Sportbijlage van zaterdag 18 augustus 2018

Geachte Redacteur,

Nogmaals iets over de schoonheid van Egypte*. Op het gevaar af dat we deze in Uw blad teveel bezingen, zodat het gebied ten prooi valt aan het oprukkende massatoerisme, stuur ik u onderstaand poëem, geschreven nog voordat de recente Europese Kampioenschappen plaatsvonden.

Met vriendelijke groet,

Uw correspondent

*Egypte, het buurtschap tussen Venlo en Tegelen, werd lange tijd gemeden, veronachtzaamd eigenlijk. Ook door intellectuelen en kunstenaars. Tot Onze Correspondent uit Egypte de redactie van de Venloër Grensbode kwam versterken en met prachtige natuurimpressies de aandacht op de schoonheid van het buurtschap richtte.

 

WUIVENDE RIETKRAAG IN EGYPTE

 Het riet rilt.

Het riet rilt over een afstand van wel honderd meter.

Er gaat een engel door het riet.

Dafne Schippers gaat voor goud.

Advertenties

Ochtendeditie van zaterdag 18 augustus 2018

Beste vrind Blônd,

Het eerste uur van deze week was haos voorbij. We zaten en lagen met zo’n honderd bezoekers van het Zomerparkfeest op het talud tussen het Teatro Maaspoort en de Brandkas. De enorme kunstmaan van Luke Jeram lichtte geheimzinnig op. Van zo dichtbij voelde het alsof ik in de Apollo 11 zat. Vlak voor de landing op de maan. Je weet wel Blônd, van de kleine stap voor een man maar een sprong voorwaarts voor de mensheid. Maar goed wij zaten in het Julianapark. The Sun Ra Arkestra blies als het spreekwoordelijke olifantje het droomverhaal van het Zomerparkfeest uit. De 94-jarige orkestleider Marshall Allen gaf nog een maal een geweldige solo op altsax. Het kwam uit zijn tenen. We geloofden onze ogen en oren nauwelijks. Onze ogen en oren hoefden het ook niet te geloven, dit was pure magie. Vier dagen van verwondering balden samen en werden gekroond in de tien minuten die het slotoptreden duurde. Eerder die zondag las jij in alle toemel onder een parasol het verhaaltje over Ridder Kuno voor. De kinderen hingen aan je lippen. Dat was ook al een wondertje, een ontroerend pareltje in het programma. Hulde aan alle parcaholics voor deze editie van het Zomerparkfeest.

Maar de tijd ijlt verder, er is leven na het Zomerparkfeest. Weet jij dat deze week de Week van de Angst is? Ik las enkele uren na het magistrale maanconcert een interview met een dame die lijdt aan omfalofobie. Dat is een afgrondelijke angst voor de eigen navel en die van anderen. De aanraking ervan leidt tot een paniekreactie. Hoe zit dat eigenlijk bij jou, geleefde sjarmezenger van Tegele en umsjtreke? Volgens mij ben jij nergens echt schouw voor. Of vergis ik me daarin? Ik heb bijvoorbeeld trypanofobie. Dat is angst voor een spuitje bij de dokter. Ik ging haos van de zök toen onze kat Snuutje een spuit kreeg. Als er bloed geprikt moet worden, ben ik van slaag. Ik kijk én de andere kant op én knijp mijn ogen stijf dicht. Doppelt genäht hält besser, zeggen ze euver de päöl. Dat komt allemaal nu weer naar boven. Van mij kan daarom de Week van de Angst niet gauw genoeg voorbij zijn.

Hald dich,

Bril

Snuutje overdenkt in het redactielokaal van de Venloër Grensbode de ijdelheid van woorden vanaf het Blauwe Schaap

Middageditie van vrijdag 17 augustus 2018

De mus van Jan Hanlo – door Gerrit van der Vorst

Een Venlose vrouwtjes-mus (foto gvanderzwan.nl/flora-and-fauna).

Ene Annie, ik meen van de P.P.R. (welke partij in Venlo nooit veel nat gemaakt heeft), probeerde laatst een gekunsteld verband te leggen tussen droogte en de behandeling van literaire onderwerpen in de Venloër Grensbode. Ik kan Annie’s bijdrage godzijdank niet meer vinden. Normaliter zou ik dat wijten aan mijn onhandigheid bij het raadplegen van internet, maar nu vermoed ik een krachtig ingrijpen van de redactie. In dat geval hulde! Ik ontleen er een stimulans aan om een nieuwe bijdrage aan de Grensbode te leveren, die teruggrijpt op een jeugdervaring.

