Categorie: Willem Kurstjens

Nieuw licht op een door drank verduisterde nacht – Extrabulletin van zondag 25 november 2018

Nieuw licht op een door drank verduisterde nacht – Extrabulletin van zondag 25 november 2018

Geachte heer hoofdredacteur van de Venloër Grensbode,

Er is nieuwe evidentie rond het verblijf van Gerard Reve en zijn reiskompanen in  kasteel Holtmühle op 23 maart 1997. Ik schreef erover in een eerdere editie van de Venloër Grensbode.

Gemak dient de mens, dus hierbij de link: https://venloergrensbode.wordpress.com/2018/07/19/avondeditie-van-donderdag-19-juli-2018-literaire-bijlage-je-bederft-je-ogen-nog/

Een van de ooggetuigen, de dichter Jean Pierre Rawie, blikt in de rubriek Achterwaarts! van het blad Argus op deze fameuze nacht  in Tegelen terug.  Met dank aan Fons Wijers, die me het betreffend exemplaar van Argus overhandigde.

Met literaire groeten,

Willem Kurstjes – Correspondent te Egypte, buurtschap tussen Venlo en Tegelen bekend om zijn opdrogend fietspad.

 

Advertenties
Literaire bijlage van woensdag 29 augustus 2018

Literaire bijlage van woensdag 29 augustus 2018

Een verhaal uit Egypte* uit de tijd dat de farao’s van de klei het er voor het zeggen hadden.

HET HORLOGE

Veertig jaar lang was Jan Verhulst vrachtrijder geweest voor een grote dakpannenfabriek niet ver bij ons buurtschap vandaan, aan de voet van de berg, waar van de klei die deze bevatte dakpannen werden gemaakt.

Veertig jaar lang was hij voor dag en dauw opgestaan om ze te laden en te lossen. Eerst met een Ford, toen met een Renault en weer later met een Citroën. Veertig jaar lang, door weer en wind, zonder het minste krasje, schadevrij.

Dat moest gevierd worden. Omdat de jubilaris bij veel fabrieken in de omgeving een bekende verschijning was, verwachtte de personeelschef veel mensen en hij huurde de Harmoniezaal in de Posthuisstraat af. De zaaleigenaar wist wat hem te doen stond en haalde de sinterklaastroon tevoorschijn, die hij op het podium zette en met slingers versierde. Aan de bovenkant bracht hij een bord aan, waarop in gouden cijfers en met laurier omkranst het getal veertig stond.

Daarna ging de personeelschef bij de plaatselijke juwelier het vergulde horloge afhalen dat hij een maand eerder besteld had, controleerde of de inscriptie van de initialen van de jubilaris en de datum van indiensttreding goed was aangebracht en verzocht de directeur hem dat halverwege het feest te komen overhandigen.

Intussen werd er in huize Verhulst druk gespeculeerd over de eer die hem ten deel zou vallen.

‘Met al dat schadevrij rijden mogen ze je wel een flinke bonus geven,’ zei de oudste zoon.

‘Een extra maandsalaris is toch wel het minste,’ zei de middelste.

‘Als het stormde of onweerde en je was nog niet thuis, stond ik doodsangsten uit,’ memoreerde de vrouw gedragen.

‘Ja, laat ze daar ook maar eens aan denken,’ zei de jongste.

‘Als er één recht op een flinke bonus heeft, dan ben jij het wel,’ zei de oudste dochter.

Enzovoort, enzovoort, iedereen vond dat de directie nu maar eens flink in de buidel moest tasten.

Verhulst zelf liet het gelaten over zich heen gaan en kon er alleen maar over lachen.

‘Recht, recht,’ sputterde hij. ‘Voor die heb je geen rechten, alleen maar plichten.’

‘Dat mag dan misschien zo zijn,’ zei de oudste, ‘maar hoe vaak komt het voor dat ze de Harmoniezaal afhuren?’

