nesciaans. Het is de basso continuo in zijn oeuvre.

De volgende dag beklimt hij opnieuw het zwarte bergje, maar helaas, het ‘zicht (is) niet ruim genoeg om Straelen en het andere Duitsche plaatsje te zien.’

Grensovergang Arcen, jaren vijftig (particuliere collectie)

MAASVISCHJE

Anderhalf jaar later wil Grönloh opnieuw naar Arcen. Hij en zijn vrouw (‘Os’ in het dagboek) logeren dan in hotel Nieuw Bellevue te Arnhem en hij vraagt ‘den kelner het Maashotel in Arcen op te bellen, maar het was vol.’ (9 september 1949).

Precies drie jaar na zijn verblijf in 1947 is hij op 9 mei 1950 weer terug in Arcen: ‘Trein Roermond-Venlo, onderweg stond de trein ergens op de lijn stil en keek ik op ’t valleitje van de Swalm met veldjes en boerderijtjes en boomen. Bus Arcen, daar om 1/211 en verder den dag doorgebracht met eten en drinken en rooken en slapen en naar de Maas staren. ’s Middags en tegen den avond even naar het kasteeltje gewandeld. Volop zomer. Weer om ½ 10 naar bed.’

De volgende morgen staat hij om half zeven op en neemt om acht uur de bus naar Nijmegen. De kastanjes langs de weg bloeien niet of nauwelijks. Hij herinnert zich dit nog goed, want hij voegt eraan toe: ‘vergelijk 11 mei 1948’.

Deze lichte teleurstelling komt hij echter snel te boven, want vijf dagen later, op maandag 15 mei, is hij alweer terug in Arcen: ‘Trein 9 uur 39 van M.P. naar Eindhoven. ’s Middags ½ 4 door met den trein naar Venlo en bus naar Arcen. Daar aangekomen om ½ 6. Kasteeltje en watermolen en tegen 8 uur naar het bergje (panorama over Limburg en Brabant, maar geen Maas, in het oosten Straelen en Walbeck in de lucht). Maas-Hotel. Twee prachtig bloeiende boomgaarden aan de Brabantschen kant tegenover het Maas hotel, een groote rechts en een kleine ver links.’

De schrijfwijze van de naam varieert: nu eens is het Maashotel, dan weer Maas Hotel, Maas-Hotel of Maas hotel. Wat blijft is de trits kasteeltje, watermolen en bergje.

De liefde voor Arcen is nu definitief, want twee dagen later komt hij er na een dagje Nijmegen weer terug en gaat hij zelfs tweemaal naar het kasteeltje en de watermolen. Ook ziet hij er een prachtige zonsondergang – ‘zeer groot en rood in wolkenbank’ – en praat hij er met het ‘Maasvischje en haar man.’ Bezorgster Lieneke Frerichs denkt dat het om een privégrapje van Nescio gaat (p. 448 in mijn uitgave), maar het zou natuurlijk ook een plaatselijke bijnaam kunnen zijn. We zoeken het uit.

Prentbriefkaart Maashotel, vóór 1940 (particuliere collectie)

– Willem Kurstjens

 

 

 

 

Advertenties

Middageditie van vrijdag 3 augustus in het hopelijk glorieus wijnjaar 2018

NOODKREET UIT EGYPTE*

Egypte is Egypte niet meer,

nachtegalen moet je met een lampje zoeken,

leeuweriken in geen velden of wegen,

en ook de merels worden schaars,

net zoals de koekoeken.

 

alleen de schreeuwlelijken die blijven,

de eksters, de meeuwen en de kraaien,

niemand houdt hun opmars tegen

  • van hen geen uithalen of trillers,

God damn the survival of the shrillest

(Willem Kurstjens)

*buurtschap tussen Venlo en Tegelen, waar alles wat groeit en bloeit ons altijd weer boeit (vrij naar dr. Fop I. Brouwer)

Ochtendeditie van vrijdag 27 juli 2018

De vogel van Sint Maarten

(van Onze correspondent in Egypte*)

Uiteraard heeft de natuur in en om Egypte mijn warme belangstelling. Er is daar vrijwel alleen maar natuur, dus waar zou je belangstelling anders naar moeten uitgaan? Wie natuur zegt, zegt uiteraard ook vogels en wie vogels zegt, komt onvermijdelijk op het Sint Maartensvogeltje, dat hier alom bezongen wordt.