Het was op een woensdagmiddag, omstreeks 1962. Ik was 16 jaar, en mijn vriend Jan en ik verveelden ons stierlijk. Het was net even te koud om te gaan zwemmen in de Onderste Molen, of ons ontbrak het geld daarvoor, dat herinner ik me niet meer. Wel dat er ook geen andere jongens beschikbaar waren voor een partijtje voetbal. In die leegheid van ons bestaan viel ons oog op de aankondiging van een poëziemiddag bij het Marianum, schuin tegenover mijn ouderlijke woning op Kaldenkerkerweg 136.

Nu was dichten volgens mijn vader iets voor vrouwen en mietjes. Echte kerels gingen vissen en jagen. De opvoeding van Jan had ook niet veel meer opgeleverd. Zo was dat in die tijd. In het schemergebied tussen mietje en echte kerel, de biotoop van 16-jarige jongens, was toen volstrekt geen plek voor dichtkunst. Onze meligheid moet dus wel een hoogtepunt hebben bereikt, en de doorslag gaf dat de poëziemiddag op korte loopafstand plaatsvond, want we besloten even te gaan kijken.

Het was al begonnen toen we de zaal betraden, Jan voorop. Op het podium naast de deur declameerde een Marianum-leerlinge op dat moment een gedicht dat ik me herinnerde als ‘Roekoe-roekoe, roekoe-roekoe-roekoe’ enzovoorts. Het was een voltreffer. Door een stap achteruit te zetten, kon ik me meteen weer onttrekken aan het zicht van de toehoorders, maar Jan was al ruimschoots binnen. Een half uur lang, tot de pauze, zat hij te schudden van de slappe lach, met zijn hoofd verborgen achter het gordijn. Daarna gierden we het samen uit op het schoolplein. Nog dagen hadden we plezier van onze ervaring.

Achteraf, veel later, drong echter het schuldige besef tot ons door, dat we domweg een voor Venlo zeldzame cultuuruiting, in de vorm van de voordracht van een gedicht van Jan Hanlo, hadden weggelachen. Waarschijnlijk heeft het domein van onze jeugd in de achterliggende 55 jaar niet vaak meer tot het niveau van Hanlo gereikt. Ik trouwens ook niet, maar ik ben wel wat meer open gaan staan voor dichtkunst, en intussen heb ik Jan Hanlo toch een tweede kans gegeven.

Jan Hanlo (foto http://www.discogs.com/artist).

Ik begreep dat het Hanlo’s gedicht ‘De duif’ was, dat indertijd voorgedragen werd door dat Marianum-meisje. Hanlo heeft meer van dergelijke, beslist ingenieuze klankgedichten geschreven. Ik wil de lezer vooral het gedicht ‘De mus’ niet onthouden. Dat luidt als volgt:

Tjielp Tjielp – Tjielp Tjielp Tjielp

Tjielp Tjielp Tjielp – Tjielp Tjielp

Tjielp Tjielp Tjielp Tjielp Tjielp Tjielp

Tjielp Tjielp Tjielp

Ik laat het bij dit beginfragment en verwijs belangstellenden naar een sprankelende voordracht van het gedicht op YouTube. Dat garandeert een vrolijk en tegelijk poëtisch begin van de dag.

Vrolijk was het leven van Jan Hanlo bepaald niet, oef. Mijn vader zou daar, in combinatie met Hanlo’s klankgedichten, zijn opvattingen over poëzie mee bevestigd zien. De herdenking van Hanlo in Limburg – hij woonde in Valkenburg – was soms ook een moeizame aangelegenheid, maar inmiddels heeft hij meer erkenning gekregen.

Het thema van de 74e Boekenweek was ‘Tjielp, tjielp’.

In de dierentuin van Dublin werd ik totaal verrast door een vertaling van ‘De mus’ op een muur. Volgens die tekst tjielp’en Ierse mussen niet, maar chirp’en ze, een bewering die ik tijdens mijn verdere verblijf in Ierland helaas vergat te checken.

Foto op een muur in de dierentuin van Dublin (foto thefamilyfarm.ie/farmhousegarden).