‘Ja, ze pakken dit keer flink uit,’ zei de middelste.

‘Ach wat,’ zei de man. ‘Dat komt omdat ze me overal kennen. Ik kom op zoveel plaatsen.’

De oudste hield echter voet bij stuk.

‘Als ze de Harmoniezaal afhuren, dan weet ik het zo net nog niet. Afwachten maar.’

Verhulst haalde zijn schouders op.

‘Eerst zien, dan geloven,’ zei hij.

Toen de grote dag aanbrak, waren de verwachtingen in familiekring hoog gespannen. Eindelijk zou de directie zich van zijn gulle kant laten zien. Het feest was in volle gang, toen de deur van de Harmoniezaal openging en de grote baas binnenkwam. De personeelschef snelde op hem toe om hem uit zijn jas te helpen en hem het horloge te geven, dat hij Verhulst aan het einde van zijn speech moest geven.

De man betrad het podium, maande de zaal tot stilte en roemde ‘s mans verdiensten voor het bedrijf. Én zijn plichtsbetrachting én de no-claimkorting passeerden de revue.

‘En daarom overhandig ik je dit cadeau,’ zei hij ten slotte. ‘Alsjeblieft!’

Hij stak zijn hand in de binnenzak van zijn colbert, haalde er de cassette met het horloge uit en gaf het met een flinke handdruk aan Verhulst, die het horloge te voorschijn haalde en omhoog stak. Iedereen klapte plichtmatig, in de vaste vooronderstelling dat dit niet het einde was, maar er nog iets zou komen. Eindelijk zou er recht worden gedaan.

Toen het applaus wegstierf, zette de personeelschef het Lang zal hij leven in, dat al snel door de zaal werd overgenomen. Toen ook dat wegstierf, stapte de directeur van het podium af en begaf zich naar de bar, waar hij een Courvoisier bestelde en een dikke sigaar opstak. Blakend van weelde onderhield hij zich met de eigenaar van de zaal, die hij nog kende van de lagere school. Lachend haalden ze herinneringen op.

Toen hij zijn cognac en sigaar op had en er ook geen schelmstreken meer op te halen vielen, stak hij zijn hand op naar de jubilaris, die even dacht dat de man hem bij zich riep om uiteindelijk toch recht te doen. Zelf had hij er een hard hoofd in, maar het zou leuk zijn geweest voor zijn aanhang. In plaats daarvan zwaaide de oude naar hem en liep naar de kapstok. Daar bedacht hij zich. Sommigen zagen het en stootten elkaar aan.

‘Nu komt het,’ zei de een.

‘Hoogste tijd,’ meende de ander.

Hij stak zijn hand in zijn binnenzak, haalde er een enveloppe uit, stak hem in de lucht en liep ermee naar de jubilaris.

‘Hier’, zei hij tot hem. ‘Helemaal vergeten.’

Zijn gezinsleden haalden opgelucht adem en iedereen begon te klappen.

Daar keek de directeur toch wel van op. Wat gebeurde er, waarom werd er weer geklapt? Hij snapte het niet helemaal, maar wat gaf het ook? Hij had gedaan wat hij moest doen. Kordaat zette hij zijn hoed op, knoopte zijn jas dicht en liep naar buiten.

Gespannen keek het publiek toe hoe de jubilaris de enveloppe opende en in de lach schoot, een grimmige, honende lach. Hij toonde wat erin zat: het garantiebewijs van het horloge.

Met tranen doordrenkt fietspad in Egypte, buurtschap tussen Venlo en Tegelen

Sportbijlage van zaterdag 18 augustus 2018

Sportbijlage van zaterdag 18 augustus 2018

Geachte Redacteur,

Nogmaals iets over de schoonheid van Egypte*. Op het gevaar af dat we deze in Uw blad teveel bezingen, zodat het gebied ten prooi valt aan het oprukkende massatoerisme, stuur ik u onderstaand poëem, geschreven nog voordat de recente Europese Kampioenschappen plaatsvonden.