Maar welke vogel mag dat wezen, welke vogel mag dat zijn? Over die vraag heerst onder de geleerden een ware richtingenstrijd. Er zijn er die beweren dat het hier om de grote bonte specht gaat, anderen wijzen op de Europese pestvogel en weer anderen zijn van mening dat het hier het ijsvogeltje betreft.

Laten we eens goed naar de tekst kijken van dit lied, dat in Tegelen en Venlo Sinter Mertes veugelke wordt genoemd en elders in het land Sunte Maartens veugeltje. Van dit vogeltje wordt in Tegelen en Venlo (en dus ook in Egypte) beweerd dat het een roëd keugelke heeft, terwijl er in Baarlo, Horst en Lottum sprake is van een roëd-wit keugelke. In Holland heeft het men op sommige plaatsen over een rood, rood rokkie, in Appingedam zelfs over een kip kap kogeltje. Over het blauwe staartje worden zulke verschillen niet gemeld, zodat men mag aannemen dat de geleerden het daarover eens zijn.

Grote bonte specht

Onder de specht-adepten bevinden zich ook de dialectdeskundigen van Veldeke. Zij beroepen zich op het feit dat ‘keugelke’ in het Middelnederlands ‘cogele’ halskraag of mantelkap betekent en dat dit overeenkomt met de donkerrode nek van de specht. De auteurs van het boek Nederlandse jaarfeesten en hun liederen door de eeuwen heen scharen zich aan hun zijde en voeren hierbij ook het rood, rood rokkie aan, wat toch iets heel anders is dan een mantelkraag. Ik heb tenminste nog nooit een vrouw een rok om haar nek zien dragen. Evenmin is er bij mijn weten ooit een grote bonte specht met een blauwe staart waargenomen. Zo lees ik in de Wikipedia op internet: ‘De grote bonte specht is met een lengte van ongeveer 25 centimeter een vrij grote vogel die bovenop zwart is en geelgrijs van onder. Hij heeft een geelachtige band over het voorhoofd, witte wangen, halsstreep, schoudervlekken en vleugelbanden, zwarte strepen op de zijkant van de hals en rood aan het achterhoofd en de onderbuik. De ogen zijn bruinrood, de snavel en de poten zijn grijs.

Europese pestvogel

De heren Houx, Jacobs en Lücker, auteurs van het Tegels Dialek, tippen de Europese pestvogel. Dit vogeltje ter grootte van een spreeuw heeft volgens hen een roze-bruine kuif en rode lakplaatjes aan het einde van de zwarte en gele handpennen. Het broedt in de arctische streken, o.a. Lapland, en kan hier soms gezien worden als wintergast. Over een blauw staartje reppen de h.h. evenmin, terwijl dit toch prominent voorkomt in het liedje. Sterker nog, in de Vogelgids op internet wordt van de staartpunt van de pestvogel zelfs gezegd dat hij in okergele olieverf lijkt gedoopt. Daar vindt men ook een verklaring voor zijn onheilspellende naam: ‘In de winter eet hij bessen. In een slecht bessenjaar trekken de pestvogels naar het zuiden en zuidwesten. Dan komen deze prachtvogels bij ons eten van Gelderse roos of liguster. Soms zie je ze in geen jaren, en dan is er ineens weer een winter met een hele invasie aan pestvogels. Vroeger wist men met dit onverwachte optreden geen raad. De vogel werd daardoor symbool van allerlei onheil.’ (bron: http://www.vogelbescherming.nl)

Overigens spreken de h.h. zich niet voor de een of andere vogel uit en denken zij dat het wel eeuwig een raadsel zal blijven welk vogeltje er met het St. Maartensvogeltje bedoeld wordt.