Over het geluid van mussen is nadien nog discussie geweest. De schrijver Adriaan Morriën stelde ooit in de NRC dat ze tjilp’en, maar dat was dan weer zo’n Amsterdammer die elk ander dialect negeert. Een grote fout, en daarmee kom ik tot het diepere doel van deze beschouwing. Ik wil de Grensbode voorstellen om uit ongetwijfeld overschietende abonnements- en advertentiegelden een Venlose herdenking van die zo verketterde Jan Hanlo te entameren. Op specifiek Venlose wijze: het kenmerkende geluid van een Venlose (stads)mus valt met een korte studie wel te achterhalen en plekken om de Venlose vertaling van ‘De mus’ groots aan te brengen, zijn er meer dan genoeg in de stad. Wat dunkt u, redactie?

GVDV

Extra editie van woensdag 15 augustus 2018

Van Hans Canters ontvingen wij een foto van een wel heel bijzonder automaat aan de straat in Altenahr. In jaren van weleer konden dames die in nood waren, omdat zij een ladder in hun nylonkous hadden, hierbij terecht voor een nieuw paar.

Reeds eerder meldde de Venloër Grensbode dat lange tijd geleden dames die met hetzelfde ongerief werden geconfronteerd, terecht konden bij een automaat van de lingeriewinkel van de familie Canters aan de Lomstraat.

Avondeditie van woensdag 15 augustus 2018

(van onze correspondent in het Grensland)

Wij waren in het het dorp Beeck bij Wegberg, waar wij het verhaal hoorden over een poedel die dusdanig kon blaffen dat velen er de naam Adenauer in meenden te horen. Het bazinnetje van de hond was de exploitante van het voor Beeck wel erg werelds hotel Zur Post. Inmiddels is het horecapand in verregaande staat van verval geraakt. Maar toch gloort nog iets van de grandeur van vroeger. Hotel Zur Post had een Spiegelzaal waar gedanst werd. Rijke industriëlen uit grotere plaatsen uit de omgeving kwamen in de jaren van het Wirtschaftwunder naar hier om anoniem de bloemetjes buiten te kunnen zetten. Vaak in gezelschap van hun secretaresse of maîtresse.

Hotel zur Post, vergane glorie in de dorpskern van Beeck

De exploitante van Zur Post stond wijd en zijd bekend als Tante Juliane. Het was een pronte dame. Maar terug naar haar poedel. Op zekere dag werd het geblaf opgenomen met een bandrecorder. De geluidsband werd opgestuurd naar bondskanselier Konrad Adenauer. De tijd verstreek en de hoop een reactie te ontvangen was allang vervlogen, toen die alsnog kwam .De bedankbrief van Adenauer werd ingelijst en  sierde lang de gelagkamer van Zur Post.

Een lichtbak van Hannen Alt met de naam van de legendarische Tante Juliane die van niemand tante was 

Tante Juliane – die overigens van niemand in Beeck echt een tante was, ze had de tante-status – is reeds lang geleden overleden. Haar door en door verwende poedel ging haar voor naar de hondeneeuwigheid. Het hotel Zur Post met de prachtige Spiegelzaal, waar buitenechtelijke dansparen zich ontelbare malen gespiegeld zagen, raakte in verval. Een projectontwikkelaar kocht het pand op. Op een kwade dag stond een container voor de deur. Leden van de Heimatverein Beeck redde een portret in olieverf van Tante Juliane. Speciaal voor de Venloër Grensbode werd het uit het depot van het Flachsmuseum gehaald. Onze gids in Beeck, Paul Winkens (1938), was meer dan bereid om met Tante Juliane te poseren voor het etablissement dat eens de roem van het dorp was.

Paul Winkens met het portret in olieverf van Tante Juliane

Tot slot attenderen wij liefhebbers van het langzaam verdwijnend cultuurgoed ‘automaat aan de straat’ erop dat aan de gevel van de Kneipe Flachse aan de Kirchplatz in Beeck nog een sigarettenautomaat hangt. In Nederland zijn sigarettenautomaten aan de openbare weg inmiddels door de overheid verboden.

