‘Zondagmorgen-zonder-zorgen’ editie van 28 april 2019

‘Zondagmorgen-zonder-zorgen’ editie van 28 april 2019

Afbeeldingsresultaat voor paul nagelmaeker

Pluuske

Eerste paasdag begon zonovergoten. De katten hadden te eten gehad en de jongste rende achter een pluuske aan. Met een dubbele axel probeerde Lilo het pluuske uit de lucht te plukken. De twee oudere katers bekeken het gedesinteresseerd. Waat unne dröktesmaeker, zullen ze gedacht hebben. Ze rekten zich uit en gingen verder met hun lievelingsbezigheid, die kort onderbroken was geweest door de baas met de etensbakjes. Met luime, alzoeë.

De schitterende paasdag verloor op slag zijn glans door een bericht op de site van Omroep Venlo.

Plotseling. Hartaanval. 64. Twee woorden en een leeftijd. Ze staan voor een afgrondelijk verdriet dat niet te bevatten is. Paul Nagelmaeker, de Serieuze van Neutjesrang, is overleden. De foto bij het bericht toont Paul op zijn best. In ’t vastelaovespekske, met een unne staek op. En… met de blauwe neus van de Blauwe Zaoterdaag, lachend van oor tot oor. De foto is gemaakt na de editie van dit jaar, toen hij de ode zong aan Lieske met de Bel. We luisterden er ademloos naar, met een brok in de keel.

Herinneringen. Ze zijn als pluuskes op de wind.

Herinneringen bijvoorbeeld aan de presentatie in 1985 van de eerste EP van Neutjesrang. Het werd een weergaloos feest in de Gouden Tijger, waar ze met de bein boete hinge. Omdat een van de vier nummers van het plaatje het supporterslied VVV – met de kuit veuraan was, waren Jeu Sprengers, Sef Vergoossen en een aantal spelers aanwezig. De hoofdrol was aevel voor stadionspeaker Harry van Dreumel, die ook op het plaatje te horen is met een fameuze geluksuitbarsting na een goal van VVV. Hoe mooi zou het zijn wanneer in de rust van de laatste thuiswedstrijd van dit seizoen, dat liedje nog eens in De Koel zou klinken?

Herinneringen ook aan Neutjesrang in een van de eerste afleveringen van Limburg Boven, de live radio-uitzending van de R.O.Z., vanuit café D’n dorstigen Haan op zaterdagmorgen dertig jaar geleden. Om twaalf uur waren we klaar, maar vier uur later zaten we nog gezellig met elkaar om tafel. Aan het geluk van het samenzijn wilden we liever geen eind laten komen.

Vandaag neemt Venlo afscheid van de Serieuze van Neutjesrang, van de zachtmoedige Paul Nagelmaeker.

Rös zaach, Paul.
Sef Derkx

Advertenties
‘Zondagmorgen-zonder-zorgen’- editie van eerste paasdag 2019

‘Zondagmorgen-zonder-zorgen’- editie van eerste paasdag 2019

Het is de Week van de Teek. Er zijn in Venlo aevel bijna geen kroegen meer, waar je met goed fatsoen voor twaalf uur ’s middags aan de teek kunt zitten.

Ik denk dan aan cafés, zoals De Handboog, Bonaparte en de Gouden Tijger. Overdag kwam je er spijbelende scholieren, AOW’ers of echte kroegtijgers tegen. De meesten begonnen met koffie of thee, sommigen bestelden glièk ein klep. Bij de Gouden Tijger tegenover was een herenmodezaak van twee broers. Na de middag trad er een wisseldienst in werking en staken ze om beurten de Lomstraat over om even te pauzeren. Ze bestaan aevel niet meer. Cafés waar je tot aan het Einde der Tijden aan de teek zou willen zitten. Tot het moment, waarop je op de schouder wordt getikt door een engel met een bazuin onder de arm, die zegt dat je nog de allerlaatste klep kunt bestellen.

Nee, het is voltooid verleden tijd. Een glas bier of wijn overdag is het nieuwe roken. Zelfs in cafés slaan de gezondheidsrages toe. Als je thee bestelt, krijg je een megakist voor de neus geschoven met zoveel verschillende soorten, dat het kruidenvrouwtje Klazien uit Zalk er postuum jaloers van wordt. In deze Week van de Teek kreeg ik een berichtje van een café, dat er allewiels ook bôttermelk wordt geschonken. God beware me! Nog even en je staat naast iemand aan de teek die zonder blikken of blozen yakult bestelt.

Aevel. Laat ons niet alleen näöle. De zon schijnt, dus willen we graag een speciaal iemand in dat heerlijke lentezonnetje zetten: Candy Jacobs. De skater, met Olympische aspiraties, ziet vanmiddag een langgekoesterde wens in vervulling gaan. In een grote loods aan dan de Kraanvogelstraat gaat Skatepark Venlo officieel open. Samen met haar vader Hay heeft ze de verschillende obstakels zelf gebouwd. Mam, het petekind, de rest van de familie en haar vrienden hebben fantastisch meegeholpen. We zijn van de week een kijkje gaan nemen. Er werd nog volop getimmerd en geschilderd en de vloer moest nog gekaerd worden.