IJsvogel

Zelf ben ik een fervent aanhanger van de ijsvogel-theorie. Deze wordt bij mijn weten alleen verdedigd door de schilder Jeroen Bosch, wat op zich al een reden is ervoor te zijn, want het is een fantastische schilder. Op zijn schilderij De vogels van Jeroen Bosch is het vogeltje dat door hem St. Maartensvogel wordt genoemd, een ijsvogeltje. Maar er is meer. De Franse vertaling van íjsvogeltje luidt Martin-pêcheur, letterlijk: Maartensvissertje. Welke andere Maarten kan hier bedoeld zijn dan de sint? Bovendien is er een link met de invallende winter waarin het Sint Maartenfeest de voorbode is. De ijsvogel is in die tijd actiever dan vele andere vogels en met zijn heldere kleuren in het kale landschap ook beter zichtbaar. Ten slotte is deze benaming verweven met een legende waarin Sint Maarten voorkomt. Deze legende staat beschreven in een boek over de folklore van La Touraine, de Franse streek waarvan Tours, de stad van Sint Maarten, de hoofdstad is. (Le folklore de la Touraine, Tours, Arrault 1931)

Legende

De legende gaat als volgt: ‘Op een reis naar Candes zag Maarten een pikzwarte vogel die visjes ving in de Loire. De vogel verorberde het ene visje na de andere. Sint Maarten vroeg hem daar onmiddellijk mee te stoppen, wat de vogel deed. De vissen gingen in vrede heen. ‘Je bent een gehoorzame vogel,’ zei Sint Maarten, ‘ik zal je daarvoor belonen.’ Daarop kreeg de vogel een magnifiek gekleurd verenpak. Zijn vleugels weerspiegelden de kleuren van de regenboog; zij hadden de zachtheid van fluweel en de gladheid van email. ‘Ik zal je ook je naam geven,’ zei Maarten, ‘Voortaan zul je het Maartenvissertje heten, want ik geef je toestemming te vissen in mijn beekjes en mijn stroompjes.’

(Met dank aan o.a. Kees Verbeek en Hans Maeghs)

*buurtschap tussen Venlo en Tegelen, geroemd om de loofbossen en avifauna

 

 

 

Editie van vrijdag 20 juli 2018

door Sef Derkx

Nog twee aanvullingen op het bezoek van Gerard Reve en Matroos Vosch aan Tegelen op 21 en 22 maart 1997 ( zie de edities van de Venloër Grensbode van gisteren).

In het verslag dat Adri Gorissen schreef over de expeditie met Gerard Reve langs de kloosters van Steyl en De Doolhof in Tegelen, lezen we dat de zelfbenoemde Volksschrijver eind jaren veertig voor een krant verslag moest uitbrengen over de Passiespelen.  “Er kwam geen eind aan, ze bleven maar met dat kruis slepen, wel 4,5 uur lang”, herinnert hij zich.

Gerard Reve in De Doolhof op zaterdag 22 maart 1997, zo te zien aan het licht was het ‘het weer van alle mensen’ (foto Jan Oehlen)

In 1950 werden de Passiespelen opgevoerd in De Doolhof, Gerard Reve werkte destijds voor Het Parool. Met het prachtige zoekprogramma Delpher, vonden we een artikel in Het Parool van 22 mei 1950 over de Passiespelen. Onder de kop lezen we tussen haakjes ‘Van een onzer verslaggevers’. Honderd procent zekerheid dat Reve de scribent was, hebben we niet. Maar de aanhef met een duif die uit de hemel neerstrijkt , is wat ons betreft een Reviaans beeld. Met enig voorbehoud en veel terughoudendheid – want het ‘unieke mikwe’ in het Limburgs Museum bleek ook slechts een beerput te zijn – het verslag van Gerard Reve van de Passiespelen in Tegelen in 1950.