Door de Nederlandse overheid verboden, maar ook in het Duitse Grensland verdwijnend cultuurgoed: de sigarettenautomaat aan de openbare weg

Middageditie van woensdag 8 augustus 2018

UNDERCOVER BIJ DE TRAPPISTEN

Op een steenworp afstand van het buurtschap Egypte*, vanwaar ik U schrijf, ligt het voormalige trappistenklooster Ulingsheide, waar uw correspondent vorig jaar undercover ging ten behoeve van het bestuur van de stichting Emmaus-Fenix, die het klooster en de daarin gevestigde woon-werkgemeenschap bestiert. De aanleiding was het tienjarig bestaan van de stichting, die het bestuur onder meer wilde vieren met een boekje waarin deze rapportage zou worden opgenomen. Van dat jubileum, die viering en het boekje heb ik nooit meer iets gehoord. Dat zal zijn redenen hebben gehad. Aan de rapportage heeft het kennelijk niet gelegen, want daarover was men wel te spreken. Ook zelf heb ik geen spijt van mijn kortstondige verblijf aldaar, ik heb er tal van interessante ontmoetingen gehad. Wat me echter het meest is bijgebleven is het feit dat ik een kamer kreeg op het snijpunt van twee zichtlijnen, pal boven de toegangsdeur van het klooster. Daarover heb ik toen het volgende stukje geschreven.

AAN DE GRENS

Rond half acht ben ik weer terug op mijn kamer, die zich bevindt pal boven de ingang, de poort van het oude klooster. Ik loop naar het raam en kijk naar buiten. Links kijk je naar Duitsland, voor je uit en rechts naar Nederland. Tussen die twee landen loopt een onzichtbare lijn, grens genoemd. Opeens realiseer ik me hoe vreemd het in een leven kan lopen. Je kunt links geboren worden, maar ook rechts. Nu maakt dat weinig verschil meer, maar vroeger des te meer. Was ik in Duitsland geboren, dan was ik misschien de zoon van een wrede SS’er geweest. Ik had een verstoorde vader-zoon relatie gehad en elke keer als ik met Nederlanders in contact was gekomen, had ik mijn zondagse gezicht van Gutmensch moeten opzetten, die afstand neemt van zijn vaders naziverleden. En maar vriendelijk lachen en maar wiedergutmachen. Die last voel ik nu niet. Ik heb geluk gehad. God zij dank ben ik in Nederland geboren.

Wie heeft daarvoor gezorgd? Waaraan heb ik dat te danken?

Je kunt moeilijk volhouden dat het je eigen verdienste is geweest, en toch gaan veel mensen daar voetstoots vanuit: ze zijn uitverkoren om niet als Syrische vluchteling of Afrikaanse gelukzoeker geboren te zijn, maar als Nederlander. Hoe had het ook anders kunnen zijn met zo’n uniek karakter, zo’n boeiende persoonlijkheid?

Net zo vanzelfsprekend vinden ze het hier te zijn opgegroeid, naar school te zijn geweest, werk te hebben gevonden en een gezin te hebben gesticht. Dat is een kwestie van goed karma, toch? Dat hebben ze bij wijze van spreken al vóór hun geboorte verdiend.

Daar kun je ook anders over denken. Je kunt ook denken dat het een kwestie van stom toeval is. Voor hetzelfde geld was je aan de andere kant van die stomme grens geboren. Geen boeiende persoonlijkheid, geen goed karma, maar puur geluk of pech. Net zoals je supergezond kunt leven en toch kanker kunt krijgen of door de een of andere idioot plompverloren omver gereden kunt worden. Niets kan je ervoor behoeden om op de verkeerde tijd op de verkeerde plek te zijn. Voordat je het weet zit je aan de grond en bij de dokter, in het ziekenhuis of hier, bij Emmaus tussen de ‘marginalen’.

Maar er is nog iets anders. Ik buig me naar voren en zie de Venlonaren staan die hier op 5 november 1944 stonden, toen Venlo werd getroffen door een verschrikkelijk bombardement. Ze waren ‘uitgebombt’ en sloegen massaal op de vlucht naar Velden en Tegelen en hiernaartoe, naar deze trappistenabdij, waar ze samendromden onder dit raam. De abt van het klooster had tegen hen kunnen zeggen: ‘Loop maar verder, mensen, ga maar naar Tegelen. Wij zijn een contemplatieve orde, geen wereldse. Wij eren God door beschouwing en gebed, niet door middel van goede werken. Helaas pindakaas.’

Maar dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft hen binnengelaten en zich met zijn medebroeders over hen ontfermd. Met de rust van de bezinning was het in één luide klap gedaan, van de ene op de andere dag moesten ze zich uit de naad werken om het hun gasten naar de zin te maken.

Misschien bent u wel een kleinkind of achterkleinkind van een van deze gasten. Bedenk, het had ook anders kunnen lopen.

O, die grens, die grens.

tekst en foto’s Willem Kurstjens

*buurtschap tussen Venlo en Tegelen nog niet ontdekt door het massatoerisme, maar door kenners geroemd om zijn opdrogend fietspad