Aan alles voelde je aevel dat er een pre-Olympische prestatie is verricht. Daarom is deze week vooral de Week van Candy.

Wies ’t aevel weer ens is,
Sef Derkx

Middageditie van maandag 15 april 2019

Middageditie van maandag 15 april 2019

Marcel Proust interviewt… Gerrit van der Vorst, gewaardeerd collega-Floddergatsblogger

De naam van schrijver Marcel Proust is onlosmakelijk verbonden met een fameuze lijst van zo’n dertig vragen, die tot doel heeft om meer zelfinzicht te krijgen: de Proust Questionnaire. Van de van oorsprong Engelse vragenlijst bestaan verschillende varianten.

De jonge Marcel Proust met voor het eerst dons  tussen neus en bovenlip  

Marcel Proust (tekening website  Filosofiemagazine)

Tot voor kort was bekend dat Proust de lijst zelf tweemaal had ingevuld: in 1887 en in 1894. Maar op een Parijse boekenbeurs dook een jaar geleden een nieuwe, door Proust beantwoorde, versie van de vragenlijst op. Deze tot dan toe onbekende Questionnaire dateert uit 1884, ruim drie jaar voor de oudst bekende vragenlijst, en geeft de antwoorden van de jonge Proust op spannende vragen als: ‘Wat was het pijnlijkste moment van je leven?’ en ‘Wat is voor jou het ideaal van aards geluk?’ en op meer triviale vragen als ‘In welk land zou je het liefst wonen?’ of ‘Heb je liever een hard of een zacht kussen?’

Opgetogen beantwoordde Gerrit van der Vorst de vragen die Proust  hem stelde 

De vragen die de gekwelde Franse auteur aan onze collega-blogger Gerrit van der Vorst voorlegt, zijn van de lijst uit 1894.

****

Mijn belangrijkste karaktertrek

Gerrit van der Vorst (GV): Doorzettingsvermogen. Geef me een doel dat ik zie zitten en ik zet me er ten volle voor in, ‘tot de dood er op volgt’.

Mijn favoriete eigenschap in een man

GV: Sportiviteit.

Mijn favoriete eigenschap in een vrouw

GV: Sportiviteit. Voor het overige leg ik natuurlijk andere criteria aan.

Eigenschap die ik waardeer bij mijn vrienden

GV: Toch wel betrouwbaarheid, op de voet gevolgd door humor en creativiteit.

Mijn belangrijkste tekortkoming

GV: Voortdurende schending van het Pareto Principe, oftewel de 80/20-regel.

Mijn favoriete bezigheid

GV: Voetballen.

Mijn idee van geluk

GV: De combinatie van een rustig, zonovergoten strand, prettig gezelschap, volstrekte ledigheid en een gezellig strandpaviljoen in de nabijheid. Of – nog beter – de Bloemenbuurt ‘op de berg’ in de jaren vijftig.

Mijn voorstelling van de ergste misère

GV: Zo’n troosteloos vluchtelingenkamp, ergens in het Oosten.

Waar ik het liefst zou willen wonen

GV: Beurtelings in Zeist (vanwege de familie) en in Venlo (vanwege de roots). Lastig, hoor.

Mijn favoriete reis

GV: Nao ’t zuuje. Zuid-Limburg vind ik ook prachtig.

Mijn favoriete kleur

GV: Rood.

Mijn favoriete bloem

GV: Dahlia, vooral een rode dus. Vooral het woord intrigeert me van oudsher. Waarom weet ik niet. Eigenlijk onbegrijpelijk.

Mijn favoriete vogel

GV: De Vlaamse gaai die elke dag even langs komt. Ik verbeeld me dat dat het jonge vogeltje is dat we ooit uit een net gepeuterd hebben, waarin het helemaal verstrikt zat, op leven na dood.

Mijn favoriete proza-auteur

GV: Ik bewonder mensen die op zo’n vraag een naam kunnen noemen. Of ik een boek mooi vind, hangt van mijn stemming af. Soms lees ik een tijdje veel van een bepaalde auteur. Zoals van Ton van Reen, die vond ik erg goed. Laat ik dan maar zijn naam noemen.

Mijn favoriete dichter

GV: Van gedichten houd ik eigenlijk niet, omdat ik ze zelden begrijp. Maar van de melancholie van J.C. Bloem kikker ik helemaal op.

Mijn favoriete literaire held(in)

GV: Heb ik niet.

Mijn favoriete componist

GV: Mozart, met zijn lichte, bewegelijke en vrolijke muziek.

Mijn favoriete kunstschilder

GV: Vrijwel elk lid van de Haagse school.

Mijn grootste held(in) in het echte leven

GV: Jan ‘Ambrosius’ Hendrikx, een wat depressieve onderwijzer die tijdens de bezetting tot grote hoogte steeg. Daar zou ik graag nog over schrijven of een presentatie over willen houden. Die had wel meer aandacht mogen krijgen in Venlo en dan had meteen dat prima verzet in Venlo herdacht kunnen worden (de gebroeders Ex, Frans Coehorst en anderen).

Aan welke historische figuur heb ik de grootste hekel

GV: Hitler.