Het Parool, 22 mei 1950 (gevonden via http://www.delpher.nl)

De ‘Tour de Tegelen’ in 1997 voerde niet langs de Heilige Familiekerk in Venlo. Was het wel het geval geweest, dan was het moede oog van de Volksschrijver zeker gegaan over de spreuk boven de ingang van de kerk. Venlo kent door de inspanningen van de stichting Poëziet op enkele plaatsen mooie of diepzinnige dichtregels. Het meest intrigerende rijm staat echter al sinds 1939, het jaar van de inwijding, boven de ingang van de Heilige Familiekerk:

Wij moeten glorieeren                                                                                                                                    In ’t Kruis des Heeren

Dat deze spreuk geen onderwerp is geworden in de #metoo-discussie, is weer een ander verhaal. Verhalen zoals er zoveel zijn. Vandaar dat wij vaak zeggen:

In tijden van kleine en grote noden                                                                                                           Drink wijn en lees de Venloër Grensbode

Reageren? Stuur een e-mail naar de redactie van de Venloër Grensbode: redactievenloergrensbode@xs4all.nl

 

Editie van vrijdag 13 juli 2018

door Sef Derkx

Nergens in Europa drinken hoogopgeleiden vaker alcohol dan in Nederland en België. Daarbij valt op dat het vooral de Nederlandse ouderen met een hoge opleiding zijn die flink drinken. Van de 25- tot 35-jarigen met een wetenschappelijke opleiding drinkt 30 procent geregeld een glaasje. Onder de groep 56- tot 70-jarige academici is dat percentage ruim tweemaal zo hoog. 65 procent is een frequente innemer, staat in een rapport van de Radboud Universiteit en het Sociaal Cultureel Planbureau, dat deze week werd gepresenteerd.

‘Alcohol is voor veel mensen onderdeel van de leefstijl geworden,’ zegt onderzoeker Stefanie André. ‘De vrijdagmiddagborrel, het glaasje wijn bij het eten. Vooral bij de hogeropgeleiden hoort het er gewoon bij, terwijl ze eigenlijk heel goed weten dat dit niet gezond is.’

Trouwfoto tante Bertha (blauw ovaal), haar zus Fientje linksboven (rood ovaal), 1929

Stevige inname van alcohol hoeft niet per definitie tot een kater te leiden. mits de drinker zich houdt aan de wijze raad van mijn tante Bertha en tante Fientje. De beide dames waren op jonge leeftijd ‘niet onbemiddeld achtergebleven’, om het maar eens zachtjes uit te drukken. Tante Fientje had vlak voor de Tweede Wereldoorlog kennis gekregen aan een getrouwde man. Mijn grootouders spraken er schande van. De amant van Fientje nam echter in de donkere jaren van bezetting en alcoholschaarste met grote regelmaat een kruik oude jenever mee voor de familie Derkx. Daardoor werd hij een geziene gast in de familie. Hij handelde in goud en liet na zijn vroegtijdig verscheiden de Venlose vriendin een geldkistje met waardepapieren na. Na verzilvering ervan heeft tante Fientje nooit meer hoeven werken. De echtgenoot van tante Bertha zat in de internationale handel in groente en fruit. Hij stierf op jonge leeftijd. Nooddruft trof de jonge weduwe niet. Ze hoefde geen emplooi te zoeken.

Tante Fientje (links) met Tonny van Kleef, jaren dertig 

De zussen zonder mannen woonden weliswaar niet onder een dak, maar waren wel vaak samen. Ze leken onafscheidelijk. Fientje en Bertha zetten steevast rond twaalf uur ’s middags de flessen op tafel. Een borreltje voor het eten hoorde erbij. Een glaasje erna als digestief evenzeer. Zo ging het de rest van de dag door. Het zevende glaasje van de dag werd altijd versterkt met enkele druppels Lourdeswater. Versterkt in spirituele zin. Alvorens ze ervan nipten, baden ze samen een Weesgegroetje dat niet werd afgesloten met amen, maar met proost.