Met vriendelijke groet,

Uw correspondent

*Egypte, het buurtschap tussen Venlo en Tegelen, werd lange tijd gemeden, veronachtzaamd eigenlijk. Ook door intellectuelen en kunstenaars. Tot Onze Correspondent uit Egypte de redactie van de Venloër Grensbode kwam versterken en met prachtige natuurimpressies de aandacht op de schoonheid van het buurtschap richtte.

 

WUIVENDE RIETKRAAG IN EGYPTE

 Het riet rilt.

Het riet rilt over een afstand van wel honderd meter.

Er gaat een engel door het riet.

Dafne Schippers gaat voor goud.

Middageditie van woensdag 8 augustus 2018

UNDERCOVER BIJ DE TRAPPISTEN

Op een steenworp afstand van het buurtschap Egypte*, vanwaar ik U schrijf, ligt het voormalige trappistenklooster Ulingsheide, waar uw correspondent vorig jaar undercover ging ten behoeve van het bestuur van de stichting Emmaus-Fenix, die het klooster en de daarin gevestigde woon-werkgemeenschap bestiert. De aanleiding was het tienjarig bestaan van de stichting, die het bestuur onder meer wilde vieren met een boekje waarin deze rapportage zou worden opgenomen. Van dat jubileum, die viering en het boekje heb ik nooit meer iets gehoord. Dat zal zijn redenen hebben gehad. Aan de rapportage heeft het kennelijk niet gelegen, want daarover was men wel te spreken. Ook zelf heb ik geen spijt van mijn kortstondige verblijf aldaar, ik heb er tal van interessante ontmoetingen gehad. Wat me echter het meest is bijgebleven is het feit dat ik een kamer kreeg op het snijpunt van twee zichtlijnen, pal boven de toegangsdeur van het klooster. Daarover heb ik toen het volgende stukje geschreven.

AAN DE GRENS

Rond half acht ben ik weer terug op mijn kamer, die zich bevindt pal boven de ingang, de poort van het oude klooster. Ik loop naar het raam en kijk naar buiten. Links kijk je naar Duitsland, voor je uit en rechts naar Nederland. Tussen die twee landen loopt een onzichtbare lijn, grens genoemd. Opeens realiseer ik me hoe vreemd het in een leven kan lopen. Je kunt links geboren worden, maar ook rechts. Nu maakt dat weinig verschil meer, maar vroeger des te meer. Was ik in Duitsland geboren, dan was ik misschien de zoon van een wrede SS’er geweest. Ik had een verstoorde vader-zoon relatie gehad en elke keer als ik met Nederlanders in contact was gekomen, had ik mijn zondagse gezicht van Gutmensch moeten opzetten, die afstand neemt van zijn vaders naziverleden. En maar vriendelijk lachen en maar wiedergutmachen. Die last voel ik nu niet. Ik heb geluk gehad. God zij dank ben ik in Nederland geboren.

Wie heeft daarvoor gezorgd? Waaraan heb ik dat te danken?

Je kunt moeilijk volhouden dat het je eigen verdienste is geweest, en toch gaan veel mensen daar voetstoots vanuit: ze zijn uitverkoren om niet als Syrische vluchteling of Afrikaanse gelukzoeker geboren te zijn, maar als Nederlander. Hoe had het ook anders kunnen zijn met zo’n uniek karakter, zo’n boeiende persoonlijkheid?

Net zo vanzelfsprekend vinden ze het hier te zijn opgegroeid, naar school te zijn geweest, werk te hebben gevonden en een gezin te hebben gesticht. Dat is een kwestie van goed karma, toch? Dat hebben ze bij wijze van spreken al vóór hun geboorte verdiend.