Welk levend persoon veracht ik

GV: Machtsmisbruikers, zoals mannen die kinderen of vrouwen misbruiken.

Mijn favoriete spijs en drank

GV: Italiaans eten en ruby port.

Mijn favoriete namen

GV: In elk geval niet Gerrit. Dat was in boekjes vroeger altijd een achterlijke boerenzoon of een tamme kraai. Dan had je nog de befaamde inbreker Gerrit de stotteraar, zoete lieve Gerritje die naar Den Bosch toe ging enz. Argh! Verder vind ik de meeste namen OK. Gewoon niet erg belangrijk.

Eigenschappen waar ik een hekel aan heb

GV: Gemakzucht, krenterigheid en zelfmedelijden.

Karaktertrek die ik zou willen hebben

GV: Vergevingsgezindheid.

Meest overgewaardeerde deugd

GV: Fatsoen. Diep in ons hart …

Talent dat ik zou willen hebben

GV: Om een bal met een perfecte weeftrap in de bovenhoek te leggen, goed hoorbaar op mijn vingers te fluiten of te schaatsen.

Hoe voel ik mij op dit moment

GV: Rijp voor een serie van 50 dagelijkse sessies in de sportschool. Door omstandigheden heb ik mijn conditie tijdelijk lelijk verwaarloosd.

Welke fout kan ik het makkelijkst vergeven

GV: Een fout door te grote inzet.

Waarvan heb ik de grootste spijt

GV: Dat ik vele jaren geleden te weinig tijd en geduld had voor mijn fijne hond.

Mijn grootste prestatie

GV: Crisismanagement bij Berenschot of de ontwikkeling van een glasvezelinfrastructuur in Arnhem en Nijmegen.

Mijn dierbaarste bezit

GV: Gezondheid, zonder twijfel

Mijn levensmotto

GV: Met een meer dan halfvol glas de nieuwe dag in!

Ochtendeditie van maandag 15 april 2019

Ochtendeditie van maandag 15 april 2019

Soms heb je je het nooit afgevraagd, maar is het toch fijn om op die nooit gestelde vragen antwoorden te krijgen. Ongetwijfeld heeft u weleens naar Tatort gekeken. U kent de serie niet? Dan is het misschien raadzaam om nu verder te reizen op het wereldwijde web. Tot een andere keer bij de Venloër Grensbode.

Fijn, we zijn onder elkaar. In de leader van Tatort – de serie bestaat volgend jaar een halve eeuw – zien we eerst een paar ogen en vervolgens twee benen in gestrekte draf over nat asfalt. Van wie zijn die ogen en benen?

De acteur van de in 1970 op het vliegveld van München-Riem opgenomen titelfilmpje is Horst Lettenmayer. Zijn ogen kijken elke aflevering drie keer uit een andere ooghoek door een rode, blauwe en paarse spleet en om zijn linkeroog komt een vizier. Daarna houdt hij drie keer zijn handen voor zijn gezicht. Vervolgens probeert hij rennend te ontkomen.

Ook Horst Lettenmayer is ouder geworden

Van de gage is Horst niet stil kunnen gaan leven. Hij kreeg er toentertijd 400 mark voor, zeg maar 200 euro.

Avondeditie van zaterdag 13 april 2019

Avondeditie van zaterdag 13 april 2019

First slide

Het is vandaag een bijzondere dag. Wat 27 april is voor monarchisten, 1 mei voor socialisten en communisten en de TrinkGut in Kaldenkerken voor alcoholisten, is de wereldwijd gevierde Record Store Day voor vinylisten.

Voor de groeiende groep van muziekliefhebbers alzoeë, die het liefst platen draaien. Bij Sounds aan de Parade is vanmorgen de officiële start met De Staat, de ambassadeur van Record Store Day Nederland. De populaire groep presenteert er om tien uur de single die speciaal voor Record Store Day verschijnt. Het plaatje is er zowel in rood als blauw vinyl. Toeval natuurlijk, maar het zijn aevel waal de Venlose stadskleuren. NPO Radio Twee zendt vanmorgen live uit vanuit Sounds.

Aafgeloupe waek was de week van Pien Verhaag uit Tegelen, een echte heldin. Vorig jaar mei hielp ze op het station van Roermond een gewonde man die van het perron was gevallen. Terwijl ze eerste hulp verleende, gapte iemand Piens mobieltje uit haar tas. Hoe ver kun je moreel zinken, vraag ik me dan af. Aevel. Afgelopen woensdag kreeg ze een knoevel en medalie van Pieter van Vollenhoven. Omdat ze zich zo moedig en hulpvaardig gedragen heeft. Met haar mobieltje was het gelukkig al eerder goed gekomen, dankzij fundraising en een donatie van Arriva.