Fles in de vorm van Mariabeeld gevuld met Lourdeswater (particuliere collectie)

Vintage fles voor Lourdeswater (particuliere collectie)

Lourdeswater? Voor het smaldeel van niet-katholieken onder de inmiddels reeds twintig lezers van de Venloër Grensbode behoeft het uitleg. Tussen 11 februari en 16 juli 1858 verscheen de moeder van Jezus voor Bernadette Soubirous, een veertienjarig molenaarsdochtertje. Het wonder geschiedde in de grot van Massabielle bij Lourdes. Liefst achttien maal manifesteerde Maria zich. Ze had waarschijnlijk veel om over te praten. Bij de negende verschijning gaf Ze Bernadette de opdracht bij de grot te graven naar water. Na diverse pogingen ontdekte het meisje een modderpoel. Ze begon zich met modder te wassen, wat omstanders deed vermoeden dat Bernadette haar zinnen definitief verloren had. Na enige tijd verscheen er helder water uit de grond. Volgens Maria was het bronwater geneeskrachtig. Er was natuurlijk niemand die er kanttekeningen bij plaatste. Inwoners van Lourdes kregen meteen Franse franctekens in de ogen. Geneeskrachtig water is business. Nog steeds borrelt dit Lourdeswater op. Het wordt massaal door pelgrims afgetapt. Het is eveneens mogelijk om erin ondergedompeld te worden. Vanwege het heilzame water wordt Onze Lieve Vrouw van Lourdes vereerd als Heil der Zieken.

Terug naar tante Bertha en Fientje. Ze geloofden vast dat enkele druppeltjes Lourdeswater in ieder zevende dröpke ervoor zorgde dat je geen kater kreeg. Ze zijn nooit in hun geloof in het Lourdeswater teleurgesteld. Tot op zeer hoge leeftijd bleven ze monter en onbekommerd drinken.

Lourdesgrot in kerk Tienray

Het katholieke geloof is praktisch. Omdat reizen naar Lourdes kostbaar en gecompliceerd kunnen zijn, vinden we op tal van plaatsen in de wereld filialen van het mariale bedevaartoord in Zuid-Frankrijk. Tienray wordt met pauselijke toestemming het Klein Lourdes van Nederland genoemd. De dorpskerk heeft sinds 1888 een kopie van de grot in Lourdes. Bij de kerk is ook een processiepark met kruiswegstaties aangelegd. De historie van Tienray als bedevaartsoort gaat terug tot voor 1875. Het je in het kader van de katerbestrijding als hoogopgeleide senior Lourdeswater nodig, dan hoef je niet af te reizen naar het genadeoord in de Pyreneeën. Je neemt gewoon de bus van Arriva naar Tienray.

Beeld van Onze Lieve Vrouw van Lourdes in Tienray

Valt de bron in Lourdes, die door Maria in hoogsteigen persoon werd aangewezen, nooit droog? Het verbruik wereldwijd moet toch enorm zijn. Het antwoord is nee. Zoals gezegd is het katholieke geloof praktisch. Wanneer je één druppel Lourdeswater toevoegt aan bijvoorbeeld een vol bad, wordt al het water Lourdeswater. Zo eenvoudig is het. Ik heb er ooit de pastoor van Tienray over gebeld en die bevestigde het. Ik vroeg hem daarop of hij nooit op het idee was gekomen om een flesje Lourdeswater leeg te schenken in de Maas. Al het oppervlaktewater op de aarde zou op slag getransformeerd zijn in Lourdeswater. Sterker nog. Door de verdamping van het oppervlaktewater zouden alle wolken aan de hemel Lourdeswaterwolken zijn. De zorgpremies zouden onmiddellijk dalen en velen zouden de overstap maken tot het katholieke geloof. De pastoor van Tienray verbrak onmiddellijk de verbinding. Daarvoor heb ik overigens alle begrip. Hoe vaak krijg je niet onbekende mensen aan de telefoon met de meest onmogelijke vragen? Zo belde mij enige jaren geleden iemand met de vraag wat Harvy Lee Oswald had gedaan in het half uur dat hij op station Venlo moest wachten, toen hij vanuit Oost-Duitsland met de trein op weg was naar Rotterdam, Waar hij de boot naar New York zou nemen.+

Tienray heeft een drinkpunt in het dorpscentrum, aangelegd door Waterleiding Maatschappij Limburg. Wandelaars en fietsers op doortocht kunnen hun dorst lessen of hun bidons vullen. Er is gekozen om de waterbron op het pleintje tegenover de kerk te plaatsen. Ondanks dat Tienray de status Klein Lourdes heeft, stroomt er gewoon leidingwater uit de kraan. De pelgrim zij gewaarschuwd…