Daar kun je ook anders over denken. Je kunt ook denken dat het een kwestie van stom toeval is. Voor hetzelfde geld was je aan de andere kant van die stomme grens geboren. Geen boeiende persoonlijkheid, geen goed karma, maar puur geluk of pech. Net zoals je supergezond kunt leven en toch kanker kunt krijgen of door de een of andere idioot plompverloren omver gereden kunt worden. Niets kan je ervoor behoeden om op de verkeerde tijd op de verkeerde plek te zijn. Voordat je het weet zit je aan de grond en bij de dokter, in het ziekenhuis of hier, bij Emmaus tussen de ‘marginalen’.

Maar er is nog iets anders. Ik buig me naar voren en zie de Venlonaren staan die hier op 5 november 1944 stonden, toen Venlo werd getroffen door een verschrikkelijk bombardement. Ze waren ‘uitgebombt’ en sloegen massaal op de vlucht naar Velden en Tegelen en hiernaartoe, naar deze trappistenabdij, waar ze samendromden onder dit raam. De abt van het klooster had tegen hen kunnen zeggen: ‘Loop maar verder, mensen, ga maar naar Tegelen. Wij zijn een contemplatieve orde, geen wereldse. Wij eren God door beschouwing en gebed, niet door middel van goede werken. Helaas pindakaas.’

Maar dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft hen binnengelaten en zich met zijn medebroeders over hen ontfermd. Met de rust van de bezinning was het in één luide klap gedaan, van de ene op de andere dag moesten ze zich uit de naad werken om het hun gasten naar de zin te maken.

Misschien bent u wel een kleinkind of achterkleinkind van een van deze gasten. Bedenk, het had ook anders kunnen lopen.

O, die grens, die grens.

tekst en foto’s Willem Kurstjens

*buurtschap tussen Venlo en Tegelen nog niet ontdekt door het massatoerisme, maar door kenners geroemd om zijn opdrogend fietspad

Ochtendeditie van dinsdag 7 augustus 2018

Ochtendeditie van dinsdag 7 augustus 2018

Nescio in Arcen (2)

In een vorige editie van de Venloër Grensblad hebben we beschreven hoe Nescio gevallen is voor de charme van Arcen, dat ‘malle kleine stadje’, zoals hij het noemt. We deden dit aan de hand van fragmenten uit de jaren 1946-1950 van zijn Natuurdagboek. Op grond van zijn aantekeningen op 17 mei 1950 concludeerden we dat zijn liefde definitief was, want hij ging die dag tweemaal naar het kasteeltje en de watermolen. Dat deed hij tijdens eerdere bezoeken nooit. Daarom leek ons de verwachting gewettigd dat hij in de daaropvolgende jaren jaarlijks naar Arcen terug zou gaan of wellicht wel twee of drie keer per jaar. Het dagboek loopt tot eind 1955, dus we dachten nog tussen de vier en tien dagboeknotities over Arcen tegoed te hebben.

OUE SCHUUR WEG

Niets is echter definitief in het leven, ook de liefde van Nescio voor Arcen niet. Om onnaspeurbare redenen komt hij er nog maar één keer terug, en wel op 23 september 1954. Vanuit het station in Venlo neemt hij om tien over twaalf ’s middags de bus naar Arcen, waar hij een hotel – naar we mogen aannemen het Maashotel – bezoekt: ‘Kopje koffie in de weranda en broodje met overvloedig kaas en een allervriendelijkst dienstertje en zeer duur. Zon verdoofd, doffe tinteling op de Maas. Geen gezicht naar den weg ten westen van de Maas meer, door een rommelige beplanting.

Schuur tegenover het kasteel van Arcen, vóór 1954

Arcen heeft zijn charme verloren, want hij blijft er amper een uur. Bij het verlaten van het dorp windt hij zich vreselijk op: ‘Bus 1 uur 18 terug. De oue schuur aan den weg naar Duitschland tegenover de brug van het kasteel is afgebroken (G.v.d). Er staan nieuwe ‘lieve’ huisjes.