Aafgeloupe waek was aevel ook de week van de eerste sperrejuskroket van Piccadilly en het eerste ijsje op de Kop van de Wieërd. Op de laatste locatie viel ons wat op. Half december vorig jaar kwam de Vreedzame Krijger terug op de Kop van de Wieërd. Met dank aan Jocus en aan een stoet van weldoeners, die begaon zijn met Venlo. Op de feestelijke dag zagen we dat het zicht op het beeld vanaf de kade grondig ontsierd wordt door unne aartslilleke paol met beveiligingscamera’s en van die pinnen waardoor vogels er niet op gaan zitten. Die staat pal achter de Vreedzame Krijger. Het verplaatsen ervan zou weldra gebeuren, werd plechtig beloofd. Weldra? In Venlo? Als verschillende overheden er iets over te vertellen hebben? Aan miene hak, zag Koeëba!

Er is alweer hoeëgwater geweest en morgen lopen de kinderen met palmhöltjes door de stad. En de Vreedzame Krijger? Die staat nog altijd letterlijk veur paol.

Wies ’t aevel weer ens is,
Sef Derkx

Avondeditie van woensdag 17 april 2019 – Wie was LK Inconnu?

Avondeditie van woensdag 17 april 2019 – Wie was LK Inconnu?

door Gerrit van der Vorst, correspondent van de Venloër Grensbode in Zeist

Dagblad voor Noord-Limburg, 23 mei 1947  (collectie Gemeentearchief Venlo)

Meer dan zeventig jaren later hoeven we er niet meer geheimzinnig over te doen. LK Inconnu, de schrijver van Het zedenschandaal van Venlo was Lei Kemps. Het levensverhaal van deze Venlonaar leent zich voor een schelmenroman.

Als jongen wilde Lei Kemps (28 november 1918) niet deugen, ondanks zijn vijfjarige opleiding bij het Bisschoppelijk College in Luik. Vanaf zijn veertiende levensjaar werd hij meermalen veroordeeld door de kinderrechter, gewone rechter, krijgsraad en politierechter, wegens heling, diefstal, oplichting (2x), dienstweigering als diensplichtige, verduistering (2x), diefstal en mishandeling.

Kemps’ vader dreef met wisselend succes een houthandel en dat bracht zoonlief na de Duitse inval op een lucratief idee. Door slimme omkoperij van Duitse sleutelfiguren wist hij enorme partijen hout te bemachtigen, die eigenlijk bestemd waren voor de Duitse Wehrmacht. Goed hout was schaars in Nederland en Lei Kemps werd in betrekkelijke korte tijd steenrijk. Hij kocht onder meer twee geweldige sleeën van auto’s, die hij ‘uiteraard’ clandestien bereed met geritselde benzine. Krenterig was Kemps niet. Hij smeet met geld en liet onder meer in het voorjaar van 1943 een grote hoofdtribune neerzetten op VVV-stadion De Kraal. Ter waarde van 30.000 gulden.

De Kraal met de hoofdtribune van Lei  Kemps (foto met dank aan Gerrit van der Vorst)

VVV in 1942 poseert voor hoofdtribune van Lei Kemps (foto met dank aan Gerrit van der Vorst)

De Gestapo arresteerde hem toen, maar hij ontsnapte meerdere keren. Als voortvluchtige legde hij zich toe op de smokkel van boter. Ook daarvoor kwam hij in het gevang, maar opnieuw niet voor lang.

Na de bevrijding zat Lei Kemps ten onrechte in een kamp voor politieke delinquenten – hij wist te veel van de korpschef van de Venlose gemeentepolitie. Meer dan zes jaar later kreeg hij daar een schadevergoeding voor, maar intussen had Justitie hem al weer aangemerkt als spil in het zedenschandaal dat Venlo in 1947 in de ban hield.

Omslag Het zedenschandaal van Venlo (collectie Sef Derkx)

Vanuit de gevangenis schreef hij onder het pseudoniem ElKa Inconnu, en bij wijze van rechtvaardiging, de eerste aflevering van het Het zedenschandaal van Venlo. Een Ik Jan Cremer  avant la lettre. Het is de vraag waarom er nooit een tweede aflevering verscheen, want het werkje werd – naar het schijnt – grif onder de toonbank verkocht in Venlo. Een andere vraag is of Lei Kemps het boekje zelf schreef, want het taalgebruik lijkt niet erg te matchen met dat in zijn verweerschriften

 

Het zedenschandaal van Venlo – Slothoofdstuk

Het zedenschandaal van Venlo – Slothoofdstuk

Woord vooraf van de redactie van de Venloër Grensbode

Dit is het zesde en tevens slothoofdstuk van Het zedenschandaal van Venlo. Een opzienbarende publicatie, die schier onvindbaar is geworden voor verzamelaars, is hiermee weer toegankelijk geworden. Elka Inconnu heeft nooit een 2e aflevering gepubliceerd, wellicht heeft hij het wel geschreven en ligt het nu in een bureaulade. We beloven er op zoek naar te gaan.

ZESDE  HOOFDSTUK

Levendig kan ik me voorstellen, dat er lezers zullen zijn, die zich afvragen, waarom het eigenlijk nodig is om de hele levensgeschiedenis van de voorgaande meisjes op te rakelen. Wat heb ik er mee te maken, zal de lezer denken, wat die meiden hebben uit­gehaald met al die kerels, die in dat verhaal genoemd worden.

Of is het soms de bedoeling van de schrijver om het z.g. pikante gedeelte van het geschrevene nog enigszins leesbaar en aannemelijk te maken?

En toch bij een dergelijke redenatie moet ik dan voorop stellen, dat het z.g. pikante in het geschrevene onvermijdelijk was, omdat hier nu eenmaal over een zodanig onder­werp gesproken of liever gezegd geschreven wordt en er toch heus niets in vermeld staat, dat enigerlei ergernis kan geven aan de eerlijke lezer, die zoveel levenservaring toch wel zal hebben om veel, zo niet alles te kunnen begrijpen.

Wat is dan wel mijn bedoeling geweest, om het ware levensverhaal van die meisjes op te dissen? Ik moet dan lijnrecht stellen tegenover de politie en vooral ook tegen de rechtbank, die toentertijd ons proces behandelde. Zij: de politie zowel als de justitie hebben alles geprobeerd om de uitsluitend slechte antecedenten van de toenmalige verdachten op te halen; niets werd tijdens het voorlopige onderzoek achterwege gela­ten de zaak, op iedere manier voor de verdachten zwaarder te maken. Meisjes van ver boven de 21 jaar werden evengoed en evenlang verhoord als meisjes, die nog minderjarig waren. Het enige doel, dat hiermee bereikt kon worden was om daardoor nog beter het z.g. „Morele verval” van de verdachten aan te tonen. Ik meen met zekerheid te mogen aannemen, dat de toenmalige politiefunctionaris, die het onderzoek onder zijn supervisie had, gedacht moet hebben: hoe meer meisjes, hoe meer slachtoffers.

Natuurlijk geef ik volmondig toe, dat in een onderzoek de politie, datgene doet wat hun van hogerhand is opgedragen; dat zij alles naar voren brengen, wat hun omtrent de verdachten bekend is, zodat de rechters dan zo objectief mogelijk hun oordeel kunnen vellen. Mijn ervaringen op het gebied van zedenzaken geeft mij echter de vaste overtuiging,

Dat het nagaan van de antecedenten van de slachtoffers even zo hard nodig is als dat het geval is met de verdachten.

Kan het oordeel van de rechter hetzelfde zijn als hij geweten zou hebben, dat het z.g. slachtoffer op het moment, dat zij iets uithaalde of liever gezegd iets met zich uit liet halen, reeds jarenlang met tientallen anderen hetzelfde had uitgehaald? Als de tiende of misschien wel de vijftiende candidaat in het leven van dit meisje tegen de lamp loopt, moet hij dan het predicaat „kinderverkrachter” zijn hele verdere leven met zich mee dragen?

Het kan niet mogelijk zijn, dat, bij de beoordeling van het gepleegde misdrijf en bij de bepaling van de daaropvolgende strafmaat niet in ernstige mate rekening gehouden moet worden met het verleden van het betreffende meisje.

Een onschuldig meisje van veertien of vijftien jaar verleiden en misbruiken, ook met haar toestemming, moet volgens mijn mening veel zwaarder gestraft worden dan hetzelfde vergrijp gepleegd met een meisje van diezelfde leeftijd, die reeds lang van tevoren van alles met andere mannen heeft meegemaakt. Dan kan er geen sprake meer zijn van verleiden, want in heel veel gevallen ligt de verleidingsfactor meer bij het meisje dan bij de man, die zich een ogenblik heeft laten gaan.

Als er dan sprake van is, dat een man, die een dienstmeisje in huis heeft beneden de • leeftijd van een-en-twintig jaar, die een verhouding met haar aangaat, later tot zware gevangenisstraffen veroordeeld kan worden, dan is dat niet meer dan een grove onbil­lijkheid en een beschamende onrechtvaardigheid. Als ik er aan moeten denken, dat bij het bepalen van de strafmaat ten opzichte van mij er terdege rekening werd gehouden met de verhoudingen, die ik met diverse dienstmeisjes gehad heb, wordt het me nog koud om het hart.

Gestraft te moeten worden voor iets, dat ik gedaan heb met meisjes zoals Nellie en Hannie is zo iets belachelijks, dat zelfs de meest strenge paedagoog hierover zijn hoofd zal moeten schudden.

Ik weet nu al, dat er velen zullen zijn, die als hun eerlijke overtuiging zullen beweren, dat de hoge strafmaat, die alle verdachten werd toebedeeld, zeker niet te wijten geweest zal zijn aan het gebeurde met die eerder bedoelde meisjes, maar te danken was aan het gepleegde met die van veertien tot zestien jaar.

Dit is voor mij dan ook de reden, dat ik thans verder zal gaan om te beschrijven, hoe het kwam, dat die jonge mesjes in deze zaak betrokken werden en hoe zij waren op het moment, dat ze in onze handen vielen.

Dan eerst zal de lezer een oordeel kunnen vormen over de zedenmisdadigers, zoals We voor en tijdens de behandeling van de rechtszaak genoemd werden.

Tijdens de rechtszitting werd er over de gebeurtenissen, die zich in het leven van die jonge meisjes hadden afgespeeld met geen woord gesproken. Zou dit wel het geval geweest zijn, dan zou er ten opzichte van alle verdachten in ieder geval niet meer gesproken zijn geworden over kindermisleiding, omdat lang voor ons diezelfde kinde­ren reeds lang verleid waren en volop genoten hadden van alles wat het leven op het gebied van de erotiek te bieden had.