Niet vaak komt de uitdrukking ‘G.v.d.’ in het Natuurdagboek voor, meestal gebruikt hij het woord ‘nix’ of ‘nix an’ om aan zijn afkeuring lucht te geven.

BANALE FLIKKERIJ

Prentbriefkaart, circa 1920

De maat van het ongenoegen is echter nog niet vol voor die dag en het is Venlo dat de hardste klappen krijgt: ‘Venlo is een banale flikkerij. Zelfs de overtocht van de Maas mist er glorie (dat oud groote gebouw tussen brug en station is weg, vernield in den oorlog.

Hij bedoelt waarschijnlijk de oude marechausseekazerne en niet het wachtlokaal van de Maasbuurtspoorweg op de brug zelf, dat eerder een gebouwtje dan een groot gebouw was, en ook niet zo oud als de kazerne: zie foto’s.

Marechausseekazerne, blok langs Brugstraat, circa 1910

WACHTERS

Men kan zich afvragen wat Nescio zou vinden van de huidige ‘overtocht’ van de Maas met de beelden van Shinkichi Tajiri: weliswaar etaleren de wachters hun glorie op niet te misverstane wijze, maar of het de glorie is die Nescio bedoelt, kan men zich afvragen. Van het beeld De verwoeste stad van Ossip Zadkine, Tajiri’s leermeester in Parijs, moest hij in elk geval niets hebben. Op 3 mei 1955 verzucht hij: ‘Het idiote beeld van Zadkine, vernegering!’

Verkeersbrug met Wachters van Tajiri; aan de overzijde van de Maas ligt Blerick waarover Nescio ook al minder complimenteus was

door Willem Kurstjens

Middageditie van zondag 5 augustus 2018

Middageditie van zondag 5 augustus 2018

Geachte Redacteur,

Hierbij wil ik reageren op de ingezonden brief van ene Annie in uw editie van 1 augustus j.l., waar zij Uw blad wereldvreemdheid en droogheid verwijt, ‘droogheid van Uw orgaan’, notabene. Als Uw correspondent uit Egypte* voel ik mij direct aangesproken. Wie wil er nu naar zijn hoofd geslingerd krijgen dat hij zijn ogen sluit voor de recente actualiteit: de grote droogte van dit moment en het feit dat er sinds het aantreden van wethouder Pollux – met haar man Herm aan haar zijde – geen parkeergarage meer is ingestort en VVV het nog steeds goed doet? Meer dan alles ter wereld gaat de recente actualiteit mij ter harte, getuige onderstaand gedicht dat ik speciaal voor Annie en de haren heb geschreven.

Met dank voor plaatsing.

Uw correspondent in Egypte*.

P.S. 1. Is zij soms een populiste?

P.S. 2. U houdt die foto van het opdrogend fietspad in Egypte* er toch zeker wel in, hè? De mensen hier zijn er erg van gecharmeerd.

DE GROOOTE DROOGTE

Voor Annie

Het begon, zoals nu, met grote hitte en watergebrek,

toen vielen de rivieren droog en het IJsselmeer verdampte,

de regering riep de mensen dringend op tot kalmte,

tevergeefs, iedereen wilde als de sodemieter weg.

 

De regen verplaatste zich naar het verre zuiden

en streek ten slotte in Centraal Afrika neer,

waar de woestijnen veranderden in weelderige tuinen

en de Sahelgebieden in één groot binnenmeer.

 

De Nederlanders vertrokken naar de Middellandse Zee

met hun caravans en boten achter zich aan,

maar de regeringen van Noord-Afrika zeiden nee

en de Nederlanders bleven daar met open monden staan.