Zij waren het, die zonder uitzondering steeds opnieuw weer probeerden met ons in contact te komen, omdat ook zij, ondanks hun jeugd, alleen gesteld waren op dr lichamelijke bevrediging.

Inderdaad was het in al deze gevallen zo, dat andere, dus niet de terecht staande verdachten schuldig waren aan hun vroegtijdige verdorvenheid.

Al die minderjarige meisjes in de leeftijd van veertien tot zestien jaar zal ik in de volgende hoofdstukken de revue laten passeren.

Het is in het jaar 1946 geweest, dat de toentertijd in mijn dienst zijnde houtopkoper naar me toe kwam en me vertelde, dat hij door een toeval vernomen had, dat een zekere persoon, ik zal hem Joosten noemen, in het achter zijn huis gelegen tuintje een pracht van een eikenboom had liggen, die hij graag wilde verkopen. Toen ik hoorde, waar dat huis gelegen was, wist ik direct dat die boom ergens anders vandaan had moeten komen, want in de hele omtrek had al jarenlang geen boom meer gestaan. In het eerste jaar na de bevrijding was het moeilijk om aan eikenhout te komen, dus het kleinste partijtje hout, dat te koop was, was welkom.

Ik beloofde mijn opkoper dan ook om zo spoedig mogelijk naar hot opgegeven adres te gaan en inderdaad, enige dagen ons gesprek vervoegde ik mij op een avond aan het bedoelde adres en toen ik voor de deur stond, wist ik met zekerheid, dat ik daar al vaker geweest was.

De man, die de eigenaar was van de eikenboom kende ik heel goed, terwijl hij van zijn kant mij ook nog wel zou kennen. Het was namelijk jaren geleden, dat ik zijn oudste dochter, die inmiddels getrouwd was, naar huis gebracht had en ik bij die gelegenheid mee naar binnen gegaan was.

In ieder geval klopte ik aan en even later werd mij door een jong meisje de deur opengemaakt. Na mij bekend gemaakt te hebben, vroeg ik haar of haar vader thuis was en zei haar, dat ik hem graag even wou spreken. Schijnbaar hadden de in de woonkamer zittende personen alles gehoord, want uit de woonkamer hoorde ik al roepen, dat ik maar binnen moest komen.

Joosten lag languit op de divan en de drie aanwezige dochters zaten om de tafel. De begroeting van de lange, broodmagere Joosten bestond hierin, dat hij op mijn „Goeden avond” zich in allerlei kronkels draaide en op die manier kans zag om een zittende houding op de divan aan te nemen. Het lag aan de maag, vertelde hij me nog, zodat hij af en toe niet meer in staat was om rechtop te blijven zitten. De dochters daarentegen haastten zich om beurten om van alles aan te brengen om het de binnengekomen gast zo aangenaam mogelijk te maken.

Wat de handel betrof kan ik heel kort zijn; ik kocht die boom van hem onder de bepaling, dat ik me aan een voorwaarde, die hij me stelde, zou houden en dat was, dat als ik eens uit wou gaan, ik dan met een fles jenever naar hem toe zou komen, want dat spul had hij in God weet hoe lange tijd niet meer gehad.

Ik beloofde hem, dat ik het niet vergeten zou, en dat ik spoedig aan zou komen om de mij afgedwongen belofte na te komen. Het stond voor mij vast, dat ik eerder terug zou komen dan hij gedacht had, want aan de blikken van een der meisjes, het bleek later Mientje te zijn, had ik wel gemerkt, dat zij er heel erg op gesteld was, als ik gauw terug zou komen.

Ondanks de lelijkheid van de vader kan ik niet anders zeggen, dan dat hij knappe, welgeschapen dochters had. De oudste, Annie, was donker en 18 jaar oud; dan volgde een blonde, Mientje en deze was 15 jaar, terwijl Corrie, ook een blonde, de rij sloot met 14 jaar.’

Drie dagen later had ik inderdaad een vrije avond en ik besloot dan ook naar Joosten te gaan. De beloofde fles jenever had ik natuurlijk bij me, maar ik meende er goed aan te doen om ook een drankje voor de meisjes mee te brengen.

Direct na het beëindigen van de oorlog was het moeilijk om aan een goede likeur te komen, maar toch was ik er in geslaagd een fles crème de cacao te bemachtigen, die zeer goed te drinken was en evengoed een sterke werking had.

Mij was het er alleen maar om te doen, om een of ander van die meisjes te kunnen krijgen en de meegebrachte likeur kon wel eens blijken een goede bondgenoot te zijn. Ik was nog niet goed en wel binnen; in ieder geval had ik de tas, waarin zich de drank bevond, nog niet opengemaakt, of de maaglijdende Joosten had voor dat moment schijnbaar zijn pijn vergeten, want hij vloog rechtop en schreeuwde om een glaasje. Hij was dan ook de eerste, die onder te proosten, het borreltje al leeg had en zijn glas voor de tweede vulling gereed hield.

Ik vond dat natuurlijk niet erg, want ik was er van overtuigd, dat als hij zo doorging, hij spoedig van het toneel verdwenen zou zijn, hetgeen voor mij betekende, dat de lastigste pottenkijker zichzelf gevloerd had.

Wat het drinken betreft deed ik het rustig aan, omdat ik wist, welk een eigenaardige uitwerking ienever op mijn gestel had. Zou ik iets teveel van dat spul drinken, dan zou, als mijn plan tenminste door zou gaan, niets kunnen gebeuren. Door een teveel aan alcohol werd ik volkomen impotent.

Eerlijk moet ik toegeven, dat het met die drie meiden een heel gezellige avond werd; zeker toen wij van het gezanik van Joosten af waren, die zich, zoals ik verwacht had. na het zesde of zevende borreltje, links en rechts manoeuvrerend, een veilige ligplaats op de reeds meergenoemde divan zocht. Als een blok viel hij om en aan zijn snurken te horen meende ik te merken, dat hij volkomen dronken was.

Ik zelf zat aan de tafel, links van mij geflankeerd door de 15-jarige Mientje, terwijl de praatgrage, 14-jarige Corrie aan mijn rechterzijde een plaatsje had gezocht. Op de hoek van de tafel zat de 18-jarige Annie, die bewust of onbewust voortdurend via de knieën onder de tafel een soort verbinding probeerde te zoeken. Ik van mijn kant liet mij natuurlijk niet onbetuigd en op iedere beweging harerzijds in de richting van mijn knie, volgde prompt, als in een reflexbeweging een duw van mij.

Op een goed moment wist ik werkelijk niet wie van de drie ik zou vragen om even mee te gaan om de bijna lege fles likeur te vervangen door een volle. Annie had er tijdens het drinken toch nog voor kunnen zorgen, ondanks haar onder-de-tafel-streken, dat het teveel aan alcohol enigszins gecompenseerd werd door de koffie en zij was het ook, die steeds maar weer zorgde, dat ook het oud stuk grammo­foon aan zijn trekken kwam.

Dan komt het moment, dat de fles leeg is. Ik sta op om een nieuwe te halen en de praatgrage Corrie is de eerste, die al aan de deur staat om mee te gaan, maar dit is iets, dat door Mientje niet zo maar genomen wordt. Het draait uit op een scheldpartij en omdat ik niet wist voor wie ik nu het beste partij zou trekken, liet ik het over aan de kaarten, die uit zouden maken, wie mee mocht. Dat vonden de beide kemphanen goed en inderdaad, het geluk of noem het het ongeluk was aan de zijde van Corrie, die trots als een pauw voorin de auto plaats nam en met een resoluut gebaar de deur achter zich dichttrok.

Toen zag ik eigenlijk pas voor de eerste keer, dat zij meer dan genoeg gedronken had. Niet alleen haar spraakzaamheid deden mij dat te kennen geven, maar haar hele manier van doen, haar overdreven gesticuleren, dat zij bij ieder woord, dat ze sprak, vergezeld deed gaan. Ik zelf was ook zo ver, dat ik in een toestand was, die mij meer durfde te laten doen dan ik in geheel normale omstandigheden gedaan zou hebben. We waren de straat nog niet uitgereden of ik had mijn ene arm reeds om haar middel geslagen terwijl zij, ongevraagd, zich geheel vrijwillig tegen mij aandrukte. Aan alles kon ik merken, dat het heus de eerste keer niet was, dat zij in een dergelijke situatie verkeerd had. Het was dan ook, in de gegeven omstandigheden, een normale reactie mijnerzijds, dat ik mijn arm om haar middel wegnam en de vrij gekomen hand op haar knie legde.

Bij de caféhouder aangekomen, sloeg ze haar beide armen om me heen en kuste mij op een zodanige manier, dat ik toen het besluit nam, om op de terugweg, een stille weg, die naar de Maas leidde, in te slaan.

Ik weet natuurlijk niet of ik in dat opzicht de enige ben, maar op momenten als deze, als ik voel, dat het in mijn gezelschap zijnde meisje alle aanleiding geeft om verder te gaan, kan ik me niet meer beheersen. Het is dan net alsof mijn verstandelijke vermo­gens mij geheel in de steek laten; zelfs de gedachte aan het gevaar, dat ik loop, op strafrechterlijk gebied en ook op alle andere gebieden, komt niet in me op. Wel later, als het gebeurde niet meer te herstellen is, begin ik na te denken en dikwijls bekruipt me dan zulk een angst, dat ik op dat moment de vaste overtuiging heb, dat het nooit, maar dan ook nooit meer gebeuren zal.

En op de terugweg sla ik inderdaad de donkere weg in, die naar de Maas leidt. Op een stil verlaten plekje, waar zelfs de auto nog niet te zien is, blijf ik staan en kus het kleine ding. dat bijna in me kruipen wil.

Zo mogelijk zijn haar reacties nog vuriger dan voorheen en vooral als ze merkt, dat ik het textiel, dat het plekje beschermt, weg wil doen, is’zij het, die me dat werk uit handen neemt.

Even later voel ik aan het kronkelende ding, dat het hoogtepunt gekomen is en nog nabijtend valt ze slap in mijn armen weg.