Opdrogend fietspad in Egypte*

* Buurtschap tussen Venlo en Tegelen door liefhebbers bezocht vanwege het empatisch Opdrogend Fietspad

 

 

 

 

Avondeditie van vrijdag 3 augustus in het hopelijk glorieus wijnjaar 2018

Avondeditie van vrijdag 3 augustus in het hopelijk glorieus wijnjaar 2018

NESCIO IN ARCEN

De Nederlandse schrijver Nescio, pseudoniem van J.F. Grönloh, is vooral bekend van zijn verhalen De Uitvreter en Titaanjes. Minder bekend is dat hij een dagboek bijhield met de notities van de uitstapjes die hij na de oorlog maakte. Ze waren ook niet bedoeld om gepubliceerd te worden, al is dat lang na zijn dood wel gebeurd. De ‘bezorgster’ van zijn werk, Lieneke Frerichs, bundelde ze in 1996 onder de titel Natuurdagboek, die ze zelf bedacht, een keuze die ik geheel onderschrijf. Nescio verzamelde natuurimpressies op datum, de titel brengt dat uitstekend tot uitdrukking.

Fotoportret Nescio, 1917

Had hij een plekje in zijn hart gesloten, dan ging hij daar regelmatig kijken om te zien hoe het erbij lag, als een schilder die er zijn ezel wil opzetten, maar ook om zijn gram te spuwen. Was er iets ouds, vertrouwds weggehaald, dan kon hij zich daar heel boos over maken. Was er nieuws, onooglijks toegevoegd, ook. We zullen dat nog zien.

Een van de plekken in Nederland die zijn hart heeft gestolen, was Arcen. Het is de enige plek in Noord-Limburg waar hij regelmatig een of meer dagen vertoefde. In Venlo was hij altijd op doorreis, of naar het noorden (Arcen of Nijmegen), of naar het zuiden (Roermond en zuidelijker). Vooral in Zuid-Limburg mocht hij graag komen, dat gebied heeft – eerlijk is eerlijk – zijn hart nog meer gestolen dan Arcen. Tegelen en Steyl komen niet in het Natuurdagboek voor, Blerick wel, maar daarover is hij – zonder opgave van reden – niet te spreken (‘Blerik zij verdelgd’, 3 mei 1953)

Drie prentbriefkaarten van karakteristieke plekjes in Blerick, begin jaren zestig; voor de oproep van Nescio van enkele jaren eerder valt het een en ander te zeggen (collectie Sef Derkx) 

MAL KLEIN STADJE

De eerste keer dat de naam Arcen in het Natuurdagboek opduikt is op vrijdag 9 mei  1947: ‘Met trein van 10 uur naar Venlo. Bus 11 uur 25 naar Arcen. Maasbocht, overkant, mal klein stadje. Maashotel. Beekje, kasteel. 1 uur 49 bus terug naar Venlo.’

Wat hem in het malle kleine stadje heeft geraakt is dan nog moeilijk te zeggen, maar ruim een maand later, op 12 juni, is hij er weer. Dit keer is hij al iets uitvoeriger: ‘Donderdag. Zomer. Met den trein van 7.29 M.P. naar Venlo over Eindhoven. Bus Arcen. Maas Hotel. Gewandeld naar de grens. Cafétje aan den driesprong met de twee lei-lindes en nog een boom, voor den grensheuvel. Teruggewandeld en bij Arcen op bergje geklommen. Prachtig panorama (Straelen en nog een Duitsch plaatsje in de hoogte tegen de lucht). Bus naar Venlo (Maashotel had geen plaats). Trein naar Maastricht.’