Geen vijf minuten zijn er verlopen tussen het tot stilstand brengen van de wagen en het moment, dat ik weer moet starten om naar de andere meisjes terug te gaan. Onder­weg vraag ik haar om aan niemand iets te vertellen, waarop zij mij ten antwoord geeft, dat ze dan zo dikwijls wat had kunnen zeggen.

Ook op mijn verdere vraag of ze ditzelfde al vaker gedaan had, begint ze heel hard te lachen en zegt. dat ik dat toch wel gemerkt moet hebben.

-Velschillende dingen had ik haar nog willen vragen, maar de afstand was te kort oin dit te kunnen doen; eerst veel later zou ze me vertellen, wat ze zo al had meegemaakt. Opnieuw drinken de meisjes zich een glaasje en spoedig is dezelfde gezellige sfeer weer teruggekeerd.

Aan Corrie is niets te zien en haar opdringerigheid van voorheen is zo mogelijk nog erger geworden, dit in tegenstelling tot Mientje, die nog wel naast me zit, maar die toch opgehouden heeft om mij steeds in mijn armen te knijpen.

Ik merk heel goed, dat zij zich ten opzichte van haar zuster teruggestoten voelt, ofschoon ik er toch niets aan kon doen, dat juist Corrie het moest zijn. die door het kaartspel aangewezen werd om mee naar die kastelein te rijden.

Door de gebeurtenissen met Corrie is het voor mij echter moeilijk om haar nu prak­tisch links te laten liggen en mijn hele aandacht op Mientje te concentreren. Toch neem ik me voor, Mientje te laten merken, dat ik erg op haar gesteld ben en als ik even later mijn glaasje opneem en alleen met haar proost, zie ik opnieuw die glinstering in haar ogen, die niet alleen door de drank veroorzaakt kan zijn.

Onder de tafel pak ik haar hand in de mijne, die ik liefkozend blijf drukken en ook zij beantwoordt dit op dezelfde manier. Als ik even later drinken wil en haar hand dus los moet laten, leg ik die op mijn bovenbeen, waar zij ze dan ook rustig laat liggen. Ook als ik na het drinken mijn glaasje neerzet en mijn hand niet meer onder de tafel breng, voel ik, dat de hand van Mientje nog steeds rustig daar ligt, waar zij ze aan­vankelijk neergelegd heeft.

De stemming in het kleine gezelschap wordt steeds beter en de oudo grammofoon heeft werkelijk eer van zijn werk, als de beide meisjes de voortgebrachte melodieën met hun zang gaan begeleiden.

Zo goed als bij Joosten zelf heeft nu ook het alcoholgehalte in de likeur zijn werk gedaan; Corrie zowel als Annie beginnen dronken te worden en ook ik voel steeds erger de uitwerking van de jenever, maar wat me nog heviger opwond was de hand van Mientje, die heel, heel langzaam naar boven ging en dan uiteindelijk op een plaats terechtkwam, die mij deed vergeten, dat ik nog geen uur geleden datgene gehad had. wat een lichaam tot kalmte kon brengen.

Haar hand bracht mij opnieuw in een toestand van opwinding en onder mijn praten door met de andere meisjes, die schijnbaar niets in de gaten hadden, dacht ik er over, hoe ik met Mientje alleen ergens heen zou kunnen gaan. Maar hoe ik ook prakki-zeerde; het was mij onmogelijk een redelijk excuus te vinden om met haar te vertrek­ken en daarom besloot ik dan ook een volgende keer mijn kans te wagen. Lang bleef ik na de laatste gebeurtenis niet meer in het huis van Joosten en tegen middernacht vertrok ik, de meisjes belovende, dat ik spoedig terug zou komen. De dag na mijn bezoek aan de familie Joosten moest ik steeds weer denken aan dat­gene, wat ik met Corrie gedaan had en meer dan ooit was ik vastbesloten niet meer naar hun toe te gaan. Een onberedeneerde angst had zich van mij meester gemaakt. Een angst, die me zelfs de gekste waanideeën in zijn volle realiteit voor ogen schilderde. Ik zag me al gearresteerd en voor God weet hoe lang veroordeeld en juist op die momenten begreep en voelde ik, dat het gebeurde met Corrie toch niet waard was om zo duur te betalen.

Dan was ik zo zeker van mezelf, dat ik met iedereen de grootste weddenschappen af had durven sluiten, dat zoiets me niet meer overkomen zou.

Het was dan ook tijdens een van deze angstperiodes, dat ik het besluit nam de woning van Joosten niet meer te betreden. Maar ondanks mijn goede voornemens zou het noodlot er voor zorgen, dat ik ook zonder de woning van Joosten te betreden, met een van die meisjes in aanraking zou komen.

Het zal een dag of vijf na mijn bezoek bij Joosten geweest zijn, dat ik op zekere avond alleen thuis ben. Mijn vrouw is met een vriendin naar de bioscoop en ze zal een kwartiertje weg zijn als er gebeld wordt.

Het meisje van beneden maakt de deur open en roept naar boven, dat er bezoek voor me is.

EINDE Ie AFLEVERING