Bus richting Ziekenhuis en Genooi vertrekt van voor het NS-station Venlo, begin jaren zestig (collectie Piet Maas)

Prentbriefkaart ‘Arcen, langs de Maas’, begin jaren vijftig (particuliere collectie) 

Hiermee wordt Arcen opgenomen in het jaarlijkse reismenu. Een jaar later, op 11 mei 1948, komt hij er weer: ‘Om 2 uur 6 bus Nijmegen naar Arcen, meest mooie weg, in het Zuiden bezet met bloeiende kastanjes, zeer romantisch met stukken Maas hier en daar. Wolken pakten zich samen, onweer in de verte, onze bus had ook regen. Ruim ½ 4 in Arcen, Maashotel (hoekkamer). Naar het kasteeltje gewandeld en naar den watermolen, later het stadje in. ‘Koffietafel’ om 6 uur. Daarna tot 9 uur over de Maas zitten kijken. Heerlijk weer na het onweer. Wolken.’

Bij het cafétje en het bergje aan de grens hebben zich nu drie bezienswaardigheden gevoegd: de kastanjes aan de rijksweg, het kasteeltje en de watermolen. Het over het water naar de wolken kijken, is niet typisch voor Arcen, maar wel typisch Nesciaans. Het is de basso continuo in zijn oeuvre.

De volgende dag beklimt hij opnieuw het zwarte bergje, maar helaas, het ‘zicht (is) niet ruim genoeg om Straelen en het andere Duitsche plaatsje te zien.’

Grensovergang Arcen, jaren vijftig (particuliere collectie)

MAASVISCHJE

Anderhalf jaar later wil Grönloh opnieuw naar Arcen. Hij en zijn vrouw (‘Os’ in het dagboek) logeren dan in hotel Nieuw Bellevue te Arnhem en hij vraagt ‘den kelner het Maashotel in Arcen op te bellen, maar het was vol.’ (9 september 1949).

Precies drie jaar na zijn verblijf in 1947 is hij op 9 mei 1950 weer terug in Arcen: ‘Trein Roermond-Venlo, onderweg stond de trein ergens op de lijn stil en keek ik op ’t valleitje van de Swalm met veldjes en boerderijtjes en boomen. Bus Arcen, daar om 1/211 en verder den dag doorgebracht met eten en drinken en rooken en slapen en naar de Maas staren. ’s Middags en tegen den avond even naar het kasteeltje gewandeld. Volop zomer. Weer om ½ 10 naar bed.’

De volgende morgen staat hij om half zeven op en neemt om acht uur de bus naar Nijmegen. De kastanjes langs de weg bloeien niet of nauwelijks. Hij herinnert zich dit nog goed, want hij voegt eraan toe: ‘vergelijk 11 mei 1948’.

Deze lichte teleurstelling komt hij echter snel te boven, want vijf dagen later, op maandag 15 mei, is hij alweer terug in Arcen: ‘Trein 9 uur 39 van M.P. naar Eindhoven. ’s Middags ½ 4 door met den trein naar Venlo en bus naar Arcen. Daar aangekomen om ½ 6. Kasteeltje en watermolen en tegen 8 uur naar het bergje (panorama over Limburg en Brabant, maar geen Maas, in het oosten Straelen en Walbeck in de lucht). Maas-Hotel. Twee prachtig bloeiende boomgaarden aan de Brabantschen kant tegenover het Maas hotel, een groote rechts en een kleine ver links.’

De schrijfwijze van de naam varieert: nu eens is het Maashotel, dan weer Maas Hotel, Maas-Hotel of Maas hotel. Wat blijft is de trits kasteeltje, watermolen en bergje.

De liefde voor Arcen is nu definitief, want twee dagen later komt hij er na een dagje Nijmegen weer terug en gaat hij zelfs tweemaal naar het kasteeltje en de watermolen. Ook ziet hij er een prachtige zonsondergang – ‘zeer groot en rood in wolkenbank’ – en praat hij er met het ‘Maasvischje en haar man.’ Bezorgster Lieneke Frerichs denkt dat het om een privégrapje van Nescio gaat (p. 448 in mijn uitgave), maar het zou natuurlijk ook een plaatselijke bijnaam kunnen zijn. We zoeken het uit.

Prentbriefkaart Maashotel, vóór 1940 (particuliere collectie)

– Willem Kurstjens